DE VASTSTELLING DER TEKST VAN 1566
Het is een moeilijk historisch onderzoek geweest om op de hoogte te komen van de verschillende uitgaven der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Wie in deze zeer uitgebreide materie ingelicht wil worden, verwijs ik naar het werk van dr. F. J. Los : Tekst en Toelichting van de geloofsbelijdenis der Nederlandse Hervormde Kerk. Hier zullen we datgene er aan ontlenen, wat voor ons doel nuttig kan zijn.
De gereformeerden werden ten ontzent van velerlei kwaad beschuldigd. Hiertegen stelde Guy de Bres zijn verweerschrift op. Het werd geadresseerd aan Filips H. In de nacht van 1 op 2 November 1561 werd de geloofsbelijdenis over de buitenmuur van het kasteel te Doornik geworpen. Deze geloofsbelijdenis spreekt uit, wat men in de H. Schrift gelezen had. Maar het is ook een verweerschrift. Men wil niet op één lijn gesteld worden met de Wederdopers en hun opstandige bewegingen. Daarom wijst de geloofesbelijdenis op drie plaatsen (art. 18, 34 en 36) hun opvattingen af.
De Bres heeft deze opgesteld in het Frans en zendt deze naar de kerk van Emden. Oost- Friesland approbeert. Ook heeft overzending plaats naar verschillende Nederlandse predikanten. „Met gemeen accoord der gelovigen" publiceert de Bres dan de geloofsbelijdenis. Een Nederlandse vertaling verscheen in 1562 met herdrukken van 1563 en 1564.
Onze oudste ons bekende kerkelijke vergaderingen zijn de Waalse kruissynoden van 1563 tot 1566. De drie eersten zijn op dezelfde dag, de zeven laatste allen te Antwerpen gehouden. De synode van Armentieres bepaalde, dat in reeds gevestigde kerken de ouderlingen en diakenen zullen gekozen worden door de kerkeraad, waarna de gekozenen de geloofsbelijdenis zullen ondertekenen, onder ons vastgesteld. De Pinkstersynode van Antwerpen, 10 en 11 Juni 1565, besluit: Dat aan het begin van iedere synode de geloofsbelijdenis der kerken van dit land zal gelezen worden, zowel om onze eenheid te betuigen als om te zien of er niets te veranderen of te verbeteren is. Hieruit blijkt, dat de geloofsbelijdenis reeds fomulier van eenheid was en een officieel karakter droeg. Of de tekst van 1561 reeds officieel was vastgesteld, is een open vraag gebleven. Evenmin is bekend of de Nederlandse vertaling van 1562 een officieel karakter draagt.
In Mei 1566 werd een synode in Antwerpen gehouden. Hier heeft men de Franse uitgave der geloofsbelijdenis opnieuw ernstig bezien en herzien en nogal enige wijzigingen aangebracht. Men kan uiteraard beter in mondelinge gesprekken en debatten deze zaak tot een goed einde brengen, dan zoals in 1561 door schriftelijke adviezen. Ook een Nederlandse vertaling werd vervaardigd. Deze verscheen ook op last der nationale synode van Middelburg in 1581 in het jaar 15B3.
Uit last der provinciale synode van Veere 1610 verscheen bij Richard Schilders te Middelburg de standaard-editie van 1611, door Aegidius Bursius bezorgd. Zij plaatst tegenover elkaar de Franse en Nederlandse teksten van 1566.
Nu willen we nagaan de belangrijkste wijzigingen, die 1566 aanbracht en enige indruk geven van de kleinere verbeteringen, die werden aangebracht. Laten we met het laatste beginnen en als voorbeeld nemen artikel II. Ik geef de tekst van 1561 en tussen haakjes de wijzigingen van 1566.
