De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERK EN WERELD TIJDENS DE LAATSTE URE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERK EN WERELD TIJDENS DE LAATSTE URE

7 minuten leestijd

   Meer dan ooit zal in die dagen de levensvoorwaarde voor allen, die de Heere vrezen, het leven bij en onder Gods Woord zijn.
   We merkten het reeds op, dat het in de geschiedenis der mensheid uiteindelijk gaat om de levende kerk des Heeren. God heeft die kerk op het oog ten goede. Hij heeft haar in beide handpalmen gegraveerd. De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde des Vaders en de troostvolle gemeenschap des Heiligen Geestes, gaan tot haar uit.
   Maar ook de vorst der duisternis heeft Gods kerk op het oog, ten kwade. Deze is hem een doorn in het oog, omdat ze een werk Gods is, omdat in en door haar, nu reeds in beginsel, straks volkornen. God weer de ere zal worden toegebracht. Daarom is het zijn bedoeling maar niet alleen die kerk te verdrukken, doch zo mogelijk geheel ten onder te brengen.
   En bij het toespitsen van deze strijd, die tot een geweldige worsteling zich zal ontplooien, gaat ook de satan trapsgewijze te werk, ook al zal dat soms met sprongen tegelijk gaan.
   Trapsgewijze, waar het betreft de mens los te rukken van de God des levens.
   Trapsgewijze, ook ten opzichte van de kerk, waarbij hij het fundament stuk voor stuk loswroet, zodat tenslotte bij gebrek aan het vastheidgevende fundament, de val niet te slui­ ten is. Een val, misschien nog gecamoufleerd door de vorm van een schijnkerk.
   Wanneer we om ons heenzien, ontwaren we hoever zijn pogingen reeds gelukt zijn ten opzichte van de ontkerstening der wereld. Europa, groot geworden door het kruis, keert het kruis de rug toe. Zelfs in ons land heeft de afval schrikbarende vormen aangenomen. Het percentage dergenen, die niet meer tot enige godsdienst wensen gerekend te worden, is onrustbarend gestegen.
   De dag des Heeren wordt ontheiligd in toenemende mate.
   Gedurende eeuwen heeft ons land bekend gestaan als christelijk Nederland. Vanaf Prins Willem van Oranje, de Vader des Vaderlands, die getuigde met de Potentaat der Potentaten een vast verbond te hebben gemaakt, heeft ons Vorstenhuis steeds erkend te regeren bij de gratie Gods.
   En ons volk, na tachtigjarige strijd, waarin het vooral ging God te dienen overeenkomstig Zijn Woord, begeerde als christelijke natie te leven.
   Een der kenmerken daarvan was, dat op de Dag des Heeren alle arbeid werd stil gelegd. De Overheid ging daarbij voor, door op die dag o.a. geen vergaderingen enz. te houden.
   Zo was het. Doch ook hier deed de dsemonische, ontkerstenende invloed haar werking. Sinds de bevrijding toch is hiermede geheel gebroken. Werden — om maar iets te noemen — in 1949 niet vaak Zondag op Zondag ministeriële of andere van de Overheid uitgaande w'erkvergaderingen gehouden in verband met de Ronde Tafel Conferentie? Geen acht werd meer geslagen op de inzettingen Gods, die niet straffeloos geschonden zullen worden. Geen rekening werd gehouden met dat deel van ons volk, dat daardoor in zijn heiligste gevoelens werd gekrenkt.
   Wat afvalt van de hoge God, moet vallen. Zien we niet reeds die val?
   Diep te betreuren is bij dit alles, dat bij deze Zondagsontheiliging de kerken hebben gezwegen. Velen in den lande, die nog wensen te leven overeenkomstig Gods Woord, hadden verwacht dat onze Synode, zo mogelijk in samenwerking met de Gereformeerde Kerken, de Christelijk Gereformeerde Kerk en andere kerken, een ernstig getuigenis tegenover deze ontheiliging van de Dag des Heeren door de Overheid, zou hebben laten horen. Onze Synode heeft zich wel over minder belangrijke aangelegenheden —• b.v. over de radio — tot de Overheid gewend.
   Helaas, de kerken zwegen. Een schuldig zwijgen. Want de Heere neemt het nauw met Zijn eer en de heiliging van Zijn Dag. Ook de kerkeraden dragen hier verantwoordelijkheid. Is het niet hoog tijd, dat de kerken gaan spreken en getuigen, wanneer de Dag des Heeren door de Overheid wordt ontheiligd?
   De anti-christelijke geest won door dit alles weer terrein.
