EEN DOMINE VERTELT
XV. BEGRAFENISSEN
Toch is er in christelijke kringen vaak nog wel iets anders, waarover men zich het hoofd breekt, namelijk de opstelling van de circulaire.
Wat kan men het er toch moeilijk over hebben of er ook nog op de een of andere tekst of een hoopvolle uitdrukking bijgevoegd kan worden, bijvoorbeeld: „in de hope des eeudigen levens". Helemaal niets er bij, dat is toch zo koud, zegt men dan.
Ook kan men u wel eens lastig vallen met vragen als: „domine, wat dunkt u er van? " Hoe dikwijls lag het dan in mijn ziel, om plots te roepen: „Mensen, is dat nu uw zaligheid? Wat zou het u baten, zo gij het al wist? "
In die zin heb ik dat ook wel eens gezegd; want wat wil men toch met dat weten? Dan wordt er geantwoord, dat het toch zeker een hele troost zou wezen, zo men wist, dat die of die in de hemel was; maar dat is mijns inziens nog zeer de vraag. Wanneer gij zelf de Heere lief hebt, ja, dan is het ongetwijfeld een troost voor u, om te mogen weten, dat uw dierbaren boven zijn. Houdt de Heere dit evenwel voor u verborgen, weet dan, dat Hij duizend andere middelen heeft om u te sterken. Dan zal Hij u weer leren, te rusten in Zijn welbehagen.
En als Hij u dan vraagt in de Zoon Zijner liefde: „Ben Ik nu niet meer dan tien zonen? ", dan maakt Hij alles verder goed.
Niet, dat het geestelijk lot onzer geliefden ons dan onverschillig laat, maar wij kunnen het getroost laten liggen in 's Heeren handen.
Doch zo gij de Heere niet lief hebt, waarom zoudt gij dan willen weten, hoe het met uw afgestorvenen is? Om er wellicht mee te kunnen pronken in uw omgeving, wanneer hij of zij in de hemel is?
Waar een mens al niet mee pronken kan! Is het niet diep ongelukkig : vreemdeling te zijn van het Verbond der belofte en er toch nog een beetje wijs mee te wezen, dat men een familielid in de hemel heeft?
Of overkomt het ons nooit op huisbezoek, dat men dergelijke verhalen kan horen? Men zegt dan, zelf onbekeerd te zijn, maar toch ouders in de hemel te hebben. O, wat men in een sterfhuis al niet denken en meemaken kan! De predikanten maken daar nog het minst mee, al is het wel eens heel wat.
Gij moet denken: de mensen zitten daar op een dorpsbegrafenis in een soort geestelijk gewaad. De Bijbel ligt klaar. Alles is gereed. De Evangeliedienaar spreekt. Straks gaat de voorganger heen, hetzij met of zonder meegaan naar het kerkhof. O, als hij wist dat het wel voorkomt: Nauwelijks heeft hij de hielen gelicht of de schade van stilzwijgen wordt wel ingehaald en erfenisquesties spreken dan weer mee. Dan komt er uit, wat er in de mens toch eigenlijk zit; ook wel in die mens, die des Zondags vooraan in de kerkbank zit, soms een kerkelijke functie heeft en op een dubbeltje dood blijft.
Maar neen ! de pastor weet dit niet. Hij heeft daar ook niet mee van node. Wel weet hij dat daar in het vertrek mensen om hem heen zitten, eeuwigheidsmensen, die in levende lijve heden onder Gods Woord worden geroepen en gewaarschuwd. Maar ook anderen, die onder de slaande hand Gods bedroefd werden ter bekering en nu ook door de Trooster onder het Woord zullen worden versterkt. Hoe meer die menselijke dienaar dan de eeuwige kracht van het Woord voelt, hoe heerlijker het is voor hem zelf en voor de hoorders beide.
Het is het enige, wat hier gelden mag en kan in dit sterfhuis.
Thans wordt hun het Woord Gods letterlijk thuis bezorgd. De Heere heeft hun de pijl als ten doel gesteld.
