Uit de Studie-commissie voor het dienstboek (I)
Voor dè viering van het Heilig Avondmaal (II)
Het gedeelte van het voorgestelde formulier, dat over de „gedachtenis van Christus" handelt, is heel erg kort en bevat tot onderwijzing der gemeente zo goed als niets. De beperking van het formulier is derhalve hier wel heel erg tot het uiterste doorgevoerd. Gelijk boven uiteen is gezet, geven wij de voorkeur er aan, dat het oude formulier geheel aan de gemeente wordt voorgelezen. Doch wanneer men dit tweede formulier zou willen behouden, achten wij een uitbreiding van deze gedachtenis op de wijze en in de zin van het oude formulier dringend noodzakelijk.
Het beginwoord dezer gedachtenis : „Zo" komt ons minder welluidend voor. Vooral ook, omdat dit woord in de voorafgegane zin reeds tweemaal voorkomt en in de zin, die daarmee aanvangt, later weer gezegd wordt, „zoals Hij bevolen heeft te doen". „Derhalve" zou naar onze mening beter klinken.
Tegen de woorden : „tot lof en dank aan Hem", kan worden ingebracht, dat men niet iets doet tot lof aan iemand, maar tot lof van iemand. Men zal dus hebben te kiezen tussen de uitdrukkingen : „tot lof van Hem", of „tot dank aan Hem". Beter lijkt ons echter nog de redactie : „Derhalve willen wij naar de ordening van Jezus Christus, het brood eten en de wijn drinken tot Zijn gedachtenis", of „tot gedachtenis van Hem, Die de dood voor ons heeft geleden", waarna dan een uitbreiding der gedachtenis kan volgen.
De zinsnede, dat Christus „Zijn bloed tot afwassing onzer zonden voor ons heeft vergoten", bevat een pleonasme (overtolligheid van uitdrukking). Wanneer Christus Zijn bloed „tot afwassing onzer zonden" heeft vergoten, behoeft er niet meer bijgevoegd te worden, dat Hij zulks „voor ons" gedaan heeft. Men late derhalve de woorden : „voor ons" vervallen, of kieze een uitdrukkingswijze, waardoor het genoemde pleonasme op andere wijze wordt opgeheven.
Het Avondmaalsgebed, dat na de belijdenis des geloofs volgt, geeft met enkele onbetekenende, en daarom naar ons oordeel onnodige, wijzigingen het eerste gedeelte weer van het gebed uit het oude formulier. Daarna volgen voorbeden, waarna het slotgedeelte van het gebed uit het oude formulier is opgenomen.
Over de wenselijkheid de voorbeden aan het begin voor de dienst te plaatsen, is reeds gehandeld bij de bespreking van de eerste orde van dienst voor de viering van het Heilig Avondmaal. Bij deze voorbeden wordt verwezen naar de bladzijden 67—77 van het dienstboek, doch een aanduiding, waaraan dit gebed ontleend is, ontbreekt. In het „Ter Inleiding" van de generale synode in het dienstboek (blz. III) wordt gezegd, dat de synode „om alle liturgische willekeur te vermijden zoveel mogelijk (heeft) aangesloten bij de liturgie, zoals zij historisch gegroeid is in het bijzonder in de reformatietijd."
Dit geldt van deze voorbeden blijkbaar niet. Wij zouden er op willen aandringen, dat zulks ook hier geschiedt.
Voor de gemeente wordt gebeden, dat zij toenemen mag : „in godsvrucht en eendracht des geloofs". Wij zouden daarvoor beter achten : „in godsvrucht en geloof", of „in godsvrucht en eenheid des geloofs".
In zake „de éne heilige, algemene kerk" van Christus wordt gebeden : „Neem haar verdeeldheid weg, opdat allen één zijn". Men kan natuurlijk wel bevroeden, wie met deze „allen" bedoeld zijn, doch in het gebed staat dit niet uitgedrukt. Wij achten, zo men dit gebed behoudt, juister het aldus te wijzigen, dat na het woord „verspreid" gebeden wordt : „dat Gij de verdeeldheid onder degenen, die in Uw Zoon geloven (of de Naam Uws Zoons belijden), wegneemt".
Het slot van de desbetreffende zin : „opdat allen één zijn", zouden wij in overeenstemming met Joh. 17 : 21 veranderd willen zien in : „opdat zij in U en in Uw Zoon één zijn". Deze eenheid wordt toch door Christus bedoeld en het verdient naar onze mening aanbeveling, dat dit ook wordt uitgedrukt.
In de daarop volgende zin wordt inzonderheid gebeden voor „de kerk, die verdrukt wordt." Is onder deze kerk een andere kerk te verstaan dan de daarvóór genoemde „éne heilige, algemene kerk" van Christus ? Vermoedelijk niet. Doch het komt ons voor, dat de gebezigde uitdrukking deze indruk wel wekken kan en dat het duidelijker zou zijn te lezen : „Inzonderheid bidden wij U voor hen, die verdrukt worden".
In het begin der voorbeden is gebeden voor „broeders en zusters, die door vervolging worden bezocht. De vraag kan gesteld worden, of met deze personen andere personen bedoeld zijn dan „de kerk, die verdrukt wordt".
Het slot van het gebed : „Verleen ons ook Uw genade enz.", dat weer aan het gebed van het bestaande formulier ontleend is, hangt op een zeer losse wijze aan de voorafgaande voorbeden aan.
Ook op grond daarvan zal het de voorkeur verdienen om de voorbeden naar het begin van de dienst te verplaatsen en het gebed van het oude formulier - door deze voorbeden niet te onderbreken.
Het dankgebed is vrijwel gelijk aan hel dankgebed van het oude formulier. De verandering, die aangebracht is, is zo gering, dat men zich afvraagt, waarom men het oude gebed niet liever ongewijzigd heeft gelaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's