WAT IS MIDDEN-ORTHODOXIE?
Uit de aard der zaak heeft het jongste geschrift van dr. Berkhof de aandacht getrokken van de 's-Gravenhaagse Kerkbode. (Zie Uit land en wereld no. van 27 Dec. '51).
De schrijver van deze rubriek is niet geheel tevreden met de historische beschouwing van dr. B. omtrent de geestelijke stromingen hier te lande in de tijd der reformatie. Feitelijk gaat het om de waardering van de Arminianen, die door dr. B. althans van huis uit voor de vertegenwoordigers ener „midden-orthodoxie" worden gehouden. Zij zouden eerst later onder vrijzinnige invloed zijn gekomen.
In deze beschouwing gaat het allereerst om het begrip „midden-orthodoxie", dat alszodanig verre van duidelijk, wijl zeer relatief is. Men zou zo zeggen, dat het begrip orthodoxie minstens in drie nuances, of, om dat woord te gebruiken, in drie modaliteiten vervalt, en dat de z.g. midden-orthodoxie wordt geflankeerd door een linkse en een rechtse orthodoxie (om niet te zeggen aberratie). Want 't heeft er alle schijn van, dat de „middenorthodoxie" in deze beschouwing als de eigenlijke orthodoxie wil gelden.
De vraag doet zich dan voor, aan welke maatstaf die „midden-orthodoxie" gemetei moet worden en hoever men naar links en naa rechts kan afwijken om nog „orthodox" t zijn. Naar links wordt het niet zo duidelijli maar naar rechts is er wel aanwijzing, zow( bij dr. B. als bij de schrijver van de 's-Gravei haagse Kerkbode. Immers zij beiden hebbe grotelijks bezwaar tegen de praedestinatie-lee van Calvijn, die zij —althans in haar cons( quenties ! — onschriftuurlijk noemen. Hf merkwaardige is nu, dat prof. H. Ridderbo van oordeel is, dat dr. B. aan de „middel orthodoxie" te veel reformatorische adeldoi toeschrijft, terwijl de 's-Gravenhaagse Kerl bode-schrijver het tegendeel meent. Over de maatstaf, welke wordt aangeleg om van een „midden-orthodoxie" te sprekei worden wij niet nader ingelicht. De name van Veluanus en Snecanus worden genoena en voorts Melanchton en BuUinger. Men ka daaruit wel enkele voorstellingen opbouwei zonder twijfel staan deze mannen allen ondi ° invloed van de reformatorische geest, mai ^ het is een stuk van nader onderzoek, in ho verre Calvijns theologie zijn invloed op hf deed gelden. Wij göan daarop thans niet n o
der in, omdat dit een behandeling op zich zelf zou vragen.
Voorts zou het aanbeveling verdienen om nader stil te staan bij de theologische discus- !sie tijdens het Twaalfjarig Bestand en wat | daarmede saamhangt.
| Overigens kunnen de Dordtse leerregelen |tegen de Remonstranten voldoende inlichting I geven omtrent de geschilpunten tussen de l strijdende partijen om zich een duidelijk beeld l •> . * » j r» j* c j Sta vormen van wat de Uordtse bynode voor 1 i orthodox ^, , u- hield. u
l ^^^ spreekt van het „Calvinisme", dat de |leiding verkreeg. Tot op zekere hoogte kan nien dat zo stellen, doch schrijft men aan Call^ij" ^^^ ^^^^ ^^^^ '•°^' *^^" ^^j ^^^^ ^®^ ë^ed ^zou gevonden hebben? Het was toch zo, dat Calvijn het leven der kerk zo diep verstond en ftot theologische uitdrukking bracht op een if^y^^' die hier te Idnde en elders krachtige Veerklank vond in de harten. Hij had getrof- '^™' ^^* ^^ ^" ^^ harten leefde. De kerkelijke o"^^®®''^® kunnen daarvan getuigen.
' * Dat feit werpt nog een ander licht op de ^^ak. Het ligt voor de hand, dat wij niet tekort Iwillen doen aan de invloed van de Geneefse Hervormer. Dit neemt niet weg, dat zijn invloed niet zo groot zou geweest zijn, ware het niet, dat hij aan het leven van de religie der Schriften een vertolking schonk, welke de kerk ^ j _j, ° , _., ..j , li'ergaderde en aan haar belijden en leven ge- jj stalte gaf.
