DE BAND AAN DE BELIJDENIS
De meerderheid der commissie wil op enige punten nog wat dieper ingaan.
De opposanten hebben beweerd, dat de confessie en de catechismus door mensen in onze tijd zijn samengesteld en daarom niet voor onwederlegbaar geacht mogen worden, maar zij behoren aan de toetssteen van het Goddelijke woord getoetst te worden, waarmee zij anders in gelijke waarde gesteld zouden worden, welke toetsing, opdat deze in vrijheid zonder vooroordeel zal geschieden, moet geschieden door hen, die ontslagen zullen worden van hun ondertekening, waarmee zij zich aan de leer der catechismus en confessie verbonden hebben.
Hierop antwoorden de gereformeerde theologen als Gomarus, Bogerman c.s. nu als volgt: Het behoorlijk en ontwijfelbaar onderscheid tussen het woord Gods (als de enige regel des geloofs) en andere geschriften, daaruit gesteld, is door ons hiervoor verklaard, en dat neemt niet weg de onderlinge verbintenis der predikanten aan zekere belijdenis eendrachtig gesteld, aangenomen en ondertekend op geen ander fundament of mening, dan dat zij overeenkomstig Gods woord zijn, en dewijl zij daarvoor erkend en gehouden worden en anders niet; daarom behoort deze verbintenis op zo'n fundament zo lang van kracht te blijven, totdat door iemand duidelijk wordt aangetoond, dat ze in enige punten met het woord Gods niet overeenkomen, hetwelk wel bewezen zijnde, behoeft geen ontslag van verbintenis verzocht of gegeven te worden, in zulke punten, daar zij niet het fundament der verbintenis hebben.
Dat nu voorgewend wordt, dat gedurende zulk een verbintenis het oordeel over de punten der leer, waarover enige kwestie valt, niet vrij kan zijn en dat deze verbintenis een vooroordeel meebrengt en dat degene, die aan een zekere leer gebonden is, niet onpartijdig van verschillen in de leer kan oordelen.
Dat gaat niet op, want zo deze regel zou gelden, zo zou een Christen, die aan de Christelijke religie door zijn doop verbonden is, niet mogen oordelen over de verschillen tussen de Christelijke religie en de onchristelijke meningen, waarin de schrift verworpen en de voornaamste fundamenten der christelijke religie verloochend worden, ten ware hij eerst van zijn verbintenis aan de christelijke religie ontslagen ware en zou daaruit volgen, dat degene die recht wil oordelen over de verschillen in de religie, zich neutraal zou moeten houden in de religie, dat is geen religie belijden en alzo zonder geloof zijn. Ook wordt die band te ver getrokken, wanneer men daaruit zou willen besluiten, dat men niet vrijelijk zou mogen oordelen over de verschillen in de religie, en of de belijdenis, die men eenmaal heeft ondertekend, overeenkomstig Gods woord is of niet, want de ondertekening der confessie en der catechismus brengt niet zulk een band mede, dat men eenmaal zulk een belijdenis ondertekend hebbende, later niet onpartijdig zou m.ogen oordelen (wanneer daar kwestie is over deze belijdenis) of zij met Gods woord overeenkomt of niet, want daar Gods woord het enige richtsnoer des geloofs is, waaraan men onverbrekelijk en ten hoogste verbonden is, zo is daar geen band aan enige belijdenis zo vast, dat men daardoor verhinderd zou worden vrijelijk in goede consciëntie te mogen oordelen, of deze belijdenis, die men eenmaal heeft ondertekend, met het woord Gods overeenkomt of niet, en hetgeen bevonden wordt niet overeen te komen met Gods woord te verwerpen. Arminius c.s. hebben een tweede tegenwerping : Dat door zulk ontslag geen twijfelachtigheid in de religie wordt ingevoerd, noch de band der enigheid, die met de ondertekening betuigd wordt, gebroken noch in het minst gekrenkt, mitsdien de fundamenten der christelijke religie evenwel vast en onverbrekelijk gehouden worden.
