DE POSITIE VAN DE GEREFORMEERDE BOND
Het orgaan van de Confessionele Vereniging, dd. 10 Januari '52, spreekt bij geschrift van ds. K. over de positie van de Gereformeerde Bond.
Wij laten in het midden, of dit onderwerp in de eerste plaats aan de Confessionele Vereniging toekomt om te beoordelen, maar wij willen het opvatten als een bewijs van belangstelling. De schrijver verdedigt zich met de opmerking, dat dit aan de orde is gesteld door het bereids befaamde boekje van dr. B.
De schrijver schijnt er voorts belang bij te hebben vast te stellen, dat de G. B. geen eenheid is, maar in drie groep/en vervalt, n.l. een linkse vleugel, beïnvloed door de nieuwe theologie en niet afwijzend. iStaande tegenover het nieuwe kerkelijke elan ? Hij voegt er aan toe, dat sommigen in de laatste jaren hebben bedankt. Het zou dus aanleiding kunnen zijn om wat voorzichtiger te zijn. Het is hem klaarblijkelijk ook niet bekend, dat er reeds weer op hun bedanken zijn terug gekomen en dat er zijn, die nooit lidrivan de G. B. zijn geweest.
De middengroep noemt hij het „Kuyperiaanse smaldeel". Dat deze groep in de politiek veelal A. R. is, is in het algemeen misschien juist, hoewel niet zonder uitzondering, maar dat zij als Kuyperiaans kan worden gebrandmerkt zoals deze schrijver meent, is een onderstelling, die ongetwijfeld wordt ingegeven door wat hij onder Kuyperiaans wil verstaan.
Daarover zou theologisch nog wel een en ander te zeggen zijn. En als het alleen daarin zou bestaan, dat de G. B. een verdediger wil zijn van de zelfstandige rechten der plaatselijke kerk, dan verwijzen wij hieromtrent naar de tijd der reformatie en het Nieuwe Testament.
De rechtergroep heet niet zonder meer Kuyperiaans. Zij vindt haar voedingsbodem eer in de „nadere reformatie", zegt de schrijver. Welnu, dat is nog niet zo kwaad uitgedrukt. Maar dan verder ! „De prediking in deze gemeenten wil niet enkel Gereformeerd, doch bevindelijk zijn".
Dit is in ieder geval een verhelderende zin, vooral aangaande de gedachten, waarvan deze schrijver uitgaat. Gereformeerd is voor hem Kuyperiaans, en dat is naar zijn inzicht niet bevindelijk Gereformeerd, want die twee worden door hem gescheiden. Het heeft er dan ook de schijn van, dat Gereformeerd en bevindelijk in de Hervormde Kerk eigenlijk niet thuis hoort.
De G. B. echter neemt als maatstaf van gereformeerd belijden de gereformeerde geloofsbelijdenis, uitgedrukt in de Drie Formulieren van Enigheid. En dat is de confessie van de Hervormde Kerk. Met welk recht men een begrip „Hervormd" wil opdringen, dat niet gereformeerd is overeenkomstig onze belijdenis, moeten zij maar uitmaken, die zulks doen, en voor hun verantwoording nemen, maar legitiem is dat niet.
En nu gereformeerd en bevindelijk !
Zou de schrijver menen, dat het gereformeerd geloof, zoals dei belijdenis der kerk daarvan gewaagt, zonder bevinding als levend geloof kan worden gekend, zodat het een geloof zonder bevinding zou zijn ?
Zouden wij iets van de rijkdom der genade in Christus als een nieuwe levenskracht kennen, als het ook niet enigermate in ons was, om in de stijl van Calvijn te spreken ?
De schrijver verwart bevinding en mysticisme dooreen en al ontkennen wij niet, dat ook in gereformeerde kringen het gevaar van mysticisme en doperse neigingen niet afwezig is, en ook niet, dat er zijn, die neigen naar de gereformeerde gemeenten, en blijk geven van verwantschap aan de S. G. P., moet toch worden opgemerkt, dat de schrijver al te gemakkelijk generaliseert.
En wat de afscheidingstendenzen aangaat, neme hij in acht, wat de Waarheidsvriend meer dan eens opmerkt, n.l. dat de kerkelijke situatie in verschillende plaatsen daaraan niet weinig bevorderlijk is, doordat er eenvoudig geen gelegenheid is, of wordt gegeven, om de mensen in staat te stellen de gereformeerde prediking te beluisteren bij voorkeur tweemaal per Zondag.
De schrijver vraagt: „Geen partij wat dan ? "
Hij antwoorde zelf : Is een groep, die wenst kerkelijk te leven naar de confessie der kerk een partij ? Of zijn veeleer diegenen partij, die dat niet verkiezen en anderen, die het. wel wensen daarin soms zelfs verhinderen ?
Voorts oordele de schrijver, of het recht is kerkelijk naar de confessie te willen leven, of niet ?
Verder vraagt de schrijver, op welke wijze wil men van G. B.-zijde herstel der oude, vaderlandse kerk ?
Dat is ons bij mijn weten nog nooit gevraagd, hoewel men het wel kan weten uit hetgeen dezerzijds daaromtrent een en andermaal werd opgemerkt.
De schrijver echter schijnt geen antwoord Ie verwachten, want hij beweert, dat wij het antwoord schuldig blijven.
