KERSTFEEST
En zij baarde haren eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden, geen plaats was in de herberg. Lukas 2 : 7.
De Heere is gedachtig geweest Zijner goedertierenheid en Zijner waarheid aan het huis Israels ; en alle einden der aarde hebben gezien het heil onzes Gods. Zo roemen ook wij in de openbaring van Gods eeuwige genade op de dag der geboorte van Jezus Christus. Ja, de Heere is Zijner goedertierenheid en waarheid gedachtig geweest, Hij heeft al Zijn beloften vervuld. Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven en de heerschappij is op Zijn schouder ; en men noemt Zijn naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst.
Het is met de grootste eenvoudigheid, zonder de minste opsiering dat Lukas ons die gebeurtenis verhaalt. Naar het nedederige Bethlehem voert hij ons. Daar is dat kleine stadje, het kleinste onder de duizenden van Juda, heeft de maagd, de gezegende onder de vrouwen, de dochter uit Davids koninklijk geslacht, waarvan de vorstelijke luister reeds lang was voorbijgegaan, Maria, de ondertrouwde van Jozef uit Nazareth, haar eerstgeborene ter wereld gebracht. Daar in Bthlehem werd Hij, van Wien de profeet Jesaja sprak : Ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam Immanuël heten, in armoede en nederigheid geboren. Voor Davids Zoon en Davids Heere was er geen plaats onder enig gastvrij dak binnen de stad van David.
Dat zwakke kindeke, daar geboren als wij, is het van Wien de Schrift in de meest verheven woorden spreekt. Hij, Die in de gestaltenis Gods zijnde, het geen roof heeft geacht Gode even gelijk te zijn, is de mensen gelijk geworden. Hij, Die was, eer er iets werd tot aanzijn geroepen, het vleesgeworden Woord, waarin al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Hij van eeuwigheid zelf God, werd mens.
En als Hij geboren wordt, zien wij geen stoet van dienaren, die Hem eerbiedig komen huldigen. Geen herauten trekken uit om Zijn geboorte aan het volk te verkondigen. Geen purper of satijn wacht Hem. Zij wond het Kindeke in doeken en legde het in de kribbe. Een Messias in armoede geboren, arm wordende daar Hij rijk was, opdat Hij arme zondaren rijk zou maken in God. Reeds horen wij hier als het ware de voorklanken van het woord : De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten ; maar de Zoon des mensen heeft niet, waar Hij het hoofd nederlegge. Zijn geboren worden in armoede en geringheid is een voorspel van heel Zijn leven. En hoe hard Zijn bakermat ook mocht wezen, nog was die zacht en weelderig te noemen bij de stervenssponde, die Hem eenmaal zou worden bereid, een verachtelijk kruis.
En toch zal datzelfde kruis ons een eeuwig teken zijn van Zijn grenzeloze liefde. Niemand had immers meer liefde dan Deze, dat Hij Zijn leven stelde voor Zijn vrienden, ja, dat Hij stierf voor onrechtvaardigen, voor zondaren.
Te Zijner tijd is Hij voor de goddelozen gestorven, na verworpen, uitgestoten, verloochend te zijn door Zijn volk, tot hetwelk Hij kwam om het vrij te maken, vrij van zonde en dood.
Voor Hem geen plaats in de herberg. Geen plaats voor Hem, Die uit liefde tot zondaren gehoorzaam werd tot de smadelijkste dood. Treurige profetie, reeds bij Zijn geboorte van hetgeen daarna geschieden zou. Al de liefde des Vaders is in Hem verborgen, geheel de barmhartigheid en goedertierenheid Gods openbaart Hij in Zijn helpen, opbeuren en genezen van armen, van kranken, van verslagenen, en hoe wordt Hij veracht. Voor alles en allen is plaats. Alleen voor Jezus niet. En dat is nog zo. En waardoor ? Alleen daardoor, dat er zovele harten zijn, onbekeerde harten, waar nog geen plaats voor Jezus is. Zijn verblijf behoeft niet prachtig ingericht te zijn. Het hart van een arm zondaar, die zich ootmoedig neerbuigt voor Gods troon en aan Zijn genade zich overgeeft, is nog de plaats waar Hij wil geboren worden. Ja, lezers. Hij wil ook woning maken in onze harten. Is dat niet genoeg om ons in aanbidding te doen nedervallen voor het beeld des onzienlijken Gods ? Het vlees geworden Woord, Die in knechtsgestalte en in vernedering aanschouwd werd, hoewel Hij God was, in eeuwigheid te prijzen ? Is dat niet genoeg om ons te doen roemen in de liefde des Vaders, Die ons Zijn Zoon gegeven heeft ? Is dat niet genoeg om ons tot blijdschap en vreugde te stemmen op de feestdag, die ons herinnert dat ons geboren is Christus de Heere in de stad Davids, geboren uit een vrouw, in armoede en geringheid, zonder aanzien en heerlijkheid, opdat Hij degenen, die Hem aangenomen hebben, tot een bron van eeuwige zaligheid zou wezen ?
