De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE DIENST DER VROUW IN DE KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE DIENST DER VROUW IN DE KERK

7 minuten leestijd

   29 Nov. j.l. promoveerde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht ds. G. Huls, Hervormd predikant te Gouda, tot doctor in de Godgeleerdheid op een proefschrift onder bovenstaande titel.
   Hij voegt daaraan als ondertitel toe : „Een onderzoek naar de plaats der vrouw in een presbyteriale kerkorde".

Men zou onmiddellijk reeds kunnen vragen, of in deze ondertitel niet iets wringt en er is ongetwijfeld aanleiding voor die vraag, als men heeft opgemerkt, dat de zin van het ambt door de jonge doctor wordt uitgehold — om niet te zeggen weggevaagd, zodat er weinig of niets meer van overblijft.
   Indien zijn opvatting juist zou zijn — hetgeen wij intussen met beslistheid van de hand wijzen — dan zou men met recht niet meer van een kerkorde en nog minder van een presbyteriale kerkorde kunnen spreken.
   In de „Inleiding" deelt dr. H. mede, dat zijn studie een bijdrage wil zijn tot de bezinning op het vraagstuk, waartoe de Synode der Ned. Herv. Kerk heeft opgeroepen.
   Als zodanig willen wij deze studie dan ook : ontvangen en beoordelen. Wij laten niet na op ) te merken, dat zij de aandacht verdient en in i verschillend opzicht verdienstelijk mag heten 1 en getuigt van een eerbiedwaardige belezenheid, al voegen wij daar onmiddellijk aan toe, , dat de historische en exegetische uiteenzettingen, welke dr. H. ons hier aanbiedt, niet zonder bedenkingen zijn. Naar ons gevoelen ligt het zwakke punt dezer verhandeling vooral in de „principiële" behandeling, waartoe de schrijver zich, naar zijn mededeling, beperkt heeft. (Inl. blz. 2).: In het principiële en met name in het dogmatische schiet deze bijdrage te kort. Ondanks het levendig en veeltijds klaar betoog heeft deze bijdrage ons dan ook niet kunnen overtuigen van de juistheid zijner conclusies en ons geenszins tot andere gedachten kunnen brengen aangaande de plaats en de taak, welke God voor de man en welke hij voor de vrouw heeft aangewezen in de aardse samenleving, hetzij dan in de kerk of daarbuiten.
   Niemand zal verwachten, dat wij het tamelijk lijvige boekdeel, dat voor ons ligt, van bladzijde tot bla^dzijde volgen om een en ander nader toe te lichten. Wij willen ons slechts bepalen bij enkele hoofdzaken.
   Het boek is verdeeld in twee delen, waarvan het eerste deel ; Zich bezig houdt met „de positie der vrouw in de voor-Christelijke tijd",

