De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

8 minuten leestijd

School

   Het is met vele woorden zó gegaan, dat hun betekenis zich in de loop der eeuwen heeft gewijzigd, of, liever nog, hun grondgedachte is wel dezelfde gebleven, maar het gebruik is veranderd. Het begrip heeft zich verruimd of verengd, of wel, de letterlijke betekenis wordt niet meer gevoeld en het woord wordt alleen nog maar in overdrachtelijke zin gebruikt.
   Neem b.v. het woord psedagoog (in het Grieks Paedagogos). Het is een samenstelling van paëdos (= voor het kind) en agogos ( = leiden). Een paedagoog was dus in de Griekse tijd iemand, die een kind (of meerdere kinderen) leidde. En dat wel in de meest letterlijke zin. Het was een slaaf, die de jongens van huis naar het gymnasium (de gymnastiekzaal) moest brengen en weer terug.
   Uit deze oorspronkelijke betekenis is heel duidelijk de tegenwoordige af te lezen, maar dan toch zó, dat van de letterlijke zin van dit woord niets meer is overgebleven. Het is nog wel iemand, die kinderen leidt naar hun bestemming, maar dan niet langs straten en wegen, maar langs de weg der intellectuele, geestelijke en morele ontwikkeling.
   Misschien in nog sterkere mate treffen we dit aan bij het woord „school". Dit is eveneens van Griekse oorsprong (schole) en betekent eigenlijk „vrije, ledige tijd", en later kreeg het de betekenis van „wat men in z'n vrije tijd doet, waarmee men zich in zijn vrije tijd bezighoudt".
   Ha, die uitlegging is koren op de molen van hen, die het onderwijs nu niet zo hoog aanslaan, vooral niet op de Lagere School, en die een onderwijzer eigenlijk niet helemaal voor „vol" aanzien. „Vrije tijd", ja, ja. „Wat je in je vrije tijd doet". „Zo is 't toch maar". „Een gemakkelijk baantje". Misschien dat men de laatste jaren wel enigszins van dit gevoelen is terug gekomen, maar enkele tientallen jaren geleden was dit toch nog wel de algemeen heersende gedachte. We zullen ons niet vermoeien op 't ogenblik, om te trachten iemand, die er nog zo over denkt, met vele redenen van het tegendeel te overtuigen. Vergun me alleen een klein historisch schetsje.
   Ik heb het elementaire onderwijs ontvangen op een dorpsschool. De „Bovenmeester" was een eminente leerkracht, voor wie wij als leerlingen een diep respect hadden. Er was uitstekende orde op school en Bestuur en ouders vonden dit niets bijzonders, maar iets, dat van zelf sprak. Toen één van de twee „ondermeesters" elders benoemd werd, moest een nieuwe leerkracht aangesteld worden. Er was maar één sollicitant, iemand uit Friesland, en het beste zou zijn, dat de „Bovenmeester" hem in zijn school ging „horen". Maar dat ging erg moeilijk. Hoe moest het dan met zijn eigen klas? Lang en breed werd er op de Bestuursvergadering over gesproken, tot de secretaris van het Bestuur het verlossende woord sprak. Hij zou de klas van de meester die dag wel voor z'n rekening nemen, dat was zo'n groot bezwaar niet. Hij was rentenier van z'n ambacht, dus had hij tijd genoeg. „Vrije tijd".
   Ik had het gezicht van m'n oud-onderwijzer wel eens willen zien, toen dit voorstel ter tafel kwam. Maar het werd door de overige heren dankbaar aanvaard, de meester vertrok naar Friesland en de secretaris verscheen voor de klas. — Echter, éér er een half uur voorbij was, stond hij nat van het zweet met een rood hoofd van inspanning in de keuken van het schoolhuis. Het was hem te zwaar. Hij had een kijkje op het schoolleven gekregen, practisch en afdoende.
Maar nu ter zake.
   Hoe kon eigenlijk dat woord school identiek zijn met vrije tijd, of wat men in z'n vrije tijd doet?
   Dit moet dateren uit de tijd, toen langzamerhand niet meer de krachten van allen vereist werden, om te voorzien in de natuurlijke behoeften van het menselijk geslacht, toen sommigen door verworven bezit „vrije tijd" kregen, om na te denken over de levensproblemen, om te ordenen, wat reeds aan levenservaring was verkregen en een oplossing te zoeken voor zovele raadselen, die telkens opkwamen, in één woord, om wetenschap te beoefenen. Dat deden ze dus in hun „vrije tijd". Zij bleven niet alléén, maar overlegden samen en bespraken de dingen onderling. Zo kreeg school de betekenis van een wetenschappelijk gezelschap. Ook daarbij bleef het niet. Jongeren sloten zich bij hen aan, om uit de mond der ouderen de wijsheid dier dagen te horen. In de regel geschiedde dit steeds op dezelfde plaats, vandaar dat school de betekenis kon krijgen van de plaats, waar iemand — de leraar — aan z'n discipelen de vrucht van zijn onderzoek en zijn denken meedeelde.