Maar dit wonder der verlossing, dat in staat is om tot vreugde te stemmen, vervult niet minder met ootmoed. Immers het is niet alleen de herinnering aan de wonderbare liefde van de Zoon Gods, die het kerstfeest ons oproept te loven en te prijzen, maar het brengt ons ook de herinnering aan onze diepe zondeval, die dit wonder van Gods liefde nodig maakte. Dit staat vast, dat God de zonde niet kon vergeven, tenzij aan Zijn gerechtigheid genoeg gedaan werd. Daarom werd naar Zijn eeuwig raadsbesluit in Christus Jezus geopenbaard, hetgeen in eens mensen hart niet was opgekomen. De komst van de Eeniggeborene Gods om te lijden en te sterven getuigt ons welke vreselijke macht de zonde in de wereld was geworden en hoe diep de wereld onder haar heerschappij in ellende was weggezonken. Ja, al het schepsel zuchtte tezamen als in barensnood, verwachtende de verlossing der kinderen Gods.
Verplaatsen wij ons met onze gedachten in de tijd, aan de vervulling van Gods beloften voorafgaande. Niets dan nameloze ellende en angstig rondtasten in het duister wordt er gekend, en heel wat zielen waren er, die naar vrede zochten, harten, die naar rust verlangden, gewetens, die naar vergeving smachtten.
Het was een zoeken zonder vinden, een kennelijk onvoldaan zijn met eredienst en ceremoniën, wat diegenen vervulde die in de zinnelijke wereld hun levensdoel niet vonden. De ware zoon van Abraham kan geen troost meer vinden in een wetsvervuUing, overladen met spitvondige verklaringen. Hij wordt vermoeid en belast met ellenlange gebeden. Hij gaat gebukt onder een ondraaglijk juk van inzettingen. Maar zijn hart vergaat van kille huivering, die het gewoontewerk doet ontstaan.
De heiden begint de troosteloze leegheid van zijn tempels drukkend te gevoelen en afgeschrikt door de bedriegerijen der wichelaars en de gedurig meer openbaar wordende zelfzucht der wereldse priesterschare, spreekt hij zijn zielsbehoefte uit door de onbekende God te huldigen.
Denkt uzelf als zondaren, levende in de tijd, onder die omstandigheden. Vergeet een ogenblik alles, wat u nu door gewoonte niet altijd even dierbaar is. Geen kerstpsalm wordt nog aangeheven, geen triumflied daalt nog neer uit de geopende hemel. De vloek der wet is nog niet weggenomen. De zonde nog niet verzoend. De duivel nog niet overwonnen. Loodzwaar drukt nog de heerschappij van de boze en de zonde voert d.e dood als een verdervende engel in haar gevolg. Gij gevoelt u schuldig voor God. Het geweten beschuldigt en de wet verdoemt. En als gij in uw benauwdheid vluchten wilt, tot wie dan ? Tot een God, die met vlammend vuur wrake doet over de ongerechtigheid der ongehoorzame kinderen ?
Gij blijft in uw ellende, in uw angst, want terwijl gij uw zonden ziet als vijandschap tegen God, als opstand tegen de allerhoogste Koning, gevoelt gij hoe loodzwaar drukkend uw schuld is eii gij kunt geen vrede vinden.
Maar hoe geheel anders wordt dat, als wij de blijmare vernomen hebben en door Gods genade mochten verstaan : U is uw Heiland geboren ; als het ons wordt toegeroepen : In Bethlehem Efrata, de kleinste onder de duizenden van Juda is u de Christus geboren.