Wij bekennen dat hij zulks is, ende dat door twee middelen. (Wij kennen hem door twee middelen). Het eerste, door de wereldt, die hy gheschapen heeft, onderhoudet, ende regeert : (door de scheppinghe, stieringe, ende regeringhe der wereldt) welcks wereldt is voor onsen ooghen als een schoon boek, in wekken alle Creaturen (schepselen), kleyne ende groote dienen, als letteren, (ghelijck als letteren zijn) om ons de onsienlicke dinghen Gods te doen aen mereken : (Die ons de onsienelicke dingen Godts, geven te aanschouwen), te weten, zijn eeuwighe kracht (moghentheyt), ende Godheyt, ghelijck (als) de Apostel S. Paulus (d' Apostel Paulus) seydt. Rom. I. c. (capittel. Wij zouden thans zeggen: cl) 20 (vers 20). Welcke dinghen alle ghenoechssem zijn, om de menschen te ouerwinnen (overtuygen), ende haer onschuldig te maken, (alle onschult te benemen). Ten tweedden, gheeft hij hem ons te kennen, noch openbjerlicker ende klaerlicker (hem selven ons noch claerder ende openbarlicker te kennen), door zijn Heylich ende (deze twee woorden in 1566 uitgelaten) Godlick woordt, in welck hy hem den menschen so klaerlick te kennen gheeft, alst in desen leuen ende tot hserder salicheydt van noode is (te weten, soo vele als ons van noode is in desen leven, tot sijnder eeren, ende saligheyt der sijner).
We zien uit dit voorbeeld, dat er wel vele kleine wijzigingen werden aangebracht, maar dit heeft niets te betekenen voor de inhoud. De manier van zeggen wordt verbeterd, maar de substantie verandert niet.
Er werden echter ook nog andere wijzigingen aangebracht.
In art. 7 werden weggelaten de woorden: Een iegelijk moet zich wel wachten, daar iets toe te doen {n.l. aan de Schrift) of af te doen: daarmede dat hij de menselijke wijs heid met de Goddelijke wijsheid vermengen mocht.
Van Toorenenbergen vindt dit een zeer wenselijke bekorting. Dr. Los daarentegen vindt het geen verbetering, omdat het toe- of afdoen juist de hoofdzonde der Roomse kerk was.
Aan artikel 9 werd toegevoegd, wat thans de eerste zin vormt: Dit alles weten wij, zo uit de getuigenissen der H. Schrift, alsook uit de effecten en werkingen, en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen.
Over deze aanvulling lopen de meningen uiteen. Kuyper zegt er van: Scherp moet onderscheiden worden tussen de in God inblijvende en de van God uitgaande werkingen Gods. Alleen van deze laatste is thans spraak. Ze zijn nooit daden van één der drie Personen, maar zijn altijd van de heilige Drievuldigheid uitgaande. Doch steeds bestaat in al deze werkingen een zeker onderscheid tussen hetgeen de Vader er in doet, of de Zoon, of de Heilige Geest.
De gelovige heeft dus nimmer te doen met de Vader alleen zonder de Zoon, maar steeds met de Heere Heere, het eeuwig Wezen. In de werkingen Gods, die scheppend verlossend en heiligend naar hem uitgaan, is wel degelijk een onderscheiding. In de schepping is de Vader de hoofdbewerker met Wie de Zoon en de Heilige Geest; in de verlossing is de Zoon de hoofdwerker met Wie de Vader en de Heilige Geest; in de heiliging is de Heilige Geest de hoofdwerker met Wie de Vader en de Zoon meewerken.
Voorts wordt in art. 9 na de tekst Lukas 1 : 35 weggelaten de zin: Wij zien, dat hier de Vader genoemd wordt, de Allerhoogste, daarna de Zoon Gods, die uit de maagd geboren werd, en de Heilige Geest, die de maagd overschaduwde.
Deze weglating zal wel weer een uiting zijn van het streven tot bekorting, dat de synode van 1566 kenmerkte.
Een volgend maal zullen wij voortgaan de wijzigingen van 1566 te bezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's