   Zo werd er tenslotte mee bedoeld de plaats, het gebouw, waar onderwijs gegeven werd. Oorspronkelijk de naam van de plaats, waar wetenschap beoefend werd, ging deze naam ook over op de volksscholen in de Middeleeuwen.
   Bij Oud-Israël lezen we nog niet van scholen. Wel komt de term „profetenscholen" voor, maar dat waren wel geen scholen in de zin, 'die wij aan dit woord geven. De ouders leerden zelve aan hun kinderen, behalve één of ander handwerk, ook lezen en soms ook schrijven. Verder de kennis der Wet en de voorvaderlijke instellingen, de geschiedenis van land en volk, en ook liederen. Dit was uitdrukkelijk het voorschrift, dat de Heere aan Zijn volk gegeven had. We lezen in Deuteronomium 4 vs. 9 : Alleenlijk, wacht u en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben, dat ze niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens ; en gij zult ze aan uw kinderen en aan uw kindskinderen bekend maken. En in het 6de hoofdstuk: Hoor, Israël, de Heere onze God is een enig Heere. Zo zult gij de Heere uw God liefhebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel en met al uw vermogen. En deze woorden, die Ik u heden gebied, zullen in uw hart zijn. En gij zult ze uw kinderen inscherpen en daarvan spreken als gij in uw huis zit en als gij op de weg gaat en als gij nederligt en als gij opstaat en gij zult ze op de posten van uw huis en aan uw poorten schrijven. — Zo wordt hier aan de ouders opgedragen hun kinderen te onderwijzen.
   Wanneer de Israëlieten scholen hebben opgericht om hun kinderen te onderwijzen, is ons niet bekend. Men meent te mogen aannemen, dat ze er reeds waren ten tijde dat de Heere Jezus Christus op aarde was.
   De meerdere gecompliceerdheid der samenleving, speciaal in de steden, zal daar ongetwijfeld wel het zijne toe hebben bijgedragen.
   Bij de Grieken waren de scholen voor kinderen reeds veel vroeger bekend, maar eerst slechts voor minvermogenden. Immers bij deze volksgroep was door de huiselijke omstandigheden, door de bekrompen woning en door andere oorzaken, onderwijs in de huiselijke kring of onder rechtstreeks toezicht der ouders niet wel mogelijk. Eerst moest aan de eisen van het natuurlijke leven gedacht worden en pas daarna kon aan de ontwikkeling van de geest de nodige aandacht worden besteed. Zover kwam de on- en minvermogende echter niet en daarom werden voor hun kinderen de scholen een uitkomst.
   Kwam echter de minvermogende tot meerdere welvaart, dan werd het weer vanzelfsprekend en dus een natuurlijke eis, dat ouders zelf hun kinderen de eerste nuttige kennis bijbrachten. Niet altijd gaven zij dat onderwijs zelf. Maar toch altijd onder hun onmiddellijk toezicht. Zo geschiedde het ten dele ook bij de Romeinen, al vinden we daar, dat ook zonen der aanzienlijken de scholen bezochten.
   De Grieken echter spraken van de onderwijzers, aan wie ze noodgedrongen hun eigen kinderen toevertrouwden.
   Dit „noodgedrongen" is in de loop der tijden steeds meer klemmend geworden en eindelijk zonder het karakter van klacht te behouden, als regel aanvaard. Het steeds voortschrijdend proces der maatschappelijke ontwikkeling, de toeneming van handel, verkeer en industrie, maakten de school steeds meer onmisbaar, terwijl ook de eisen immer zwaarder werden, waaraan de werkkrachten bij alle takken van bedrijf moesten voldoen. Redelijkerwijze kon van vrijwel geen enkel gezin meer verwacht worden, hiertegen opgewassen te zijn. Dus werd de school een noodzakelijk instituut in de ontwikkelingsgang van 't volk. En de ouders moesten zo inderdaad noodgedrongen hun kinderen ter school zenden, wilden ze niet hopeloos bij anderen, ook bij andere volken, ten achter komen. Alleen maar, men mocht nooit vergeten, dat de verantwoordelijkheid tenslotte bij de ouders berustte en dat ondanks alle mogelijke omstandigheden, de eerste verplichting in deze op de vaders en moeders blijft rusten.
   Dit was misschien in de oude tijd met z'n treurig ingerichte armenscholen, in het eerste beste lokaal of onder de blote hemel met afgedankte soldaten, vrijgelaten slaven en dergelijke als onderwijzers, beter te verstaan, dan nu, met onze doelmatig ingerichte scholen en leermiddelen, waarheen ieder z'n kinderen zendt om ze door daartoe speciaal opgeleide leerkrachten te doen onderwijzen. In wezen blijft echter de verhouding dezelfde. Ouderrecht en ouderplicht mogen nooit vergeten worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's