Gomarus c.s. antwoorden hierop :
Het is tegen de natuur en alle reden te zeggen, dat niet in twijfel zou getrokken worden hetgeen waaromtrent men van zelf en uit geen andere oorzaak, dan dat het een menselijk geschrift is, aan dwaling onderworpen, onderzoek gaat doen of het de waarheid is of niet en of de waarheid daar ook met schriftuurlijke manier van spreken uitgesproken is, en of er niets strijdig in is èn dergelijke.
Ook wordt de band der enigheid noodzakelijk gebroken, als men aan de aangenomen eendrachtigheid niet meer gehouden is door het ontslag van de verbintenis, evenals een bos met pijlen niet meer vast bijeen ligt, als de band waarmede zij stijf aaneen gebonden was, los gesneden is en indien de fundamen ten der christelijke religie evenwel vastgehouden worden, waartoe dient dan dat onderzoek of het de waarheid is ? En hoe komt gij verzoeken onfslagen te zijn van de band aan deze geschriften of gij moet twijfelen of de waarheid daarin is.
Of indien met deze woorden gemeend wordt, dat de fundamenten der christelijke religie evenwel vastgehouden worden, al is men niet gebonden aan de belijdenis en de catechismus dewijl zulks wel geschieden kan buiten de belijdenis en de catechismus, wie zal ons daarvan verzekeren van te voren, dat diegenen, die zozeer op dit ontslag aandringen, omdat zij verscheiden dingen tegen de belijdenis en de catechismus voor te stellen en andere wijzen van spreken of iets dergelijks voort te brengen hebben, de fundamenten der christelijke religie vast en onverbrekelijk houden zullen ? Bijzonder als zij gezind zijn te onderzoeken vooreerst of ook de waarheid in de belijdenis en de catechismus zijn ? Want ofschoon zij zelfs nu mogen verklaren, dat hetgeen zij zullen hebben te zeggen, niet zal strijden tegen de belijdenis en de catechismus, of ook tegen Gods woord, of tegen de fundamenten der christelijke religie, men is niet verplicht dit te geloven en er kan ook met geen schijn van billijkheid geëist worden dat men dit gelooft, voor en aleer, dat men gehoord en onderzocht heeft, wat het is, en dat oordeel staat ook niet aan henzelven, die het zeggen, maar aan anderen die hen horen en hun voorstel oordelen zullen naar Gods Woord.
Men mag ook met recht zeggen, bij aldien de mening is, de fundamenten der christelijke religie evenwel vast te houden, in het onderzoek dat men doen wil als waaraan men niet twijfelt of zij zijn in de belijdenis en de catechismus begrepen, waartoen dient dan het ontslag ? Namelijk van een zaak, die men toch in elk geval wil vasthouden ? En is het ook de mening in het bedoelde onderzoek alleen te handelen van manieren van spreken en dergelijke dingen de fundamenten der christelijke religie niet rakende zo is het formele ontslag van de gehele belijdenis en catechismus nog veel meer onnodig, want waartoe ontslagen te worden van het fundament dat men vast wil houden in de catechismus en confessie als men maar zal handelen over mindere dingen, die het fundament niet treffen ? Zo is het moeilijk te begrijpen, waarom men zozeer op dit ontslag aandringt, en welke vrucht daaruit te verwachten is, als men de leer der belijdenis en der catechimus niet in twijfel trekken, noch de band der enigheid breken, maar de fundamenten der christelijke leer evenwel vasthouden wil, en ook niets voort te brengen heeft, dat tegen de confessie en de catechismus strijden zou, gelijk dit al door verschillende broeders erkend en verklaard is.
Ik wil nu reeds even de aandacht vestigen op het onderscheid, dat in dit stuk gemaakt wordt tussen de fundamenten der christelijke leer en manieren van spreken, die deze fundamenten niet raken. We zullen hierop later nog moeten terugkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's