De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

6 minuten leestijd

I. OP BEGRAFENIS.

   Als er één ding is, waartegen een jonge pastor nog al eens opziet, dan is het wel : een begrafenis. In kleine dorpen heeft hij er wel niet één per week, ja dikwijls niet eens één per maand, maar dat spreekt, ook daar sterven toch de mensen. En er valt op zulk een dorp schier geen begrafenis voor, waar domine niet wordt gevraagd. Men zou het een schande vinden, als hij er niet bij was.
   Wat kan dat, vooral in het begin van ons ambtelijk leven, een sterke indruk op ons maken, wanneer een zieke, die wij geregeld bezocht hadden, overleed. Of wanneer een plotseling sterfgeval zich voordeed.
   Wij hebben immers nog zo weinig meegemaakt en dat gebeuren, neemt ons geheel in beslag. Wij bevinden ons dan nog in die mooie, onbevangen tijd, waarin wij, geheel argeloos, alles geloven, wat wij horen en zien.
Wij hebben nog zo weinig kijk op het masker- en huichelspel van het leven. Wij worden onwillekeurig ook tot tranen bewogen, wanneer er tranen worden geschreid. Zien wenen doet wenen ; vooral wanneer een dierbaar pand zo node werd gemist.
   Eerst langzamerhand krijgen wij meer en meer de onderscheidingsblik.
   Ja, hier en daar vallen ons zelfs plotseling de schellen van de ogen en worden wij meteen ontnuchterd. Dat voelen wij, wat echt maar ook wat gemaakt is en wij denken aan het woord : hoe harder gekreten, hoe eerder vergeten.
Het is eigenlijk wel ontzettend en toch is het niet anders : de mens is vaak een geboren toneelspeler. Dan denkt hij in zijn droefheidsuiting aan anderen. Zolang hij alleen is, is hij kalm. Denkt overal om en niets ontgaat hem, maar komen de mensen op bezoek, dan rollen de tranen al ; hij zou voor geen geld van de wereld willen, dat de mensen van hem zeiden:
"Die of die trekt er zich ook niet veel van aan !"
   Er zijn nu eenmaal van die wezens hier op aarde, die kunnen huilen op commando en zelfs zonder dat. Die verstand van „kermen" hebben.
   Daartegenover bemerken wij hier en daar ook een stille, ingehouden smart en tegelijk de draagkracht, om te lijden, die de Heere aan Zijn kinderen geeft.
   Het is aangrijpend, zulke mensen te ontmoeten, die doen denken aan Maria, waar zij stil in huis bleef zitten na Lazarus' dood, doch naar buiten kwam, toen de Meester haar riep.
   Er zijn Maria's en Martha's, ook in de droefheid ; Maria's, die het stille dragen, alleen met haar smart, totdat Jezus komt. En Martha's, die de Heere tegemoet rennen en hun overkropt gemoed lucht geven voor Hem.
   Bedroefd te zijn en toch vertroost in Christus, wat kan daarvan een kracht en invloed op anderen uitgaan !
   Er is wel eens een gevoel van eerbied over mij gekomen, wanneer ik op begrafenissen zulke mensen ontmoette en de hand drukte. Ik had eerst gemeend, hen dan te vertroosten met het een of ander woord Gods ; een tekst, «die ik van tevoren daartoe had uitgezocht, of die toch onwillekeurig bij mij opgekomen was.
    Maar het behoefde niet meer. Ik kon mij de woorden besparen. Daar was al troost. De Heere had al gewerkt. De bedroefden waren nochthans blijde. Sterk in hun God. Zij klaagden niet over hun leed. Zij spraken niet over het „waarom ? " Dat is al uitgestreden. Zij verstaan al iets van het „waartoe ? "
   In de droefheid naar God en in de vertroosting uit Hem is iets verhevens ; iets reins, dat recht uit de hemel daalt.
   Wat is overigens een Evangeliedienaar, wanneer hij in een sterfhuis komt, toch van vele dingen afhankelijk ; altijd gesproken naar de mens.
   Meer dan eens heb ik een koud stortbad gekregen, wanneer ik in sterfhuizen kwam, waar absoluut geen droefheid was ; wanneer daar „een blije dode" zou worden ter aarde gesteld. En als wij er dan op letten, wie die blijde dode soms was ! Dat kon dan wel eens een eigen vader of moeder wezen, die oud was en der dagen zat en de kinderen eigenlijk te veel was.
  Dan moest gij die kinderen er soms op horen stoffen, dat zij vader of moeder tot het einde verpleegd hadden en hoeveel werk zij daarmee hadden gehad !
  En daar moest dan nog een hoofdstuk uit de Bijbel bij te pas komen, want domine moest toch een kapitteltje lezen. Want als hij dat niet had gedaan, dan zou men gezegd hebben : „dat is geen domine ; die praat zo maar wat!"
   Nu, zij konden gerust zijn (of ongerust ? ) : de ambtsdrager zou het Woord Gods wel laten spreken, maar dan moest hij de dingen ook noemen bij hun naam.
   De Heere heeft in Zijn Woord voor ieder tocR wel wat en wij moeten gedurig, vragen of de Heere ons wil leren, ook de hamer van Zijn Woord door Zijn Heilige Geest dus op de rechte wijze te hanteren en niet maar zo naar ons gemoed te werk te gaan. Onze zogenaamd „rake" klappen zijn toch wel eens mis en maken de zaak eer erger dan beter.
   Vergeten wij intussen ook niet, dat wij tot oordelen lang niet altijd bevoegd zijn. Wij kunnen ons in iemands uitingen wel eens vergissen.
   Wanneer daar bloedverwanten van een gestorvene zijn, die u kalm kunnen vertellen, wat er gebeurd is en hoe alles gegaan is, dan moeten wij maar niet dadelijk denken, dat dat koude, ongevoelige mensen zijn, want dat behoeft volstrekt niet.
   Toch hangt ons spreken in een sterfhuis, menselijk beschouwd, voor een groot deel nog al eens af van de stemming, die men er aantreft.
   Wanneer gij er binnenkomt en het is er al blauw van rookdamp ; of men is bezig, de inwendige mens te versterken op een wijze, alsof men sinds een paar dagen op rantsoen stond ; wanneer een rumoer van stemmen u tegemoet komt, vermengd met het geraas van kopjes en schoteltjes, dan voelt gij wel, dat hier 't woord niet geldt: „'t Is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds ; want de maaltijden zijn er al, maar de klaagzangen moeten nog komen".
   Het is nodig, dat gij dan eerst de orde daar wat herstelt, door te vragen of men nu eens op wil houden met heen en weer lopen, of men wil gaan zitten en zwijgen.
    Het gebeurt wel eens, dat er naar een Bijbel gezocht moet worden en dat er eindelijk geen Bijbel, maar een oud kerkboekje voor de dag komt.
   Of toch een Bijbel zonder zoeken, maar die dan overgereikt wordt met de opmerking : „domine kan wel zien, dat hij veel gebruikt wordt !"
   Wanneer gij dit alles meemaakt, dan worden uwe spreekgedachten niet bepaald aangenaam afgeleid.
   Hoe zal men ook over troost spreken, wanneer er geen droefheid is ? Of ze althans niet bespeurt ? Men kan onder het leed verstomd, maar ook verstompt zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's