van des Heeren
van des Heeren heiligheid ons tegen. De golven van Zijn rechtvaardigheid beuken ons scheepje. Het is precies als met de discipelen op de Galilese Zee. Zij beproeven vruchteloos tegen de loeiende wind op te tornen. Al hun zeemanschap schiet tekort, nu de elementen in hun volle kracht tegen hen losgelaten worden. Zij zijn op het punt van te vergaan!
Totdat de Heere Jezus komt, de wonderdoende Redder, om volkomen stilte te gebieden. Immers wordt ons deze geschiedenis medegedeeld, opdat wij daaruit het Evangelie zouden beluisteren voor mensen, tot wie al hun doen en laten schuldig wederkeert, die geen handbreed vooruit kunnen komen om God welbehagelijk te zijn.
De Heere Jezus is alles. Hij alléén doet het. Het Evangelie der genade alleen brengt rust. Toch is het opvallend, dat de Heiland dit moeizame worstelen der discipelen zo lang heeft aangezien. Hij is niet gekomen bij de eerste stormvlaag. Hij heeft hen de ganse nacht in hun pijnigende worsteling gelaten. Waaróm Hij dit deed, is niet te zeggen. Maar dat Hij het deed, is duidelijk. Toch is het voor alle geestelijke worstelaars tot een bemoediging, als er in vers 48 staat, dat Hij zag, dat zij zich zeer pijnigden. Zo ziet Hij nog altijd uit de hoogte op Zijn strijdend volk neer en meet hun toe de maat van hun lijden. Is dit niet vertroostend? Laat dan de nood hoog stijgen, ook voor het tijdelijk leven! Er kunnen immers zo velerlei golven zijn, die ons levensscheepje beuken. Maar dan te geloven : „Hem, Die ze mij toeschikt, weet precies hoever het er mee is", doet het hoofd omhoog heffen in het midden van de grootste nood.
„En omtrent de vierde wake des nachts kwam Hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbij gaan". Zo staat er. De Heere komt altijd op een wonderlijke wijze, om te redden en te zaligen. Hij komt, wandelende op de woeste golven.
Zó is Hij de grote Verlosser, de Zaligmaker Zijner Gemeente. Zo was heel Zijn verschijning, van Zijn kribbe tot aan Zijn kruis, in Zijn dood en in Zijn opstanding. Hij heeft daardoor Zijn voet gezet op de wateren des verderfs, die het scheepje Zijner Kerk dreigden te verpletteren. Hij was geestelijk in alles, opdat Hij in onze plaats de wil des Heeren zou volbrengen en dat geestelijke, echt menselijke leven ons zou worden toegerekend. Zo komt Hij overwinnend tot ons om ons door het Evangelie bekend te maken : „Komt gij geen handbreed vooruit in uw pogen om geestelijk te zijn. Ik ben het. Ik alleen, in Wien gij gelovende het eeuwige leven hebt. Als gij •"•^If in Mij verliest, zijt gij geestelijk. Ik heb „ I - f schuld betaald, voor u, die niets anook m _ ., , ., Tl 'nt dan uw schuld vermeerderen. Ik ders k r alle wateren des verderfs de heerheb ov. .... de overwinnende macht, Ik, Die srp^i^^, '< .ben om uwe zonden en opgewekt gestorvent, , ., . „ om uwe > htvaardigmakmg . Een •w^^'^ïdoende Redder ! Zo komt Hij tot ons, d( ^ ^e zegeningen van het Verbond
^' ^'^OT de prediking ! Wandelende ^^s Wateren des verderfs.
Wateren des verderfs. ^*at dadelijk het rechte geloof 'ij zouden Hem ontvangen ^* de Heere. Daar wandelt Hij op de golven. Hij zal ons beschermen. Hij is onze Zaligmaker".
