EEN DOMINE VERTELT
XIV. OP HUISBEZOEK
De kerk zorge dus eerst voor haar eigen grote huisgezin. Niet uit egoïstisch oogpunt, maar omdat dit toch eigenlijk het gezonde standpunt is.
Evenals een ambtsdrager zijn eigen huisgezin toch wèl moet weten te regeren, zal hij een rechte ambtsdrager wezen kunnen.
Iemand kan geen ouderling zijn, wanneer het met zijn eigen gezin niet in orde is. Ook Wel, omdat hij bij andere gemeenteleden geen respect zou hebben, maar vooral omdat hij aan anderen nog niet toe is.
Christus heeft aan Zijne dienaren het strenge toezicht op en de ernstige verzorging van jonge en oude leden der kerk opgedragen. De kerk moet in gezonde geestelijke toestand verkeren, vóórdat zij zich met vrucht kan werpen op wat buiten haar ligt. Want anders zou de wereld en de andersdenkenden, die bewerkt zullen worden, wel eens kunnen zeggen : „Medicijnmeester, genees, u zelven!"
Het bovengenoemde mag nooit uit 't oog worden verloren. De kerk heeft in de eerste plaats het opzicht over de gezinnen, die tot haar behoren. Al wil dit nu weer niet zeggen, dat men domine alles opdragen kan.
Heeft de huisvader niet eerst zelf een roeping aangaande ieder lid van zijn gezin ? Hoe dikwijls hebben wij al moeten horen : „Och domine wilt u het mijn zoon of dochter toch nog eens goed zeggen ? Misschien zal dat helpen."
Er lag zelfs wel een bedekt verwijt in hun woorden, want men had zo gehoopt, dat gij ze eens flink zoudt aanpakken.
Hoe dikwijls heb ik hier dan een leemte gevoeld, waarvan men nog hoopte, dat domine ze aanvullen kon. Dan heb ik er telkens weer voor gewaarschuwd, dat men van mijn vermaningen niet te veel verwachten moest.
Wij zien de kinderen een enkele maal en de ouders hebben ze dagelijks rondom zich.
Bovendien wat baten onze waarschuwingen, wanneer de ouders met hun verkeerde methoden of met hun laksheid stil voortgaan ?
Ik sprak over de huisgezinnen, dat het soms als forten zijn, die veroverd moeten worden. In de dorpen staat intussen bij de meeste mensen het huis voor ons open en die gelegenheid late men dan ook niet voorbijgaan.
Het contact worde vooral aangehouden. Het geestelijk opzicht blijve gehandhaafd. Maar dat strekke zich dan ook niet uit tot andere dingen. Er is natuurlijk niets tegen, dat ook inzake aardse aangelegenheden de ambtsdrager wel eens de behulpzame hand biedt ; het moet niet worden een zich indringen in allerlei dingen, zoals in erfeniszaken en boedelscheidingen, waar hij beter buiten kan blijven. Een domine is geen executeuntestamentair.
Het huisbezoek is in de tweede plaats ook nodig met het oog op de pastor zelf. In mijn artikel over het preekwerk heb ik dat al even aangehaald.
Wat kunnen de jonge dominees in de eerste tijd toch „heerlijk" over de Gemeente heendraven op de kansel. Het contact is er nog niet.
Op huisbezoek worden wij er steeds weer aan herinnerd, dat wij met eenvoudige mensen te doen hebben en niet met studenten.
Ik hoorde eens een man vol humor zeggen van zijn predikant, die nog maar kort in de Gemeente stond : „Onze domine staat nog te ver boven het klankbord uit. Hij moet er nog onder komen ; " daarmee bedoelend, dat het voor de mensen nog te hoog ging.
Men kan het aan een predikant op de duur wel terdege horen of hij huisbezoek doet of niet. Wanneer hij dan tenminste ook nog eens rustig naar anderen luisteren kan. Daar zijn er immers, die altijd zelf maar praten en die van huisbezoek dan ook niet wijzer worden.