Mochten er aanwezigen zijn, die op broederlijke wijze, daarna nog wel eens van hart tot hart willen spreken, wat is er tegen ? Wanneer de Heere met Zijn Geest in het midden is, .zal het waarlijk verkwikkend zijn.
„MEN MOET MIJ NOODZAKELIJK SPREKEN".
Aangaande dat nieuwsgierig in willen dringen in verborgen dingen nog iets : Eens was ik ter begrafenis geweest in een gezin, waar de man en vader weggenomen was. Ik werd daar gevraagd hoewel het gezin kerkelijk weinig of in 't geheel niet meeleefde. Vermoedelijk vroeg men mij voor de vorm en voor goed fatsoen.
Een week of zes later kwam ik voorbij en de weduwe, die juist in de ingang van haar winkel stond, noodde mij naar binnen, want zij wilde mij gaarne wat. vragen „en moest mij noodzakelijk spreken".
Nauwelijks gezeten klonk het mij tegen : „domine, kunt u mij ook zeggen of ik mijn man in de hemel zal weerzien ? "
Moet gij weten, dat de vrouw, met haar Familie de Zondag na de begrafenis „de rouw in de kerk had gebracht". Dat zij daarna in Gods huis niet meer verschenen was. En nu had haar deze vraag, naar zij zeide. zo zwaar op het hart gelegen.
Eigenlijk stuitte het mij tegen de borst, er op in te gaan. Uit de vraag zelf bleek al wel, dat die vrouw eigenlijk absoluut niet voelde, waarom het ging. Dat zij afkerig stond tegenover het Evangelie. Dat zij alle bijbelkennis, maar ook alle zelfkennis miste. En nu wild& zij door mij wel gaarne dit toekomstraadseltje; opgelost zien.
Mag men zo iets dan niet vragen ? denkt: iemand. Neen, op bovengenoemde wijze zeker niet. Trouwens de vraag zelf zit al vol foutieve veronderstellingen en gedachten.
Ten eerste kan ik niet geloven aan de eerlijke bedoeling dezer vraag. Ook de vijandige, afkerige mens wil nog wel gaarne eens, een vrome schijn aannemen, alsof hij ook zeer ernstig over de eeuwigheid en over „het hiernamaals" denkt.
Hij heeft er zelf geen erg in dat hij ziel* dubbel en dwars vergist. Hij heeft het over „in de hemel" komen en meent, dat alles daarom draait. Nu, daar mag het om gaan bij de Mahomedanen (geen wonder dat er zovele Mahomedaanse „christenen" zijn) maar in het waarachtig christelijk geloof toch zeker niet, . Het gaat niet om het in de hemel komen, maar daarom, dat wij in en door Christus Gode weer leren geven, wat Gods is. Dat moet hierop aarde gekend worden en zal in de hemel volmaakt geschieden.
Verder ging vraagster zo maar van de veronderstelling uit, dat zij in de hemel komen zou. Dat zij daaraan zelfs niet twijfelde bleek duidelijk en zij verwachtte zeker, dat haar man daar ook wezen zou.
Het ging haar alleen maar om de vraag of. zij elkander daarboven terug zouden zien en dan misschien hetzelfde leven als hier op aarde eenigszins weer zouden kunnen voortzetten.
Ik zeg niet, dat die vrouw dat bewust gedacht heeft, maar wel, dat deze gedachten inhet onderbewuste aldus in het natuurlijke mensenhart liggen.
In die zin heb ik de vrouw ook geantwoord, , namelijk dat zij eerst nu eens moest leren, het ware hemelleven op aarde te leven. Dat men. in de hemel niet trouwt, noch ten huwelijk uitgegeven wordt, noch aan huwelijksverhoudingen meer denken zal, omdat de Heere daaralles in allen is.
Hoe meer wij dat kennen, destemeer zal dat vragen naar verborgen dingen ophouden. Wat. afgesneden is, blijft afgesneden. Daar zijn belangrijker zaken dan deze.
Waarvoor men u toch menigmaal nniet „noodzakelijk" spreken moet !
{Wordt vervolgd).
K, .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's