Daar ontbreekt vaak zeer veel aan, Hoe beneveld was het geloofsoog der discipelen. Als zij daar die vage gestalte zien, met een wapperend kleed, als rijdende op de vleugelen des winds, dan slaat de angst hen om het hart. Zij menen een spooksel te zien. Zij schreeuwen het uit. Luide schreeuwen zij, al die mannen, 't Klinkt boven het loeien van de storm uit. „'t Is te begrijpen", zal iemand misschien zeggen. Ik zou 't ook uitschreeuwen van angst" Toch moeten wij niet vergeten dat de discipelen de lichamelijke omwandeling des Heeren kenden. Zij wisten dat Hij niet ver van hen was. Bovendien hadden zij zo pas het wonder van de vermenigvuldiging der broden zien gebeuren. Markus schrijft dan ook : zij hadden niet gelet (niet zoals het behoorde) op het wonder der broden, want hun hart was verherd 't Kwam dus bij hen hierop neer : zij waren zó door hun nood in beslag genomen, dat zij de Heere Jezus geheel hebben vergeten, en dat zij die wondere verschijning op het water aanzagen voor een spooksel, als een satanische macht, als iets dat tegen het was. 't Was een schreeuwen vol ongeloof.
Een diep verootmoedigend bewijs hebben wij hierin te zien dat het geloof niet uit ons voorkomt. Als de Heere Zelf niet in het scheepje onzer ziel komt, wijzen wij zelfs in de grootste nood hét Evangelie van de grote Redder van ons af, alsof dat tegen ons zou zijn. Wij zouden maar altoos voortgaan in ons vruchteloos worstelen. Wij in onze armoede blijven dan arm. Wij maken onze schuld groter, terwijl zij al zo nameloos groot is. Er • is zoveel schreeuwen vol ongeloof.
' Wij moeten oyer'Óns geloof, óver" onze schuld bitterlijk leren wenen. Dat werk van de Heilige Geest moéten wij kennen. De bede vervult dan ook ons hart : „Heere, treed Zelf met Uw majesteit eA- genade binnen in het scheepje van mijn hart. Blijf niet buiten mij. Gij, die wandelt op de golven der zee. Houd U niet van mij af totdat ik geloof. Verban mijn ongeloof en overwin mijn ongelovig schreeuwen, Gij, Zions Borg en Zaligmaker, Kom in mij, ook in mij". "
De Heere gaat Zijn discipelen niet voorbij. Hij doet hen niet naar de zonde van hun ongeloof. Hij sprak terstond tot hen : „Zijt welgemoed. Ik ben het, vrees niet". Toen klomï Hij in hun schip en de wind stilde. Toen was het rustig, ook in hun hart. En zij ontzetten zich boven mate. 't Wa^ een rustige bewondering van de Redder uit de nood.
Zo is het nodig dat de Heere Zelf intreedt in onze benauwde ziel, met de spraak van heti Evangelie : „Wees welgemoed, Ik ben het, } vrees niet". Daar is een overweldigendel macht van 't Woord Gods, waardoor alle onrust ophoudt, 't Is de kracht Gods tot zalig-i heid, die zo wonderlijk werkt, dat alle rede-j nerina; te kort schiet, 't Is de zegenende liefdei Gods, die door het geloof in Christus gekendi^ wordt, zó rijk, zó milddadig, dat ik zeg : „Nul is God bij mij, en ik bij God, bij mijn Vadei in Christus. Mijn schuld is mij uitgedelgd. Iki ben gerechtvaardigd, 'k Word altijd aangezien in Hem, Die geestelijk was".
Dan is het volkomen rustig in ons. Dan behoeven wij niet meer te worstelen, te sla ven, te zwoegen, als roeiers over de riemen om met God verzoend te zijn. Dan rusten wij in Christus alleen. Die ons daardoor geestelijl maakt. Hem te dienen, te volgen, is dan de lust, de nieuwe lust des harten. j
Zo treedt Christus in het scheepje van ons hart. Dan zwijgen de stormen. Er loeien geeii orkanen meer. Dan is ons alles goed wat de Heere met ons voorheeft, omdat de Heere ir ons is met de rijkdom van Zijn Woord. En iü die onbeschrijfelijke stilte des geloofs is' he een-en-al verbazing over de grootheid vai Gods liefde in Christus voor de^diepst gezon kene. Een-en-al aanbidding en verheerlijking van de deugden des Heeren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's