„CRISIS DER MIDDEN-ORTHODOXIE”
Dr. B. begint met een historische oriëntering van de midden-orthodoxie, welke hij laat teruggaan op een groep, die onder invloed van Melanchton en Bullinger ontstaan, een eigen weg ging en zich kenmerkte door afwijzing van Calvijn's preedestinatieleer. (Anastasius Veluanus en Gellius Snecanus). (blz. 9).
Verder merkt hij op (blz. II) : „Was de Remonstrantse Broederschap (Arminius en de Remonstranten van de aanvangstijd) zichzelf gelijk gebleven, dan zou ze nu (midden-) orthodox zijn".
Vervolgens noemt hij Coccejus (blz. 12) als de voortzetter van de middengroep, terwijl de midden-orthodoxie in de I9e eeuw, tot bewustheid gekomen in het Reveil, haar voortzetting vond in de ethische theologie. De door Gunning gezochte synthese voltrok zich in het samengaan met de confessionelen (Hoedemaker) tot de hervormde middengroep, die geleid heeft tot het eenheidsfront. sinds 1940.
't Is alles zéér summier en generaliserend, maar het merkwaardige is, dat het inderdaad overeenkomt met het algemeen gevoelen, dat omtrent de genoemde groepen leeft bij: de gereformeerden.
Maar daarom zullen wij niet toegeven, wat dr. B. op blz. 13 beweert van de ethische theologie : n.l., dat zij zich in wezen gereformeerd wist. Het is wel waar, dat ethische theologen zich gaarne als gereformeerd aandienden, hoewel zij de gereformeerde geloofsbelijdenis op fundamentele stukken niet aanvaardden.
De Dordtse canones zouden trouwens nog altijd actueel blijken, als het ging over de controversen, die de gereformeerden en de z.g.n. midden-orthodoxie van elkander scheiden.
De grote vraag is nu: (zo dr. B. op blz. 14) zal deze midden-orthodoxie het probleem der Hervormde Kerk beter weten op te lossen dan de beide andere groeperingen hebben gedaan?
Wij laten in het midden, of de vraag wel helemaal billijk is gesteld ten aanzien van de „beide andere groeperingen", maar in ieder geval heeft de middengroep de intentie, het probleem op te lossen. En het klinkt wel somber als hij meent: „Faalt zij in het volbrengen dezer roeping, dan is naar de mens gesproken de derde en laatste kans op integratie der Hervormde Kerk verkeken, (blz. 15).
De kans, dat zij faalt, vergeef ons het ongelukkige woord „kans", wordt er niet minder op, als dr. B. — en dat terecht — aan het welslagen de voorwaarde wil verbinden van geestelijke verdieping en verwijding van het geloofstype der midden-orthodoxie. (blz. 15).
Wat moet men zich denken bij een geestelijk verwijd en verdiept geloofstype van de z.gn. „midden-orthodoxie", zodat zij dan toch nog blijft, wat zij zijn wil: „midden-orthodoxie"?
Dr. B. is verontrust over de „midden-orthodoxie" en haar geloofsleven, en hij weet, dat hij één onder velen is. (blz. 17).
Wij hebben geen reden om daaraan te twijfelen, maar dan is, het een verblijdend verschijnsel, dat hij één uit velen is.
Hij vindt, dat de „midden-orthodoxie", die zich met alles en nog wat bezighoudt, zich nu eens met zichzelf moet gaan bezighouden.
Dr. B. bedoelt klaarblijkelijk met haar geloofsleven, waarover hij, en anderen met hem, verontrust zijn.
Het is een aanklacht, welke zeer ernstig moet worden geacht, aangezien die een groep geldt, van welke naar zijn mening, menselijk gesproken, het welslagen van de oplossing van het kerkelijk probleem zou afhangen. (Vgl. blz. 15).
Dit oordeel komt uit de pen van een theoloog, die zijn liefde voor de „midden-orthodoxie" niet onder stoelen of banken steekt.