Nu kan men.Arminius een type van „miden-orthodoxie" noemen, maar waar is de erkelijke gemeenschap en de kerkelijke beijdenis van de „midden-orthodoxie"?
Daarvan kan men niet spreken en als men pteun wil zoeken voor zulk een orthodoxie, ï^onit dit weer neer op de gereformeerde beiifl^nis; in zoverre men die niet verwerpt,
Heel duidelijk komt dit negatieve standpunt ^i* met name in de afwijzing van de prslestinatie-leer, niet maar van Calvijn, doch ^^n de belijdenis der Drie Formulieren.
De 's Gravenhaagse Kerkbode wil de „midlen-orthodoxie" niet EJS Arminianisme beoorleeld hebben, doch wèl het Calvinisme zó ïlastisch voorstellen, dat Arminius er ook nog )innen kan vallen. Hij acht, dat de reformaorische groepen onderling niet zo veel verschillen, dat men van aparte typen kan spre- -^en. En zo kan hij ook menen, dat iemand Calvinist kan zijn zonder de leer der uitver- -iezing van Calvijn te aanvaarden.
Hier wordt niet gehandeld over de leer der -erk, maar over de theologische beschouwin- > en van theologen. Men verwerpt, wat men 'iet wenst, en neemt voor goed, wat aanne- «elijk voorkomt.
De schrijver in de 's Gravenhaagse Kerk- 'ode doet, alsof er geen kerkelijke belijdenis s- Hij negeert ten enenmale, dat de leer der litverkiezing belijdenis der kerk is en niet *aar theologie van Calvijn. In ieder geval 'eeft dr. Woeldering dat beter begrepen, want ie doet een poging om de belijdenis op dit unt aan te - vallen.
De Haagse schrijver schijnt daarmede nogal ogenomen te zijn, ondanks de aanvechtbaareid dezer poging.
De „midden-orthodoxie" zelf heeft het ech- °r tot een kerkelijke belijdenis niet gebracht, Arminius niet en de huidige middengroep ook iet. Daarom moet zij leven van de ontkening van de gereformeerde belijdenis der ker.k, o°r zover deze haar niet smaakt.
De Haagse Kerkbode'schrijver doet daaraan mede. Hij wil b.v. wel dé Catechismus, maar niet de leer- der uitverkiezing en 'moet wel zeer ernstig bezwaar hebben tegen de canones tegen de Remonstranten. Intussen kan men uit die canones leren, dat de mannen van Dordt over de Arminianen en . omtrent kerkelijke orthodoxie een andere mening hadden- dan deze woordvoerder. • ^t < '
Orthodoxie heeft OTifd betrekking op de leer. Ook in de wijsbegeerte heeft men dat begrip. Een Hegeliaan is orthodox, als hij zich houdt aan de leer van Hegel. Een kerkelijk belijder is orthodox, als hij zich houdt aan de leer der confessie.
In welk geval of in welke mate is nu een Arminiaan of aanhanger van de „middenorthodoxie" orthodox?
Het antwoord is niet eenvoudig, want de „midden-orthodoxie" heeft geen kerkelijke belijdenis en vormt geen confessionele gemeenschap. Daarom is het niet zo onbegrijpelijk, dat de schrijver in de Haagse Kerkbode wil schuilen onder het Calvinisme, zoals hij het uitdrukt. Wij zien daarin een poging om toch nog aanspraak te maken op de waardering van gereformeerd belijder, mits het begrip gereformeerd zo rekkelijk wordt genomen, als hem past.
Men kan ook begrijpen, dat hij met het standpunt van dr. B. niet zeer tevreden is. Dat zou toch tot consequenties kunnen voeren, die de kerkelijke positie van de „middenorthodoxie" öp zijn minst dubieus zouden maken.
De Arminiaanse type valt nu eenmaal buiten de gereformeerde kerkelijke confessie. Daarom vaart de 's Gravenhaagse schrijver liever onder de vlag van Calvijn.