Nu staan wij niet meer verre en vervreemd van God, maar hebben een Middelaar, Die de kloof heeft gedempt en weggenomen. Nu ontvlieden wij niet meer schuw met onze schulden het aangezicht van de Heilige Jakobs, maar hebben wij een Borg, Die volkomen voldeed. Nu vindt het moegejaagde hart verkwikking aan de waterstromen des heils, die als een eeuwig levende fontein , aan de voet van het verachte kruis ontspringen. Nu roepen wij niet meer tevergeefs in de angst onzer zielen : wie redt, wie behoudt, wie verlost ons uit zo grote nood en dood. Maar roemen vol vreugde en blijdschap des harten : Ik weet, mijn Verlosser leeft. Nu deinzen wij niet terug voor de strijd der zonde en aarzelen niet meer om het strijdperk in te treden. Nu kunnen wij strijden vol hoop, nu kampen om de verzekerde overwinning. Nu roepen wij de wachter aan en zijn antwoord geeft ons troost. De morgenstond van een nieuwe dag is ter kimme gerezen. Nu vragen wij de wachter en van verre klinkt zijn begroeting ons tegen : Vrede, vrede, door het bloed des kruises. God gaf Zijn eniggeboren Zoon aan de aarde, zo lief had Hij de mens, die onder de toorn gebukt ging. Dat is de grote waarde van het Evangelie Gods, van de blijde boodschap der verlossing, waarvan het Kerstfeest ons getuigt, dat gij hopen moogt op eeuwige heerlijkheid, op eindeloze zaligheid, omdat er geen verdoemenis meer is voor degenen, die in Jezus Christus zijn.
Dat getuigt ons het Kerstfeest, dat de zondaar niet verloren gaat omdat hij zondaar is, terwijl zijn verderf zeker is, wanneer hij zondaar blijft en in zijn zonden sterft.
Lezer, laat er dan ernstig zelfonderzoek bij u zijn, of er bij u reeds plaats is voor de geboren Koning of dat gij nog altijd Hem afwijst. Hoe vreselijk zal het voor u zijn, als gij in uw onbekeerlijkheid blijft volharden, als gij straks in Zijn handen valt. Want eenmaal zult gij Zijn majesteit moeten erkennen, maar dan om door Hem te worden uitgeworpen als een die niet gewild heeft, dat Hij over u Koning zou zijn. Mocht gij dus nu voor Hem leren tuigen eer gij voor eeuwig door Hem verworpen wordt. Maar werd het uw zielsbegeerte om aan die Koning u te onderwerpen en voor Hem te buigen, doch bevindt gij tot uw zielesmart dat daartegen alles in u in verzet komt, laat dat geen beletsel zijn voor uw vrijmoedigheid tot Hem. Want Hij wacht om genadig te zijn en heeft daartoe zo diep Zichzelf willen vernederen, opdat de diepst gezonkene door Hem zou mogen behouden worden. Hij kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. Zijt gij verloren, dan kwam Hij ook voor u. Vlucht dan naar Bethlehem, waar uw Zaligmaker leeft, waar gij in de schamele kribbe uw Redder aanschouwt. Aan Hem uw noden geklaagd, uw leed toevertrouwd, uw hart overgegeven.
Hij kwam niet om in heerlijkheid te leven, niet om te verderven, maar om in armoede en smaad Zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen. Laat dan de Kerstboodschap voor u een aansporing zijn om uw vrijmoedigheid niet weg te werpen, maar volkomenlijk te hopen op de genade, die ons in de Heere Jezus Christus is toegebracht, want gij kunt voor Zijn nederbuigende ontferming nooit te slecht zijn, nooit te diep gezonken zijn.
Kinderen des Heeren, Christus is arm geworden om u rijk te maken. Dat dan geen ander en niets anders ooit Zijn plaats bij u inneme, want daarmede werpt gij smaad op Zijn naam en dat kan niets anders brengen dan duisternis over uw ziel. Maar dat Hij steeds de eerste en de ereplaats hebbe in uw hart, dan zal Hij u steeds dierbaarder en onmisbaarder worden.
Zetten
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's