En hij laat zijn geest nog verder uit, door op te merken, dat hij een voorstelling zou willen hebben van het model, dat wij ons gedacht zouden hebben of niet zouden hebben, en op welke wijze wij naar dat model een volkskerk zouden maken.
Ook haalt hij een politiek paardje van stal, als hij zegt : de kracht van de G. B. is daarin gelegen, dat zij oppositie zijn en niet behoeven te regeren.
Ten slotte is hij van oordeel, dat wij ons instinctief (!) verzetten, omdat van ons allen gevraagd wordt als Hervormden met elkander samen te werken. Tegelijkertijd haalt hij in dit stuk een en ander aan, waardoor het bijzonder duidelijk wordt, dat men samenwerking met een man van de G. B. niet begeert.
Deze vragen en beoordelingen zijn vooral op één punt duidelijk. In de geest van de schrijver kan men ons plaats geven, als wij onze gereformeerde overtuiging overeenkomstig de confessie loslaten en overstappen in zijn schuit.
De schrijver schijnt een gesprek met ons te willen, zo ongeveer op voorwaarde, dat wij eerst enige vragen beantwoorden en ons voegen naar zijn bestek.
Wij vragen ons af, op welk gezag en krachtens welke kwaliteit hij zo spreekt. Het schijnt wel nodig hem er aan te herinneren, dat de G. B. op geen enkele manier verplicht is aan de eerste de beste dominé rekenschap en verantwoording te doen, en dat hij of enige andere dominé geen enkel recht heeft om dat zo maar eens te vragen.
Derhalve zullen wij dat gebaar van ds. K. nemen als een gebaar van buitengewone belangstelling en hem van antwoord dienen.
lo. Of dr. Berkhof van mening is, dat ds. K. CS. zich door de G. B. enige vragen moeten laten stellen, is ons niet gebleken. En wij achten het een vreemdsoortige inleiding van een gesprek, als ds. K. begint met : „Wil de G. B. ons eens enige vragen stellen ?"
Het schijnt dan ook meer een, verlegenheidsvraag om zelf aan het woord te komen met zijn vragen :
a. Op welke wijze ziet men in Gereformeerde Bondskringen de kerk ? Het antwoord is nog al eenvoudig : Zoals de Ned. Geloofsbelijdenis van de kerk getuigt. (Zie b.v .Art. 27 vv.). Mij dunkt, dat behoort ds. K. als gewoon Hervormde ook te doen.
b. Is daar voor gewoon Hervormde mensen, naar hun mening, in deze kerk een rechtmatige plaats ?
Het antwoord is al weer eenvoudig : Volgens de belijdenis zijn allen schuldig zich bij de ware kerk te voegen en dat betekent nog niet hetzelfde als de kerk naar eigen smaak regeren. Maar nu een wedervraag : Wat verstaat ds. K. onder „gewoon Hervormde" mensen ?
O.i. is de enige plausibele en redelijke ver- klaring van gewoon Hervormd : zich voegen onder de belijdenis van de Hervormde kerk, die belijdenis als de belijdenis der kerk aanvaarden, in het geloof van die confessie onderricht worden en onderrichten, en dat doof Gods genade ook persoonlijk leren belijden en beleven.
Ik vrees echter, dat ds. K. onder „gewoon Hervormde mensen zulke mensen verstaat, die echt confessioneel en kerkelijk gedacht, juist niet gewoon Hervormd zijn. Vraag (c.) : Zo neen, wat stelt men (lees de G. B.) zich dan uiteindelijk ten doel ? Vraag (d) : Zo ja, waarom wil men dan niet volledig en gelijkwaardig samenwerken ?
Als wij deze vragen tot genoegen van ds. K. zouden hebben beantwoord, zou zijnerzijds de weg open zijn tot een gesprek over de Theologie en wat hij zich verder heeft gedacht.
Wij geven een en ander ter beoordeling van de lezer over.
Indien deze stem een resonans moet zijn, van wat er ten aanzien van de hervormd-gereformeerden in de midden-orthodoxie leeft, dan vrees ik, dat ds. K. voor zijn medegenoten de indruk moet maken van een enfant trrible, al is hij die leeftijd allengs wel te boven, en ik meen, dat hij en de zijnen goed zullen doen om ernstig nota te nemea van de opmerkingen van dr. Berkhof.
Voorts zij hem bekend, dat de Hervormd-gereformeerden geloven, dat zij krachtens hun belijdenis het recht hebben op erkenning als de legitieme leden der Nederlandse Hervormde Kerk, wier streven om overeenkomstig hun belijdenis kerkelijk te leven niet slechts eerbiediging, maar ook de volle medewerking van allen die prijs stellen gewoon Hervormd te zijn, verdient.
Wij zouden dezerzijds over het regeren der kerk niet spreken, indien ds. K. daaromtrent geen misplaatste opmerking maakte. Naar aanleiding daarvan mogen belanghebbenden weten, dat de G. B. geenszins naar de regering der kerk streeft, maar zolang de kerkelijke toestanden zulks noodzakelijk maken hoopt te volharden bij de doelstelling van zijn Statuten.
Indien de Heere der kerk de Hervormd-gereformeerden roept tot de verantwoordelijke leiding van de kerkelijke zaken, zullen zij die aanvaarden en in vertrouwen op Zijn Woord met allen, die de Christus der Schrif- ten liefhebben, middelen en wegen vinden, welke de sanering van het kerkelijk leven mogen bevorderen.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's