Zijn requisitoir over de prediking van deze „midden-orthodoxie" is intussen niet mild. Hij heeft een open oog voor het feit, dat de „nieuwe prediking" niet bij machte is de gemeente te vergaderen en op te bouwen. Inzonderheid het hoofdstuk over „Evangelie en Wet", geeft daarvan een klaar bewijs, (blz. 26 V.V.). „De aanklagende functie der Wet komt te kort", (blz. 29). „Wij zijn bijna voor niets zo bang, als voor „wettisch" of „moralistisch" te worden aangezien, (blz. 31). „De gezangenbundel weerspiegelt de eenzijdigheid van ons „midden-orthodoxe" geloofsleven", (blz. 31).
„Een ander symptoom van onze Wetsschuwheid is het feit, dat wij de laatste brokken christelijke levensstijl in onze gemeenten (op het gebied van de Zondagsviering, gezinsgewoonten, vermaak, enz.) als „wettisch" aan de kaak stellen, zonder in staat te zijn er nieuwe en betere levensvormen voor in de plaats te stellen. Het gevolg is, dat wij de duivel van conservatisme en farizeïsme uitdrijven door de Beëlzebul van stijlloosheid en secularisering. Ongemerkt kweken wij een geslacht op, dat van zijn eigen Christen-zijn geen last meer behoeft te hebben, omdat het ons leven nergens concreet komt storen. De genade is goedkoop geworden. Offers worden niet van ons gevraagd", (blz. 33).
Men ziet, het oordeel is vrijwel vernietigend .
Ook is dr. B. niet blind voor de gevaarvolle tendenzen van de theologie van Barth, en zéker als deze bij mindere goden „vervlakt en versimpeld worden", (blz. 37).
Het werk van de Heilige Geest komt te kort. (blz. 39).
Hoewel de geachte schrijver kennelijk niet met zulk een liefde schrijft over wat er in de kringen van de Gereformeerde Bond leeft, staat dit hem niet in de weg om er op te wijzen, dat daar de vragen, welke hij aan de Orde heeft gesteld, leven.
Hij meent, dat op de Gereformeerde Bond in de laatste jaren nauwelijks is gelet en dat deze in de allerlaatste tijd pas serieuzer in het kerkelijk gesprek is betrokken. Nochtans weet hij van de critiek, welke in deze kringen op de prediking der „midden-orthodoxie" wordt uitgeoefend, (blz. 50 en 51).
Nu is het oordeel van dr. B. over de discussie van de Gereformeerde Bond met de leidende figuren van de z.g.n. „midden-orthodoxie", met name met de leidende figuren in de Synode, niet helemaal juist. Indien hij beter op de hoogte ware, met deze dingen, zou hij niet schrijven, zoals hij schrijft, (blz. 50).
Het is volkomen juist, dat de „middenorthodoxie" op verre weg na niet zo open staat naar rechts, als naar links. Men overdrijft echter volstrekt niet, als men zegt, dat de „midden-orthodoxie" zich zelf afsluit en zelfs afkerig is van rechts. Wat uit deze hoek komt, is voor velen bij voorbaat reeds veroordeeld enkel en alleen, omdat het van rechts komt.
Dit is trouwenns niet alleen een kenmerk van de tegenwoordige „midden-orthodoxie".
Dat de Gereformeerde Bond om zulk een openheid niet heeft gevraagd, kan dan ook slechts een soort zelfbeschuldiging betekenen van de middengroep. Van meet-af hebben wij geconfereerd en een duidelijke taal gesproken overal, waar wij werden uitgenodigd. Wat al principiële vraagstukken zijn in verschillende conferenties en gesprekken aan de orde geweest, waaronder met name de Schriftbeschouwing! En wij zouden op nog veel meer kunnen wijzen, maar de „midden-orthodoxie" begeeert niet te luisteren, zoals gezegd, zij sluit zich af.
Het verwondert ons, dat dr. B. dat niet ziet, en het isolement zou willen toeschrijven aan een soort veiligheidstactiek. (Zie blz. 50/51). „Een echte verhouding tot andere groepen begeert men (d.i. de Gereformeerde Bond) niet", zo gaat dr. B. verder.
