DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
EEN VERHAAl UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW
"Kijk 's ! wat is dat ? !" roept men. "Een monnik ! zo waar, een monnik ! Bij Wijntje gevweest zeker !"
„Laat 'm liggen !" loept er een lachend. „De regen zal 'm seffens wel bijbrengen !"
„Neen, " zegt een ander meewarig, „dat gaat niet, dat mag niet. Ziet ge dan niet, hoe bleek hij is. Stellig ziek, of dood. Kóm, laten we hem naar „de blauwe Hen" brengen".
Een drietal mannen, gevolgd door een paar weeklagende vrouwen, torsen nu de druipnatte monnik naar de schaars verlichte gelagkamer der taveerne, waar de waardin — want de waard zelf is met zijn knecht naar de brand — met een ontsteld gezicht de vreemde stoet ontvangt. Hier legt men hem op twee stoelen, waarna men alle pogingen in 't werk stelt, om de bewusteloze bij te brengen.
Terwijl dit plaats grijpt en Bernardus weldra een diepe zucht loost, de ogen opent en met een matte, schuchtere blik oih zich heen ziet, treedt nóg een persoon de taveerne binnen.
Ternauwernood heeft deze Bernardus opgemerkt, of hij uit onwillekeurig een kreet var verbazing en ontsteltenis.
„Dat is mijn neef, goede lieden ! Ik wachtte hem. Maar — hoe komt hij zó hier ? "
De waardin, die hem kent als een harer tijdelijke gasten, legt hem in weinige woorden alles uit.
Bernardus heeft zich intussen met grote moeite opgericht. Ook hij schijnt de bezoeker te herkennen.
Deze laatste drukt de jonge monnik hartelijk de hand en zegt:
„Ah, beste neef, ik beidde je reeds een poos. Er is je zeker onder weg een ongeval overkomen. Kom, geef me een arm, dan zal ik je in mijn slaapkamertje brengen. Je kunt deze nacht wel van mijn bed gebruik maken, want het zal heden voor jou in het klooster stellig te onrustig zijn."
Het woord „klooster" schijnt Bernardus zijn spraak te hergeven. Met angstige stem vraagt hij :
„Is.... het verbrand ? !"
„Neen, jongen, " klinkt het geruststellend, „zó erg is het niet ; wel heeft het hemelvuur een gedeelte er van in vlam gezet, maar men zal de brand spoedig meester zijn, denk ik. Maak je daaromtrent maar niet bezorgd."
Dan neemt hij Bernardus onder de arm en verlaat de gelagzaal, terwijl hij de aanwezigen vriendelijk dank zegt voor hun liefderijke hulp en zorgen. Weldra zijn de twee het donker trapje opgesukkeld en komen op het dakkamertje.
„Hier, Siebe, — want zo zal ik je maar blijven noemen, dat is immers je doopnaam, " zegt de neef hartelijk ; „hier, doe nu dat zware habijt maar uit, je mag het voor mijn part wel op de tuin hangen, en ga dan maar op mijn bed liggen, dan zal je weer wat opknappen. Kijk, ik kan 't me best op zo'n paar van die logge stoelen makkelijk maken".
De jonge monnik laat zich door zijn oudere neef behandelen als een kind en ligt weldra te bed, terwijl de ander zich recht tegenover hem bij de tafel neerzet, waarop een tinnen blaker staat met een flakkerende vetkaars.
„En nu zal ik je eens vertellen, " vervolgt de neef, „waarom ik je hier wenste te ontmoeten. Ik dank de Heere, die ons nu beiden hier samenbrengt. Hij was het, die 't mij in het hart gaf, je nog eens op te zoeken.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's