CHRISTELIJK ONDERWIJS EIS
De Schoolkwestie „Hardegarijp" geniet wel heel wat belangstelling. Men weet, dat in deze gemeente sprake was (is) van de oprichting van een school voor Chr. Nat. Schoolonderwijs. Dat evenwel de vrijzinnige kerkeraad van de Herv. gemeente de gemeenteleden ge adviseerd heeft, hieraan niet mede te werker en wel mede op advies of in elk geval na over leg met de Herv. Raad voor Kerk en School, Nu weet ik niet hoever dit advies of dit over leg precies is gegaan : heeft de gehele Raad daaraan deelgenomen, was dit het oordeel van de gehele Raad, of van het moderamen of van de meerderheid ? Ik weet het niet. Toen deze geschiedenis moet plaats hebben gevonden, was ik nog geen lid van genoemde Raad en in de eerste vergadering, die ik bijwoonde in September j.l, werd wel met een enkel woord deze kwestie aangeroerd, maar ik wist er te weinig van, om mij een oordeel te kunnen vormen.
Het oordeel van de Hardegarijper kerkeraad, dat geen enkel schooltype het monopolie bezit de kinderen op te voeden tot Christus, is door mij reeds vorige week besproken, zonder nadere aanduiding van deze gemeente. Ook sprak de kerkeraad het uit, dat de Doopbelofte op zichzelf de ouders niet de verplichting oplegt, hun kinderen te zenden naar een bepaald schooltype. Om in dezelfde terminologie te blijven is deze uitspraak op zichzelf al weer niet nieuw. Reeds lang geleden hoorden we dezelfde klanken en nu hier, dan daar worden ze opnieuw gehoord.
Het Werkverband van Hervormde onderwijzers, waartoe leerkrachten van Openbare en Bijzondere scholen behoren, heeft deze Hardegarijper schoolkwestie van algemeen belang geacht en op een massale bijeenkomst te Utrecht behandeld. Als spreker trad op prof. dr. van Niftrik.
Hoewel ik voor deze vergadering een uitnodiging ontving, was het mij totaal onmogelijk er heen te gaan. Dus moest ik afgaan op het verslag, dat ik vond in „De Rotterdammer".
En dan wil ik een paar opmerkingen maken.
1. Is het zo vreemd, dat tal van ouders hun Doopbelofte zo opvatten, dat ze hierbij beloofd hebben hun kinderen — laat ik het heel eenvoudig zeggen — een Christelijke opvoeding te geven, zowel op school als thuis. Dat huisgezin en school in deze op hetzelfde niveau dienen te liggen en dat dit voor het Christelijk gezin noodwendig de Christelijke school meebrengt, waar het Woord van God het middelpunt wil zijn, waar alle onderwijs valt onder het licht der Heilige Schrift. En dan is er niet alleen de Bijbelse Geschiedenis maar ook de Vaderlandse en de Kerkgeschiedenis, het Leesonderwijs, en om niet meer te noemen : het Christelijk lied.
Is het nu werkelijk waar, dat in de leidende organen der Herv. Kerk men het hiermede niet eens is ?
Zeker staat voor mij vast, dat er toch nog wel in deze organen zijn, die er wèl zo over denken ; ook in de Herv. Raad voor Kerk en School. En het is evenzeer bekend, dat ook zij willen medewerken en inderdaad ook medewerken om de kinderen van ons volk, die de Openbare School bezoeken, niet geheel en al van het onderwijs uit de Bijbel verstoken te laten, maar als gemeente doen wat de Wet hun toestaat.
2. Inderdaad ging het reeds 80 jaar geleden op de vergadering van Christelijk Nationaal over de bekende term Christelijke en maatschappelijke deugden. De meerderheid wilde dat uit de Wet schrappen, de anderen, onder wie prof. Beets wilden het behouden, met het oog op de toekomst, hoewel ook deze „voorstanders waren van de Christelijke School".