   De toenemende ontkerstening, zelfs daar, waar het bloed der martelaren de bodem doordrenkt heeft, is een niet te miskennen teken des tijds.
   Zoals het ook voortekenen van het snelnaderend einde zijn, dat de kerken een wereldgelijkvormigheid gaan vertonen, die onze vaderen voor schier onmogelijk zouden gehouden hebben. Wat tegenwoordig in christelijke kringen er mee door kan, grenst schier aan het ongelooflijke.
   De tijd, die we beleven, is wel in het bijzonder een tijd, waarin het wachtwoord moet zijn: „Waakt! Hetgeen Ik ulieden zeg, dat zeg Ik allen: Waakt!"
   De kerk des Heeren, die thans vertoeft in een vergevorderd stadium van de laatste ure — de tekenen der tijden wijzen dit duidelijk aan — heeft te waken tegen allerlei wereldse, allerlei satanische invloeden, welke het leven der kerk bedreigen. De gevaren voor de kerk komen niet alleen van buiten, doch de vijand bevindt zich binnen haar poorten, met een religieus kleed omhangen. Allerlei vreemde leringen, vaak verborgen onder orthodoxe klanken, worden van vele kansels en katheders uitgedragen. En een grote schare gemeenteleden, niet voldoende Schriftuurlijk onderlegd, laat zich gewillig verleiden, niet onderscheidende het kostelijke van het snode.
   Waakzaam heeft de gemeente des Heeren tegenover deze insluipende gevaren te zijn en voor zover reeds binnengedrongen, zich daartegen te verzetten in de kracht des Heeren.
   Ook in dit opzicht dient ze te zijn een strijdende kerk. Zo wil de Vorst des Vredes het hebben. Op het eerste gezicht, een eigenaardige tegenstelling. De Vorst des vredes, en dan Zijn kerk een strijdende kerk. Maar het wordt ons toch direct weer duidelijk, wanneer we ons afvragen, welke vrede het hier betreft. Christus is toch die Vorst, Die de vrede Gods in de harten der Zijnen gebiedt. Maar die vrede kenmerkt zich juist daardoor, dat er geen vrede meer gevonden kan worden met alles, wat niet is naar de reinheid van Gods heiligdom. Gods kerk in haar geheel en elk levend lidmaat afzonderlijk, wordt door God zelf in het strijdperk gezet. Daar wordt gevonden de strijd om in te gaan. De worsteling des gebeds. Het aandoen van de wapenrusting des geloofs.
   Helaas is Gods kerk niet altijd een strijdende kerk in de goede zin des woords. Dat stemt tot verootmoediging. Er is vaak een alles maar goed vinden. De Heere verweet aan Eli, dat hij niet eens zijn zonen „zuur had aangezien", toen zij handelden in strijd met Gods wil. Zou een dergelijk verwijt niet ons, zowel lidmaten als ambtsdragers, eveneens gelden? Nu moet er vaak een grote lauwheid geconstateerd worden, waar het gaat om het zuiver houden der Schriftuurlijke beginselen.
   Elke kerkeraad moest als het ware een wachttoren zijn, waarop de wachters met een waakzaam oog speurden naar de gevaren, die de stad Gods, de gemeente des Heeren, bedreigen. En die gevaren zijn in onze dagen legio.
   Maar in hoe menige gemeente wordt er, inplaats van alarmstoten te doen horen die moeten waarschuwen voor de ondermijning van de fundamenten, een stilzwijgen gevonden? Stilzwijgend laat men vaak allerlei onschriftuurlijke leringen en practijken zich ontwikkelen. Men waarschuwt er niet tegen. Men ziet de verbreiders ervan niet eens „zuur" aan. Christus, die de wisselaars uit de tempel dreef, die het „wee u" deed horen tegenover zovele leidslieden die het volk verleidden, Christus de Vredevorst, vraagt Zijn kerk de goede strijd te strijden.
   Enerzijds dient er te zijn de band der onderlinge liefde tussen allen, die Christus in onverderfelijkheid liefhebben, en het pand hun toebetrouwd, wensen te bewaren.
   Anderzijds is er de roeping, de strijd aan te binden tegen allerlei dwaalleer. Zwijgen in deze is zonde en verzaking der roeping. De arbeiders in Gods koninkrijk hebben niet alleen de troffel te hanteren voor het opbouwend werk, doch tevens het zwaard tot verdediging van datgene, wat ons heilig is.
   Christus, de Vredevorst, heeft en wil hebben een strijdende kerk. Maar dan een kerk van strijders aan wie het schuldbelijdend knie­len niet vreemd is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KERK EN WERELD TIJDENS DE LAATSTE URE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's