,,De vrouw in het Nieuwe Testament", „De vrouw in de oude kerk", „De vrouw na de Reformatie", „De tegenwoordige kerkelijke positie der vrouw".
   Het tweede deel handelt over : „De diensten in 't Nieuwe Testament", „Het „„ambt"" in de reformatie", „De dienst der vrouw",
   Wij willen ons niet verliezen in beschouwingen omtrent de indeling van de hoofdstukken én de onderdelen daarvan, hoewel deze daartoe aanleiding kan geven, en bepalen ons bij de stof zelf.
   Het eerste hoofdstuk begint met „De vrouw in het Oude Testament".
   Dr. H. begint er op te wijzen, dat God volgens Gen. 1 : 26, 27 de mens schiep man en vrouw. Hij trekt daaruit de conclusie, dat van enige „discriminatie of inferioriteit" (laat mij zeggen minderwaardigheid) der vrouw geen sprake is.
   Nu kunnen wij daarop niet vragen : Wie heeff dat dan ooit beweerd ? Want inderdaad is dat wel het geval geweest, ook in de Christelijke kerk. Nochtans is dat ten onrechte, want hij heeft gelijk en dat punt is ook niet. in discussie, van minderwaardigheid der vrouw is hier geen sprake. De mens bestaat : man èn vrouw, omdat God de mens schiep man en vrouw. Toch is dat nog wat anders dan, zoals dr. H. zegt : de mens is steeds man of vrouw. Daarin ligt een gedachte, welke nu juist iets van het „man en vrouw" wegneemt. Een individuele mens is een mannelijke of een vrouwelijke mens, maar de mens, die God schiep, omvat de ganse mensheid, bestaande in man en vrouw. Het is niet zó, dat de mensheid opgaat in de man óf in de vrouw. De schepping van de mens wordt juist openbaar als de schepping van de mensheid, omdat God hem schiep man èn vrouw. Dr. H. zelf merkt op, dat geen van beiden compleet of autonoom is, maar dat de twee-eenheid wezenlijk is voor de menselijke existentie, (blz. 3). Daarom is het huwelijk in de scheppingsorde gegeven. Maar daarom ook kan het alleen maar op misverstand berusten, of als misplaatste humor worden genomen, als hij zegt, dat de mannelijke mens als „hulpbehoevend" wordt getekend. Immers wat van geen enkele man en geen enkele vrouw kan gezegd worden, n.l. dat met hem of haar de ganse mensheid gegeven is, dat kan alleen van die „hulpbehoevende" man gezegd worden.
   Het hulp-zijn is niets minderwaardigs, maar het „hulp behoeven" evenmin, juist, omdat God de mens schiep man en vrouw.
   Zelfs ook het feit, dat de vrouw uit de man genomen is, kan niet op minderwaardigheid of afhankelijkheid wijzen. Maar dit feit is wel van grote betekenis voor de verhouding van man en vrouw. Daarop had dr. H. wel wat nader mogen ingaan, omdat de Heilige Schrift daarop bijzonderlijk wijst. (1 Cor. 11 : 7, 8). In hetzelfde hoofdstuk wordt de man het hoofd der vrouw genoemd en de apostel laat niet toe, dat de vrouw lere of over de man heerse, omdat Adam eerst is gemaakt, daarna Eva. (1 Tim. 2 : 12, 13).
   Geen minderwaardigheid is daarin, dat de vrouw uit de man genomen is, maar dit feit bevestigt het hoofd-zijn van de man, zoals de Schrift leert. De verhouding man en vrouw ligt alzo in de schepping gegrond en Paulus ziet daarin duidelijk een onderschikking. De jonge doctor is dit niet ontgaan. Integendeel wijdt hij aan deze „begrenzingen", waarachter hij intussen een vraagteken zet, vrij uitvoerige beschouwingen. De veelvuldige plaatsen der Schrift, welke hier aan de orde komen, maken het de schrijver niet gemakkelijk om de plooien glad te strijken. Hij wil de gedachte verre houden aan „een gedwongen, onvrijwillige onderworpenheid", alsof het daarom ging (!), maar komt toch tot de ontdekking, dat er in de relativiteit van het aardse zijn een zekere zijns-orde blijkt te bestaan in de verhouding van man en vrouw. (blz. 35).
   Het is juist die zijns-orde, zoals hij het noemt, welke, naar onze mening, nogal van betekenis moet worden geacht en op onvermijdelijke erkenning en eerbiediging aanspraak moet maken. Voor een theoloog, die overeenkomstig de gereformeerde geloofsbelijdenis het goddelijk gezag der Heilige Schrift aanvaardt, is die zijns-orde ook niet toevallig, maar gegrond in de wil Gods.
   Het doet daarom vreemd aan, dat dr. H. aan dit belangrijke gegeven geen recht doet bij zijn verklaring van Genesis 3. Het is waar, dat Adam zegt : De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt. Het is ook waar, dat Adam zich daarmede naast de vrouw zet en niet over haar. Maar, waar blijft hij nu met de zijnsorde, met het hoofdschap van Adam, dat immers daarop wordt teruggebracht, dat hij eerst is gemaakt? Dat geldt dus in de staat der rechtheid.
   Neen, wij zien in Adams woord, waarmede hij zich verontschuldigt, juist de breuk van het huwelijk, de miskenning van zijn eigen hoofd-zijn, de afschuiving zijner verantwoordelijkheid en van de schuld, terwijl Gods Woord hem desniettemin verantwoordelijk en schuldig stelt krachtens zijn hoofd-zijn.
   Wij zijn het ook met de schrijver niet eens, dat Eva, en niet Adam, in Genesis 3 vers 15 als vertegenwoordigster van het menselijk geslacht wordt gezien en aangesproken (vgl. blz. 4) en op grond van de boven aangevoerde argum.enten, zijn wij ook van oordeel, dat dr. H. ten onrechte beweert, dat de positie van de vrouw tengevolge van de vloek van een coördinatie in een subordinatie overging.
   Deze voorstelling doet enerzijds tekort aan het hoofd-zijn van Adam krachtens het feit, dat hij het eerst werd geschapen. Dat wijst dus, zoals dr. H. zelf toegeeft, op zekere onderschikking (vgl. blz. 33). Anderzijds ziet hij voorbij, dat de door de zonde verbroken verhouding van man en vrouw, door de vloek wordt verscherpt in haar onderschikkend karakter en dat daardoor de gevolgen van de breuk worden getemperd.

(Wordt voortgezet)..

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE DIENST DER VROUW IN DE KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 december 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's