De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

6 minuten leestijd

   Jaren geleden werd mij ergens bericht, dat er van een arme weduwe die midden in het boerenland woonde, twee kinderen van 4 en van 5 jaar waren verdronken. Onmiddellijk ging ik er heen. Op het gelaat der vrouw was evenwel geen spoor te lezen van droefheid. Zij vertelde mij zonder horten of stoten, hoe het gebeurd was. Zij miste de kinderen nog maar even. Had hun verboden, bij het water en op de plank (het bruggetje) te komen.
Daarna was zij aan het werk gegaan. Toen zij na een poosje de kinderen niet meer hoorde en zag, werd zij ongerust en ging aan het roepen ; maar geen antwoord. Nu vreesde zij een ongeluk. Zij zocht overal ; ging ook op het bruggetje staan en zag daar een klompje op het water drijven.
   Nu keek zij in het water en.... daar lagen de beide kleinen op de bodem.
   Zij haalde zelf een vaarboom van een schuit, die aan de kant lag en een voor een haalde zij ze zelf op.
   „Wilt u ze zien ? " vroeg zij daarop. Zij opende de bedsteedeuren en ik aanschouwde daar de twee kinderlijkjes naast elkander. Ik keerde mij even om, want dat was niet om te zien : twee jonge levens plotseling afgesneden. Twee bloemknopjes, gestorven, alvorens te zijn ontloken.
   Geen spier vertrok op het gelaat der vrouw.
   Een paar dagen later was ik op de begrafenis. Ik heb nog lang gedacht, naar aanleiding van hetgeen boven verteld werd : daar zijn harde mensen en daar zijn geharde mensen. Ik kon niet uitmaken, wat het hier was.
   Wat kan dat toch een verschil maken op begrafenissen : somtijds ligt de stof er van zelf. Wanneer de gestorvenen nog tijdens hun leven getuigenis aflegden van het geloof en de hope, die in hen waren, dan is het heerlijk om te spreken. Maar zo menigmaal weet men niets. Wat zal men dan zeggen ?
   Ik doe die vraag niet omdat zij nu nog voor mij moeilijk te beantwoorden is, maar omdat men als jong pastor deze dingen doormaakt en voor deze moeilijkheden zit.
   Daar komt nog iets bij : op begrafenissen verschijnen meestal verschillende genodigden uit allerlei streken en van verscheidene geestelijke denkwereld.
   Daar zijn er wel onder, die expres gekomen zijn, om te horen, wat die domine er van maakt. Of om zelf ook eens een woordje kwijt te raken „als de Geest hen drijft".
   Zulke mensen maken de ambtelijke voorganger het werk niet gemakkelijker. Vooral dan niet, wanneer zij voelen, dat domine een beetje-confuus is. De aarzelende voorgangers heb­ ben altijd het meest te lijden van hun strikvragen.
   Ik herinner mij ene van hen nog zo goed. Het was een vrouw, van ongeveer vijftig jaar. Zij had met moeite kunnen wachten, tot ik uitgesproken was, maar nam haast direct na het gebed het woord.
Ik liet haar stil begaan. Het was gedurende de tijd, dat alles in gereedheid werd gebracht voor het vertrek van de stoet en dat nam nog wel ruim een kwartier in beslag.
   Zij zette op haar wijze de weg des Heeren uiteen ; hoe een kind Gods geleid wordt en waar het doorheen moet.
   Intussen stonden wij op, om ons naar de rijtuigen te begeven. Daar sloot zij zich bij mij aan en vroeg : „domine, hoe oud is u al ? "
   „Wou u dat zo gaarne weten ? " was mijn antwoord ; „ik ben 30 jaar !"
   „Wel, wel, " sprak zij medelijdend : „zo jong nog en dan zulk een zwaar ambt !"
   „Ja, ja, " gaf ik, eigenlijk wat ondeugend ten antwoord : „soms denk ik wel eens : wat ben je begonnen, door het op je te nemen. Ik ben namelijk niet altijd even gedwee !" Daarop zei ze niets meer, maar ze keek mij aan op een manier alsof zij nog geen hoogte van mij had.
   Van het kerkhof teruggekomen, zaten wij weer aan de lange tafel en alvorens vandaar op te staan, vroeg ik de aanwezigen (iets wat ik nu op begrafenissen niet meer doen zou en ook niet aanraad) : „Wie van u vreest de Heere of heeft lust daartoe ? Wij zingen het zo dikwijls maar nu, in deze kring vraag ik het u persoonlijk".
   Een doodse stilte volgde. Niemand antwoordde. Toen heb ik tot die vrouw gezegd :
   „Gij hebt hedenmorgen de weg des Heren daar uitgelegd en neergelegd. Gij hebt anderen gevraagd, om te vertellen, wat God aan hun ziel had gedaan ; vrouw wie zijt gij zelf ? " Er kwam geen antwoord.
    Daarop gingen wij nogmaals in het gebed en nam ik afscheid.
   Ook de vrouw stond op. Zij ging even mee naar buiten en zeide : „Ik mag u zó niet laten gaan. Ik durf niet te zeggen, een kind van God te zijn, maar de gedachte, dat ik de Heere niet zou vrezen, heeft mij bedroefd gemaakt. Ik kon niets spreken".
   Die uiting trof mij zeer en deed mij goed. Het verheugde mij, haar zo klein te zien. Wij zijn als vrienden gescheiden.
   Wat kan men anders toch door dergelijke aangelegenheden een eind afraken van het hoofddoel. Wat was dat eigenlijk ? Te wenen met de wenenden, zoals Gods Woord zegt. Dus te spreken uit het Woord Gods en naar aanleiding daarvan de bedroefde familieleden, elk in zijn omstandigheden, toe te spreken.
   Wij komen niet naar een sterfhuis, om daar te vertellen, waar, naar onze gedachten de overledene nu is. Om alles te vertellen, wat wij van hem of haar weten of denken ; maar om de overlevenden toe te spreken.
   Ik wil daarmee niet zeggen, dat er over de gestorvene in het geheel niet mag worden gesproken. Als het kan en het er bij te pas komt, zal men dat onwillekeurig toch meteen wel doen. Dan moeten wij het echter doen, voorzichtig en teer. Niet nodeloos het leed verscherpen, door er nog eens extra weer op in te gaan, alsof de getroffenen de bijzonderheden zelf niet kenden.
   Wil men over de gestorvene spreken, laat het dan zijn, als het waar mocht wezen, voornamelijk over het geloof, dat hij had ontvangen. En dan met het doel, om de overlevenden toe te spreken en daarop te wijzen.
   Dan kan het ons goed zijn in een sterfhuis, wanneer wij daar zo tezamen zitten om te gedenken, dat wel het gras verdort en de bloem afvalt, maar evenzeer dat het Woord van onze God blijft tot in eeuwigheid. Dat er banden zijn, die blijven tot over dood en graf.
   Laat een begrafenis zich nooit verliezen in lofredenen op de gestorvene. Wij kennen allen het spreekwoord: „de mortuis nil nisi bene"; van de doden niets dan goed. (Of die oude Romeinen het ook al wisten!) Wij weten wel, hoe dat onder ons gewoonlijk gaat.
   Zijn wij nu opgevoed bij het Woord Gods, dan is het ons wel ingeprent, dat een mens de eer niet toekomt, maar Gode alleen, wanneer er wat te roemen valt. Wij zijn dan wars van die menselijke loftuitingen bij een graf.
   Ik kan het mij begrijpen, wanneer zieken, vóór hun heengaan nog bestellen: „Geen bloemen en geen toespraken op en bij mijn graf !"

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1951

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 december 1951

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's