DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW
Ik weet nog wel, dat ik je twee jaar geleden in Harderwijk bij je ouders ontmoet heb. 't Was toen onder geheel andere omstandigheden. Ik was in die dagen, net als jij nu nog, een monnik, die wel veel fouten en gebreken in de Kerk wist op te noemen, doch met die Kerk niet wilde breken en ook niet kon.
Je ziet evenwel : nu is het anders, ik heb inderdaad mijn habijt op de tuin gehangen en met de Kerk gebroken, ja, zelfs ben ik een leraar geworden van hen, die ik vroeger ketters noemde."
Zo spreekt de man voort, roemend en prijzend de Naam des Heeren, die hem, zondaar, wou uitleiden uit de valse kerk, ja, nog meer ; hem uit het modderig slijk van werkheiligheid als een boeteling door Zijn Geest wou voeren aan de voet van het Kruis, om hem dan te zetten op de rotssteen der genade.
Siebe, door de hartelijke rondborstigheid en de drang der liefde, die uit de woorden van zijn gastheer spreken tot vertrouwen uitgelokt, verhaalt nu ook, wat zijn hart reeds maanden lang heeft bestookt en met welk besluit hij deze avond het klooster is ontvlucht.
„Dan kom ik thans als geroepen, ja, door God Zelf gezonden, mijn beste Siebe. Ik, die self eenmaal monnik was, weet wat het zegt en wat een strijd het kost, om zo met alles te breken. Nu je eenmaal zover bent, moet je 't er ook niet bij laten. Kijk eens : de Heere heeft mij doen inzien, dat geen Heiligen invloed op ons leven kunnen uitoefenen, tenzij door het geschreven woord, dat zij hebben nagelaten, of door de geloofsdaden, waarvan hun levensgeschiedenis spreekt ; want de Heiligen zijn in de Hemel zalig, omdat zij God zien en daar Hem en het Lam mogen verheerlijken : met de zondige aarde hebben zij voorgoed in deze bedeling afgedaan. Voorts : geen kloosterleven, noch kastijdingen van het lichaam kunnen den Heere aangenaam zijn : wij hebben genoeg aan de kruisverdienste van Zijn lieve Zoon. Daarom wordt ook de hemelse zaligheid niet verworven door iets uit ons, want wij kunnen uit onszelven — en jij hebt dit immers ook al bij ondervinding —: geen gofcde werken verrichten. Dus geen gebeden tot de Heiligen, geen doen van bedevaarten, geen bidden van de rozekrans, geen afschuwelijk kopen van aflaten, neen, neen, dat alles beledigt de hoogste Liefde en de hoogste Rechtvaardigheid, beledigt haar, hoort ge, — maar volle vrede en rust in de benauwde ziel ontvangen we alleen door als een boeteling, die jammert over zijn zonden en schuld, zich tot de Middelaar te wenden, om alleen door Zijn bloed gereinigd en daardoor een kind des Hemelsen Vaders te worden."
Dat is de taal naar Siebes hart. Ja, aan zó iets, dat voelt hij, aan zó iets heeft zijn onrustige ziel behoefte.
Zo verstrijkt voor beiden, als waren de uren minuten geworden, de eerste wake van de de nacht. En als eindelijk Resius — want dal is de naam van Siebes neef — een vurig gebed tot de Heere opzendt, schijnt er als opeens een enkele hemelse lichtstraal in Siebes hevig geschokt en gefolterd gemoed neer te schieten, die de voorbode is van een nieuwe, zonnige lentedag.
No. 20
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 1951
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's