De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE HOFNAR VAN GELRE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HOFNAR VAN GELRE

FEUILLETON

4 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET BEGIN DER ZESTIENDE EEUW

   Maar — die zonnige lentedag zal voor de jonge man niet aanbreken dan onder hevige Maartse stormen.
   Toen de brand in het klooster na een uur van, bovenmatige inspanning van vele rappe handen geheel was geblust, is ook de waard uit „de blauwe Hen", die dapper bij 't blussen heeft meegeholpen, vergezeld van zijn knecht in de taveerne teruggekeerd. Al spoedig is hij door zijn vrouw onthaald op een omslachtig verhaal van de vreemde ontmoeting met de jonge kloosterbroeder. Meteen heeft de waardin hem een perkament overhandigd, dat, naar zij meent, uit de pij van de monnik is gevallen, toen deze in de gelagzaal werd bijgebracht.
   Met een houding van gewicht heeft de waard de rol ingezien, want hij toont er zich ten alle tijde prat op, het onduidelijkste handschrift te kunnen ontcijferen. In eigen schatting stelt hij zich half en half gelijk met de klerken en waant zich daarom verre verheven boven de gemene man zijner Gelderse tijdgenoten, die lezen en schrijven aan monniken en geleerden overlaten.
   Toen hij evenwel enkele regels fluisterend met zijn dikke lippen woord voor woord heeft gespeld, neemt de inhoud van het geschriftje al meer en meer zijn gehele aandacht in beslag. Hoe verder hij leest, hoe diepzinniger en ernstiger zijn grove gezicht wordt.
   Eindelijk springt hij op. Zijn gelaat tekent het hoogste afgrijzen.
   „Wijf", roept hij ; „weet je zeker, dat dit van die monnik afkomstig is ? "
   „Zeker ? " antwoordt zij, een weinig onthutst over zijn zonderlinge gedrag. „Neen, dat is een weinig te veel gezegd, man. Maar toch — 'k zou zeggen : 't kan niet anders. Ik begrijp niet "
   „Zo, maar ik wel !" roept de waard met een bedenkelijk gezicht. „Bijlo ! dit is een ketters vers, zeg ik je, een vermaledijd ketters vers, hoor je !"
   „Maar als 't van een monnik is, man ! Hoe zou een monnik uit onze stad "
   „Ja, monnik of geen monnik, 't is toch vermaledijd ketters, " klinkt het op besliste toon. En dan zachter, als tegen zichzelven : „'t Zou de eerste keer niet zijn ! Die vreemde sinjeur boven met zijn Friese tongval beviel mij al dadelijk niet erg. Wacht, ik zal er wel achter komen ! 'k Zal mijn taveerne niet in kwade roep laten brengen ! Bij St.-Gregorius, die dat wil beproeven, zal met mij te doen krijgen !"
   Zonder meer te zeggen verlaat hij de gelagkamer en slipt als een dief naar boven, waar hij muisstil zijn oor tegen de dunne wand van het zolderkamertje drukt, om de gesprekken, , daarbinnen gevoerd, af te luisteren.
    Wat hij hier verneemt, geeft aan zijn vermoeden volle zekerheid.
   Neen, het er bij laten, wil hij niet : daarvoor gaat hij te gaarne voor een devoot en trouw zoon der Kerk door ; daarvoor ook staat zijn Taveerne te goed ter naam en faam bekend. Wat zou 't hem schaden, als men vernam, dat hij ook ketters herbergt !
   En reeds de volgende ochtend, bij 't krieken van de dag, bevindt hij zich bij de schout der stad. Hij verhaalt deze alles, wat hem van de ketters bekend is, en toont hem als bewijs van de gegrondheid zijner aanklacht het stuk perkament, waarop Siebes vers „Op Weyntjen Claes" te lezen staat. Bovendien geeft zijn boze hart hem in, beide neven verraders en spionnen te noemen, die in dienst staan van de vijand des hertogen. Hierdoor toch, meent hij, zal hij in de schatting van de vorst en van zijn medeburgers rijzen, en dit moet zijn taveerne zeker wel ten goede komen.
   Siebe en zijn neef worden nog dezelfde morgen, als zij op het punt staan om de taveerne te verlaten, met het besluit de weg naar Harderwijk in te slaan, gevangen genomen. —
   Thans keren we tot de gevangenen in hun schemerdonker kerkerhol terug.
   Resius heeft juist zijn verhaal van het voorgevallene in de ridderzaal geëindigd.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1951

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

DE HOFNAR VAN GELRE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1951

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's