Derhalve komt de vraag naar voren, hoever en in welke stukken men rekkelijk kan zijn in zijn belijden en toch nog kerkelijk gereformeerd wezen. Het is dus niet de vraag, hoever kan men b.v. in de praedestinatie-leer van Calvijn afwijken en toch nog Calvinist zijn (zoals de schrijver het stelt), maar, hoever kan de rekkelijkheid ten aanzien van de Drie Formulieren, zijnde de gereformeerde belijdenis, gaan, terwijl men toch nog uit het geloof der belijdenis leeft?
En dan is het weer de vraag, of men b.v. de leer der prsedestinatie van de belijdenis, inclusief de Dordtse canones, kan verwerpen, zonder ook ten aanzien van andere hoofdstukken des geloofs, b.v. de leer van de rechtvaardigmaking, een andere leer aan te hangen. Want inderdaad staan deze geloofsstukken niet los van elkander.
Of om een ander voorbeeld te geven, kan men niet instemmen met de belijdenis omtrent de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift, zoals deze wordt omschreven in de artikelen 3—7 der Ned. Geloofsbelijdenis en toch nog aanspraak maken op de naam gereformeerd?
Wij weten wel, dat de gang van ons betoog ingaat tegen wat ook van de zijde der „middenorthodoxie" wordt geleerd aangaande de z.g. dynamische opvatting van „het belijden" der kerk. Maar tegen zulk een dynamische opvatting hebben wij ook ernstig bezwaar. Haar verdedigers hebben intussen nog niet veel te voorschijn gebracht, dat aanbeveling verdient. Ook het geschrift van dr. B. is weinig troostvol voor hen.
Voor hem ligt het vraagstuk iets anders^ Hij schijnt op het standpunt te staan, dat de gereformeerde type haar kans heeft gehadj evenals het liberalisme en dat nu Arminius redivivus aan de beurt is.
Hij adviseert deze nieuwerwetse Arminius echter een en ander van de gereformeerden te assimileren. Misschien zou deze, indien hij dit deed, niet zoveel van de zeventiende-eeuwse Arminius verschillen.
De 's Gravenhaagse Kerkbode-schrijver gaat van een andere gedachte uit. Hij vindt klaarblijkelijk Arminius niet een apare type, maar wil hem als een rekkelijke Calvinist zien. Wel is hij van oordeel dat de Heidelbergse Catechismus nu niet bepaald kan worden genomen als het klassieke document der midden-orthodoxie. Hij wil dus van Arminius af en verdedigt een rekkelijk Calvinisme.
In verband daarmede stelt deze schrijver de vraag, of het juist is, de rechter zijde als de legitieme erfgenamen van Calvijn te beschouwen. Hij zou geneigd zijn de Friese confessionelen voor zodanig te houden.
Nu hebben wij geen bezwaar de confessionelen, die waarlijk confessioneel zijn, bij de erven te rekenen, maar wat reden kan deze schrijver hebben om de gereformeerden dat te ontzeggen?
Dat is niet zo erg vriendelijk, maar kerkelijk gesproken gaat het om de belijdenis, om de legitieme erfgename van de gereformeerde keirk der reformatie.
Een Puriteinse leefwijze kan dat niet illegitiem maken, want het komt er bij. Nadruk op de eis der wedergeboorte en waarachtige vroomheid, als men dat onder Piëtisme verstaat, kan dat evenmin, want zonder wedergeboorte geen leven.
Bedoelt de schrijver met Piëtisme, dat het z.g. innerlijk licht los van het Woord wordt gemaakt, en dat men zich aan de tucht des Woords onttrekt, dan tekent hij daarin een aparte type, welke naar het Doperse neigt of daar reeds is aangeland, hetwelk de gereformeerden niet mag worden opgedrukt en wat zij ook niet aanvaarden, juist vanwege die tucht des Woords.
Wij vragen tenslotte: aan de tucht van welk gezag onderwerpt zich .de „midden-orthodoxie", die, naar ons in de kerkelijke discussie telkens. weer bleek, de belijdenis der kerk omtrent het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet meent te kunnen aanvaarden?
Zo zijn wij weef bij de vraag naar de maatstaf ener z.g. midden-orthodoxie, waarover
zij het wellicht zelf niet eens is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1952
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's