Wat kan dat bedoelen? Een echte verhouding tot andere groepen?
Is dat soms de modaliteitsverhouding? Dan staat de echte verhouding gelijk met verloochening van zijn diepste overtuiging. Immers men moet beginnen met te erkennen, dat in de grond der zaak alle modaliteiten hetzelfde Evangelie bedoelen en in beginsel deelachtig zijn, (of misschien ook niet deelachtig zijn), dat men de waarheid des Evangelies slechts kan benaderen, zodat iedere modaliteit op haar wijze de waarheid benadert en evenzeer aanspraak zou maken op kerkelijke erkenning.
Dat zou dus betekenen, dat eigenlijk niemand en geen enkele groep de ware belijdenis kan hebben, dat de kerk eigenlijk geen getuige der waarheid kan zijn, althans daarvan niet gemeenschappelijk kan belijden, en als pilaar der vastigheid moet wegzinken in het moeras der menselijke onzekerheden.
Wij zeiden, dat het ons verwondert, dat dr. B. deze dingen niet ziet, terwijl hij de noodklok luidt over een kerkelijke situatie, die uit zulk een relativisme voortkomt en de staf breekt over een prediking, die aan het leven der kerk in kortzichitgheid of onwetendheid voorbijgaat.
Is het niet merkwaardig, dat een man als dr. B. dan ook niet vraagt: Wat houdt de „midden-orthodoxie" gescheiden van de Gereformeerde Bond? Neen, hij vraagt, wat houdt deze mensen van de „midden-orthodoxie" gescheiden ? (blz. 51).
Het is reeds mis, als hij zegt: dat ligt niet in de afwijzing der gezangen, noch in de opvatting der belijdenis, noch in een bepaald kerkbegrip, want in deze genoemde dingen komt nu juist tot uiting, waarin het alleen wèl ligt : n.l. het leven des geloofs. Dat is maar niet een mentaliteit, en ook maar niet een sociale sfeer, of een religieuse sfeer. Deze laatste is althans geen oorzaak, maar vrucht van het geloofsleven.
Wij hebben daarop in een voorafgaand artikel reeds gewezen.
Dr. B. is van oordeel, dat de critiek van de Gereformeerde Bond op de prediking der „midden-orthodoxie" „met juiste intuïtie het geestelijk manco" in deze prediking aanwijst. En hij meent, dat zij de Gereformeerde Bond ook nooit zal overwinnen (cursivering van ons), wanneer zij de waarheid, waarvoor deze opkomt, niet weet te assimileren.
Het is de „midden-orthodoxie" derhalve te doen om de Gereformeerde Bond te overwinnen. (Een voorbeeld van de rechte verhouding der groepen van die kant!)
Onzerzijds zouden wij gaarne wensen, dat de middengroep de waarheid, waarvoor de Gereformeerde Bond opkomt, wist te assimileren, want dan zou zij naar de belijdenis der kerk toekomen en dan zou de kerkelijke situatie veranderen.
Dan zou zij ook weer terugkomen tot de Schriftuurlijke verhouding van Wet en Evangelie, deze niet omkeren, maar de weg volgen, welke de Heere God met Israël genomen heeft, en de regel des geloofs in ere houden.
Wat ons uit het hart is gegrepen, is dat dr. B. het ook nodig vindt, dat heel veel werk, zoals het nu gebeurt, evengoed niet gedaan kan worden, omdat het geen geestelijke zoden aan de dijk zet, maar alleen draait om te draaien. „Ja, veel werk kan beter niet gedaan worden, omdat het Vóortdraaien er van ons de kans ontneemt om tot ons zelf te komen ; het camoufleert onze geestelijke armoede en verhindert de ontdekking ervan", (blz. 59)
Het zal ons verbazen, of dr. B. dat mag zeggen en gehoor zal vinden. Wij hebben datzelfde op velerlei wijze gezegd, maar men kijkt ons boos aan, omdat wij geen vrijmoedigheid hebben zulk werk te steunen.
Overigens willen wij hopen, dat het woord van dr. B. niet zonder meer voor kennisgeving zal worden aangenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1951
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1951
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's