Was hier dan eigenlijk wel de scherpe tegenstelling tussen — zoals de Hooggeleerde spreker het noemt — het profetisch geweld en de ethische bemiddeling ?
Is men wel zo ver de plank mis, dat in dit wetsartikel een onoverbrugbare klove ligt tussen enerzijds de neutraliteitsgedachte en anderzijds de Christelijke deugden, die zonder Christus geen zin hebben ?
3. Dat prof. van Niftrik de vrijzinnigheid van de kerkeraad van Hardegarijp niet wenste te verdigen, kan ik begrijpen, maar dat hij dit ook niet wil doen, waar het betreft de rechtzinnigheid van een orthodoxe kerkeraad, zie dat begrijp ik weer niet. Wil dan de Herv. Kerk niet juist belijden in gemeenschap met de belijdenis der vaderen ?
En heeft dan niet in de eerste plaats de Christelijke school die uit hetzelfde beginsel leeft — meer of minder precies uitgedrukt, niet in de eerste plaats recht op de geestelijke steun van de kerk, op haar voorbede en daadwerkelijke hulp ? Dat ze zich tegelijk richt tot die jeugd, die zo veelszins van kerk en godsdienst vervreemdt, is eveneens haar dure roeping. Maar dan ook naar het Woord en de belijdenis.
4. Het zij verre van ons, dat wij ons een oordeel zouden aanmatigen over zo vele onzer medeburgers, die aan het openbaar onderwijs de voorkeur geven, maar als stelsel wijzen wij de openbare school af. „Ze is niet zo onchristelijk als men wel meent" zegt de spreker volgens het verslag. Goed, we willen dit aannemen, dit oordeel zal wel op feiten ge grond zijn, anders zou 't zó niet zijn uitgesproken. Maar toch vragen we ons weer af, of dan buiten het uur „godsdienstonderwijs", dat op vele Openbare Scholen gegeven wordt, er nog plaats is voor de Christus der Schriften, de Middelaar Gods en der mensen, gestorven voor onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking ? Is dan Christus niet meer de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid? Wij menen van wèl, en toch zou men daar vrijuit van Hem kunnen getuigen en tot Zijn eer kunnen zingen? Ik geloof niet, dat dit kan, zonder in strijd te komen met de eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige gevoelens van andersdenkenden.
5. „De school aan de ouders".. „Deze leuze" zou eenzijdig, gevaarlijk en onjuist zijn. Hebben dan niet de ouders in de eerste plaats het recht en de plicht hun kinderen op te voeden en als zij — wat inderdaad het geval is — daartoe slechts tendele in staat zijn, wie heeft er anders dan zij, te beslissen, welke school zij voor hun kinderen begeren?
Ongetwijfeld heeft de Overheid hier eisen te stellen, voor zover het maatschappelijk leven betreft; dit zal niemand ontkennen. Maar verder zijn de ouders de verantwoordelijke personen. De leuze : De school aan de ouders, is ook nooit zó ongevat, alsof niemand anders een woordje had mee te spreken. Altijd heeft de Overheid toezicht gehad op het ontwikkelingspeil en gelet op de eisen van zedelijkheid. Het stichten van Christelijke Scholen is nooit uitgegaan van mensen met plannen, die het staatsgezag ondermijnen.
6. Tenslotte is het wel een belangrijk punt, dat de school in haar ganse onderwijs die kennis aanbrengt, die het godsdienstig leven aangaat, inzonderheid wat betreft de kennis der Heilige Schrift. Hoe ijverig en getrouw de; kerk ook moge werken in haar ambtsdragers, dit zal nooit kunnen opwegen tegen het regelmatig dagelijks onderwijs op de Scholen met de Bijbel. Dat heeft de ondervinding van vele jaren, van de tijd af, dat we zelf ter catechisatie gingen, ons wel heel duidelijk geleerd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's