De weg naar de vrijheid
„Gaat door, gaat door, door de poorten; bereidt de weg des volks; verhoogt, verhoogt een, baan; ruimt de stenen weg; steekt een banier omhoog tot de volken!" Jesaja 62 vers 10.
Ziedaar de Adventsroep, die tot Israël kwam, na zeventig jaar in de Babylonische ballingschap gezucht te hebben. De weg naar de vrijheid werd hun door Gods genade en trouw geopend. De Heere dicteerde als het ware het bekende Edict van koning Cyrus (of Cores), het Edict der verlossing, waarbij deze aan Israël verlof gaf om als een vrij volk uit te trekken naar het land der vaderen. De oproep in deze tekst betekende dus de verlossing uit de dienstbaarheid en deze bevrijding was inzet en type van de veel rijker verlossing door Christus uit de knechtschap der zonde en de banden der duisternis. Daarom klinkt in deze weken het machtige, bronzen geluid der Adventsklokken ook ons tegemoet : „Gaat door, gaat door, door de poorten!"
Petrus werd later niet zekerder in de kerker bewaard met ketenen, wachters en ijzeren deuren, dan Israël in de Babylonische gevangenschap, en dan wij van nature in het rijk der duisternis. Wat ter wereld kon hij doen om uit die kerker uit te breken ? Hij was niet bij machte in zijn gebondenheid de zware poorten ook slechts op een kier te openen. En wat vermogen wij in eigen kracht om ons zelf te verlossen van zonde, schuld, vloek, dood en oordeel? Er bestaat naar de mens niet de minste kans op de vrijheid der kinderen Gods!
Maar God is er nog! Petrus zag op 's Heeren tijd onder engel-geleide de ijzeren poort, die naar de vrijheid leidde, van zelf zich openen. De hand des Heeren, onzichtbaar voor ieder, vermag wat onmogelijk schijnt bij de mensen.
Zó heeft Hij ook op de gezette tijd voor Israël de zware poorten van Babel geopend. En voor het Nieuw Testamentisch Israël heeft Hij nog meer gedaan door de Heere Jezus Christus, die gekomen is om voor de gevangenen vrijheid uit te roepen en voor de gebondenen opening der gevangenis.
De onbeweegbare kerkerdeuren zijn wijd geopend, sinds Christus Zijn verlossende werk volbracht heeft. Wat is het edict van de vrijlating der Joden uit Babel, door Cyrus' handtekening bekrachtigd, vergeleken bij het Edict des Evangelies, dat Christus met Zijn bloed getekend heeft? Het laatste is betrouwbaarder dan het eerste. En nu zou men verwachten, dat alle gevangenen het met hun ganse hart zouden geloven, en zich in dichte drommen naar de vrijheid zouden spoeden. Maar dat is helaas niet zo, evenmin als alle Joden daar van gebruik maakten, maar grote scharen achter bleven in Babel, omdat zij hun gevangenschap niet als zodanig gevoelden, en zich er maar al te goed in thuis gevoelden. En gelijk eenmaal het merendeel van Israël Kanaan niet heeft kunnen binnengaan vanwege hun ongeloof, zo was het ook nu, dat het merendeel niet verlost werd vanwege hun ongeloof en hardigheid des harten, zodat ze in Babel achterbleven. Velen zijn ook te traag om in vast vertrouwen rp 's Konings woord gebruik te maken van het heilig Edict der verlossing. Zij zijn aan hun gebondenheid zó gewoon geraakt, dat de behoefte aan bevrijding bij hen is uitgesloten. Anderen kennen de boodschap des heils, maar blijven nochthans klagend in hun ellende zitten, inplaats van juichend uit te trekken. Tot deze tragen en verstompten komt inzonderheid de schallende Adventsroep: „Gaat dóór, gaat dóór, door de poorten!"
Wie door genade door deze roep uit zijn traagheid ontwaakt, moge zich echter bezinnen op de weg, die alleen tot de vrijheid der verlossing leidt. Niet tevergeefs vestigt ons tekstwoord daarop de volle aandacht der ontwaakten: „Bereidt de weg des volks; verhoogt, verhoogt een baan ; ruimt de stenen weg ; steekt een banier omhoog tot de volken !"
Het beeld is ontleend aan de schier ongebaande wegen van die tijd. Met name aan de weg, die van Babel naar Jeruzalem leidde. Er waren gaten en kuilen in, die door storting van zand en gruis gevuld en opgehoogd moesten worden. In de woeste streken waren zij bovendien hier en daar bezaaid met stenen, die de doortocht uiteraard bemoeilijkten, en daarom zoveel mogelijk uit de weg geruimd moesten worden om langs effen baan naar Jeruzalem op te trekken.
Er is voorbereiding nodig, aleer wij tot het volle genot van de zegen der verlossing in Christus kunnen komen. Niemand beelde zich in, dat die genadegave ons onvoorbereid en plotseling als een verrassing in de schoot zou vallen.
