Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven
Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven, want het is God, die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Philippenzen 2 vers 12b en 13
Welbekend is het gezegde „schijn bedriegt'. Inderdaad, zo is het. Maar wat is het vaak moeilijk de schijn van het wezen te onderscheiden. Hoe vaak gebeurt het niet, dat men bij iemand een bezoek brengt en dat men op een tafel of kast een schaal met allerlei mooie vruchten ziet staan. In wintertijd zou men beginnen te watertanden. Maar o wee.... het is maar schijn, want zo men de tanden in zulke vruchten zette dan kon het gebeuren, dat men de tanden beschadigde. De kunde onder de mensen weet het ver te brengen. Wanneer men eens in de grote plaatsen komt, dan ziet men in de etalages óók mensen staan. Geheel aangekleed. Een hoed op het hoofd ; een jas aan en schoenen aan de voeten. Maar ge begrijpt het, dat zijn geen mensen. Die etalagepoppen lijken wel op een mens, maar ze missen het wezenlijke, n.l. het leven. Stijf en roerloos staan ze op de plaats waar men ze geplaatst heeft.
Waarom wij uw aandacht hierop vestigen ? Wel, geachte lezer (es), op het terrein van het geestelijke leven is het vaak niet anders. Dan zijn er velen, die wèl de gedaante der godzaligheid hebben, terwijl men geen kennis heeft aan dat ware leven, dat God door de wederbarende werking des Heiligen Geestes wekt en werkt. De schijn staat dan schier gelijk aan het wezen, maar in werkelijkheid staan beide zover van elkaar, als de dood van "het leven. Is dat dan niet aangrijpend en ontroerend, dat men de naam heeft dat men leeft, maar dat men dood is ?
En hoe dat kan? Wel, denk dan aan hen, van wie onze vaderen plachten te zeggen : „het zit een voet te hoog". Dat men dan voorwaar houdt al wat God in Zijn Woord geopenbaard heeft. Beaamd wordt de val en overtreding van Adam in de staat der rechtheid. Diep is de mens gevallen. En nu is het slechts mogelijk uit die diepe val opgericht te worden door Christus Jezus.
Zulk een belijdenis is natuurlijk naar de Schrift, maar nu is het maar de vraag of dit al eens ooit waarheid is geworden voor eigen hart en leven.
Ik denk ook aan Simon de tovenaar, van wie aangetekend staat, dat hij geloofde en dat hij gedoopt was. Maar wat zegt de apostel Petrus van hem ? „Ik zie dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid".
Wat dan nodig is ? „Werkt uwszelfs zaligheid" !
Misschien hebt u de tegenwerping al klaar in de vraag : „ja maar, wij zijn toch niet Remonstrants" ? Geen vlees wordt toch voor God gerechtvaardigd door de werken der wet, evenmin als door een vooruitgezien geloof. Wij worden toch door God gerechtvaardigd óm niet, op grond van het verzoenend kruislijden en sterven van de opgestane Christus ? En deze vrijspraak zijn wij toch deelachtig door het geloof. En is dat geloof niet een gave van God, gewerkt door de Heilige Geest ?
En toch blijft dit woord gehandhaafd: " 't werkt uwszelfs zaligheid".
Wij moeten er terdege op letten, dat de zaligheid nimmer door de mens gewerkt kan worden. De zaligheid is verworven door Hem, „die het geen roof geacht heeft Gode evengelijk té zijn, maar die zichzelf vernietigd heeft, de gestalte eens dienstknechts aangenomen hebbende". De zaligheid is in géén ander dan alleen in Hem, Die inet Zijn dierbaar bloed het rantsoender zonde betaald heeft op Golgotha, Die de Vader gehoorzaam geweest is tot in de dood des kruises, en zo alle gerechtigheid heeft aangebracht en verworven. Dat moet dus voorop staan!
Maar dat Schriftwoord dan? „Werkt uwszelfs zaligheid."
Wel geachte lezer (es), het gaat'hier meer om de zalige vrede voor de ziel, om de troost des heils voor hart en leven. En hoe het dan precies zit met dat „werken", dat is alleen duidelijk door het volgende : „want het is God die in u werkt beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen".
En nu komt het er maar op aan of wij hier kennis aan hebben. Het is wel een gewichtvolle vraag, maar die wij toch elkander verplicht zijn te stellen, n.l. „Is God reeds een goed werk in u begonnen ? " Dit is een moeilijke vraag — omdat God een werk kan begonnen zijn in de mens, maar dat het de mens vergaat als Jacob, die zegt : „Gewisselijk de Heere was aan aan deze plaats, maar ik heb het niet geweten". Maar hoe dit ook moge zijn, het blijft toch waar „het is God die in u werkt, beide, het willen en het werken naar Zijn welbehagen". Of zouden daarvan niet veel voorbeelden te noemen zijn uit het Woord van God. Zie eens op de mens wanneer hij tegen God gezondigd heeft. Gaat dan Adam met de schande zijner naaktheid tot de Heere? Ge weet beter. Adam was niet de eerste. Maar God was de eerste. Die tot Adam zeide : „Waar zijt gij ? " Denk ook aan hem, de latere heidenapostel Paulus. Wat ijverde hij voor de Heere, en toch welk een groot vijand van Christus en allen, die van die weg waren. Maar God houdt hem krachtdadig stil. En wat zien wij dan ? Wel dan werkt God dat willen ern werken. Eigen wil wordt verzaakt en hij vraagt: „Heere wat wilt Gij dat ik doen zal".
De Heere maakt dus Zijn volk gewillig, en Hij zet ook de mens aan het werk. Hij werkt het willen en het werken naar Zijn welbehagen. En al wat de Heere nu in de mens werkt, dat wordt door de mens uitgewerkt, en dat met vreze en beven.
O, wie zou dan niet vrezen, als God doet zien in het licht van Zijn heilige wet. Wie Hij is. Lezen wij niet van de dichter, dat hij zegt: „'k Ben door Uwe Wet te schenden, krom van lenden, vol van druk, benauwd van hart". De naam van zondaar dragen is al heel wat, maar zondaar worden voor God, dat doet duchten de majesteit Gods, maar toch bovenal gevoelen, hoe de ere Gods gekrenkt is reeds door de zonde in Adam. Wij hebben tegen God op 't hoogst misdaan, dat leert de mens belijden, zo hij onder de wet gebracht is. Dat doet hem werken, om mogelijk onder die wet vandaan te komen. Maar waar dit nu niet mogelijk is, daar is het rijk te mogen horen : „Maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet, opdat Hij degenen die onder de wet zijn verlossen zoude, opdat wij verkrijgen zouden de aanneming tot kinderen".
Gelukkig de mens die kennis mag hebben aan Hem die de straf der wet en de vloek heeft willen dragen aan het kruis, want dan moge er nog genoeg reden zijn om te beven en te vrezen vanwege de aanklevende zonden en gebreken. Tegenover dit alles staat het onwankelbare welbehagen Gods des Vaders, die trouwe houdt in eeuwigheid en nooit laat varen de werken Zijner handen. Moge de Heere u hierin onderwijzen door Zijn Woord en Geest,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's