Voor zover er in de Gemeente misstanden zijn, moet er in verband daarmee wel eens gepreekt worden. En dat kan alleen, wanneer de predikant op de hoogte is.
De Gemeenten zelf, vooral de eerste, dragen aldus onbewust tot de vorming hunner leraren bij en drukken onwilleheui tg een stempel op hem.
Wel moet domine oppassen, dat hij niet allerlei zegswijzen, zoals vreemde terminologieën van de mensen overneemt. Die zijn immers de zijne niet en hij zou zich aldus huUen in een sfeer van onwaarachtigheid.
Zegswijzen overnemen is heel iets anders, dan van ervaren gemeenteleden wat te leren.
Wanneer een predikant trouw huisbezoek doet, zal het zijn levenservaring verrijken en hem in zijn gehele werk ten goede komen. De eerste tijd soms nog wat verlegen of onwennig, zal hij langzamerhand slagvaardig worden in zijn antwoord en leren de smader recht bescheid te geven.
Men zal ook aan koele ontvangsten en scherpe woorden gewoon worden en hoe langer hoe minder van zijn stuk worden gebracht.
Langzaam leert men zich zelf meer te beheersen en er zich voor wachten, zijn mond voorbij te praten.
„Een domine moet nog al eens wat horen, " zegt men wel. Ja, dat is zo ! Het gaat hem in zekere zin als een arts, die er vaak last van heeft, dat de patiënten meedokteren willen.
Ik zou zeggen, dat de predikanten nog meer last daarvan hebben. De „leken" houden er nog al eens hun eigen „exegese" op na en die laten zij zo maar niet los voor domine's verklaring. Want dat zeggen ze wel niet, maar zij laten het toch min of meer doorschemeren, dat zij dieper dan de ambtsdrager in de waarheid ingeleid zijn.
Somtijds kan het ook vermakelijk zijn. Wat dunkt u van die juffrouw, die vele korven met bijen bezat, en terwijl zij met mij naar de nijvere diertjes keek, haast devoot zeide : „Wat is Gods Woord toch wijs, domine ; alles staat er in. In Psalm 84 lezen wij al van het moerbeidal ; daar is toch zeker de moer (koningin) van de bijen mee bedoeld ? " Als het niet erger is dan zó, loopt het nog al los.
Het huisbezoek kan voor de predikant echter ook opwekkend werken, wanneer hij bij mensen komt, die weten, waarom zij ter kerk gaan. Die de honger en dorst naar de gerechtigheid kennen en ook 's Heeren verlossende zondaarsliefde ondervonden.
Wat kunnen Gods eenvoudigen toch somtijds treffende, kinderlijke opmerkingen maken, die ons regelrecht in het hart grijpen.
't Is voor een bestudeerd mens ook wel eens goed, aan de voeten van Gods heiligen te zitten, want hij kan er o zoveel leren, wat de wetenschap en de boeken hem niet vertellen. De beekjes der Godsrivier kunnen daar zo fris tevoorschijn springen. Het zal niemand misstaan, ook eens naar hen te luisteren. Hier valt de gedachte aan aardse studie weg.
Ik bedoel hier geen neerzitten in slaafse zin. Geen vleierij of mensenbehagen en het aannemen van een nederige schijn. Ook Gods kinderen zijn mensen met hun eigen dwalingen en somtijds ook foutieve gedachtegangen.
Wij hebben geen schepselen naar de ogen te zien. Daar vallen wij trouwens altijd mee om. Hoe hoger wij onze goden in de nissen hadden gezet, hoe dieper zij straks vallen kunnen.
De dienaar des Evangelies kome toch nooit onder de plak van „het vrome volk". Maar overal, waar hij het genadeleven bespeurt, daar mag hij zich verheugen en ook op huisbezoek er van genieten en zonder de mensen te vleien, mag hij dat wel zeggen ook.
Hij behoeft niet bang te zijn, dat hij op die manier zich zelf degraderen zal. Trouwens, als hij een christen is, dan is hij zijn epauletten voor God toch al kwijt. Wij zijn dan nergens banger voor, dan om de domine uit te hangen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's