Reeds bij de komst van de Zoon Gods in het vlees, ging er in Johannes de Doper een boetprofeet, een wegbereider aan Hem vooraf; zijn werk was het effenen van de baan, door het volk te bewegen tot inkeer in eigen hart, tot boete en schuldbelijdenis, tot geloof en bekering. Juist zó moet aan het ontvangen van Christus' rijkdom de zelfbeproeving voorafgaan en wel bij het ontdekkende licht van de Heilige Geest. Zij doet ons in het binnenste veel verborgen kwaad ontdekken, veel zonde en schuld, waarmede wij zelf geen raad weten. Maar als dit onderzoek ons mag leiden tot een hartelijk berouw, gelijk aan dat van de verloren zoon, die zich geen plaats aan 's vaders tafel waardig keurde, dan is de weg geëffend om, met de genade van Christus verkwikt, vertroost en beschaamd te worden. Hij doet het beste kleed voorbrengen en ons aandoen, steekt de ring van het kindschap aan de vinger, schoeit de voet om in 's Heeren paden te wandelen, en roept er de engelen uit de hemel bij om feest te vieren.
Ziedaar, het ophogen van de baan!
„Ruimt de stenen weg!".... dit komt er bij. Er liggen op het pad naar de volkomen verlossing allerlei struikelblokken, waartegen de voet aanstoot en de rustige voortgang belemmert. Er zijn vele geestelijke bezwaren en bedenkingen, waarop wij stuiten. Ze zijn soms zó ernstig, dat zij de gang naar Christus tegenhouden, en wij niet kunnen doorbreken tot de vreugde des heils.
Wie kent niet die onvertilbare stenen des aanstoots? Wie hoorde nooit klachten als deze: „ik heb te lang en te zwaar gezondigd om op genade te durven hopen; ik heb mijn weg te zeer verdorven om nog zalig te worden; ik ben te ver afgeweken om de weg terug te kunnen vinden; ik kan slechts roepen uit de diepten van ellende, waar anderen met luider stem het lied der verlossing zingen : „de Heere heeft grote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd!"
O, ruimt die stenen weg in 's Heeren kracht! Ruimt ze weg, door u te verdiepen in het Edict der verlossing, dat niemand buitensluit, die een gebroken hart en een verbrijzelde geest in zich omdraagt.
Ruimt ze weg, door in de binnenkamer de knieën te buigen, uw onbetaalbare schuld te belijden, maar óok te pleiten op Christus, die zelfs aan een boetvaardige moordenaar een Paradijs beloofde.
Ruimt ze weg, door aanbiddend voor Christus neder te vallen en uit 't geloof te zeggen:
„Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er waar ik in kan rusten!"
„Steekt een banier omhoog tot de volken!" dit is óók een Adventsuitroep, die wij ter harte te nemen hebben. Met de „volken" zijn alle natiën bedoeld, waaronder de Joden in de verstrooiing woonden. Zij bevonden zich niet alleen in Babel, maar waren wijd en zijd verspreid. Bij de terugkeer naar Jeruzalem moesten de door Cyrus vrij gelatenen niet alleen aan zichzélf denken. Zij hebben de roeping, een banier op te steken naar al die andere volken als een verzamelteken voor de Joden, die er onder opgenomen waren heel Israël, hoezeer ook uiteengeslagen, moest één gesloten geheel uitmaken, één grote gemeenschap van verlosten!
Dit is een ernstige les voor onze tijd. De gemeenschapsgedachte, die bij Israël in ere gehouden werd, is in later tijd verzwakt. In menig gezin is de eenheid sinds lang zoek geraakt: elk kind gaat zijn eigen weg, leeft voor zijn eigen belangen, en kiest zijn eigen vermaken. De band der saamhorigheid wordt al losser. Zelfs op godsdienstig en kerkelijk terrein is deze gedachte thanS helaas toonaangevend, vooral in de grotere steden. Waar vindt men nog een gezin, waarvan de leden, groten en kleinen, gezamenlijk opgaan naar het huis des gebeds om zich te scharen onder de banier der Waarheid? ledere zoon en dochter heeft menigmaal een eigen herder en leraar, die ouders weten dikwijls niet eens wie: de verbrokkeling is tot schade van allen schier algemeen, om nog maar niet te spreken van de kerkelijke scheur, die er vaak loopt zelfs door de gezinnen heen, waardoor men van elkander vervreemd wordt. Maar in de Kerstmaand klinkt in het bijzonder de Adventsroep van het verzamelen op, rondom de banier des Kruises en der zuivere Waarheid als het Centrale middelpunt.
Concentratie van Gods volk, ook thans nog! Vele gekenden Gods zijn over tal van plaatsen en volken verspreid. Christus wil, dat de ware gelovigen één zullen zijn, opdat de wereld gelove, dat Hij. van God ter verlossing gezonden is. Van het naderend Kerstfeest gaat een roep uit tot allen, die leven uit één waarachtig levensbeginsel tot vereniging als leden van één groot gezin, opdat het Woord vervuld worde: „Eén lichaam is het, en één Geest, één Heere, één geloof, éên doop, êen God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen en in u allen!"
Dan zal er ook kracht van ons uitgaan.
Daarom: geen opgerolde banier; zij moet uitwapperen over de gehele wereld. Hoog moet zij opgeheven worden tot alle volken, opdat zij allen bekend worden met het heil, dat in Christus voor hen is weggelegd, dank zij Zijn heerlijke verlossingswerk, dat alleen begrensd wordt door de einden der aarde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's