De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De wiijzigingen van 1566

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De wiijzigingen van 1566

6 minuten leestijd

   In art. 13 wordt de zinsnede : so dat hij ordineert, werkt zeer wel en rechtvaardiglijk, dat de Duyvel en de menschen onrechtvaardiglijk werken gewijzigd in : dat hij zeer wel en rechtvaardiglijk zijn werk beschikt en doet, wanneer ook de Duyvelen en goddelozen onrechtvaardiglijk handelen.
   Van Toorenenbergen hecht aan deze wijzi- ging grote betekenis. Hij vindt, dat de oorspronkelijke lezing de volkomen consequentie bevat van Gods souvereiniteit ook over het kwaad. Hij meent hierop in de wijziging van 1566 een reactie te zien.
   Dr. Los corrigeert hem door te zeggen : Liever zeide ik : Zij bevat de leer, dat God een rechtvaardig aandeel heeft aan het onrechtvaardig bedrijf des duivels. Zonder die rechtvaardige bemoeienis regeerde Hij satan niet. Dr. Los ziet in deze wijziging slechts een redactiewijziging, die hij onbeduidend noemt.
   In art. 14 wordt weggelaten achter de woorden goed, rechtvaardig en heilig : gans in alle dingen volmaakt.
   Na de eerste zin werd weggelaten : God heeft hem dan geschapen en gemaakt van twee dingen, van lichaam en ziel : het lichaam is van de aarde gemaakt, en de geest en het leven heeft hem God ingeblazen, alzo dat men in dien mens zulke excellentie en uitnemendheid ziet, dat het menselijk verstand te klein is, om dat uit te spreken. Hij is zo geweest, zegt David, dat hem niet meer ontbrak dan God te zijn: hij ig met eer en heerlijkheid gekroond geweest.
   In de volgende zin werd maar is het vee gelijk geworden vervangen door : maar heeft zichzelf willens der zonde onderworpen, en overzulks de dood en de vervloeking. Ook deze wijzigingen zijn van niet grote betekenis, wat gemist kon worden werd weggelaten.
   In artikel 16 werd een groot deel weggelaten, hetgeen volgde op de thans bestaande lezing : Hiermede bewijst hij zich een medelijdend en barmhartig God aan degenen, die hij zalig maakt denwelken hij niet schuldig was : gelijk hij zich ook verklaart een rechtvaardig Rechter, met bewijzing zijner rechtvaardige strengheid over de andere. En hiertussen doet hij hen geen ongelijk ; want dat hij sommigen zalig maakt, geschiedt niet om- dat zij beter dan de anderen zijn, aangezien zij allen in een zeker verderf gevallen zijn, tot dat God ze afscheidt en verlost, door zijn eeuwig en onveranderlijk voornemen, dat in Jezus Christus gegrond staat, eer de wereld geschapen was. Na zulk een verstand dan, zo kan niemand van zichzelven tot deze heerlijkheid komen, aangezien wij van ons zelven niet bekwaam zijn om enig goed te denken, tenzij dat God door zijn genade en louter goedheid ons voorkomt, zo is onze natuur verdorven.
   Deze uitvoerige verdediging van de leer der uitverkiezing nam de synode van 1566 weg. Wij weten niet waarom. De synodale acten van 16 April 1566 tot 8 September 1570 ontbreken. Van Toorenenbergen onder- stelde, dat 1566 verkortte om de Luthers ge- zinde edelen te behagen. Een politiek motief dus.
   In art. 22 wordt het begin : Wij geloven, dat door de ware kennis dezer hoge verborgenheid, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een waar geloof, vervangen door: Wij geloven, dat tot ware kennis dezer grote verborgenheid, de Heilige Geest in onze harten wonende, ons een oprecht geloof geeft.
   Van Toorenenbergen vindt dit een bedenkelijke wijziging. Dr. Los is dit niet met hem eens. Deze hoge verborgenheid slaat terug op art. 2 1 , waarvan de hoofdinhoud is : Onze eeuwige Hogepriester heeft voor ons geleden, Hij, rechtvaardig voor de onrechtvaardigen. In 1561 is de kennis der verborgenheid en in 1566 is het geloof de eerst aanwezige. In beiden is echter de Heilige Geest de werker des geloofs. Het verschil is dan ook niet groot te achten.
   In art. 31 wordt het begin: Wij geloven, dat de Dienaars, Ouderlingen en Diakenen, in haar dienst door wettige verkiezing verkozen moeten worden, met aanroeping van Gods Naam en keurstemmen der Kerken gewijzigd in: tot hare ambten behoren verkozen te worden door wettige verkiezing der kerk met aanroeping van Gods Naam. De woorden: daarna met oplegging der handen, in haar dienst bevestigd worden, worden vervangen door: en goede orde. Het is de vraag, of deze weglatingen wel verbeteringen mogen genoemd worden! In het slot van dit artikel werd weggelaten: en daarom heeft geen Kerk enige macht noch heerschapij over de andere, om daarover te heersen.
   Dr. Los acht het een ernstige fout, dat deze woorden werden weggelaten, en ik geloof, dat hij in deze gelijk heeft. Zij, die zo gaarne menen, dat juist de oudste reformatorische opvattingen de meest zuivere zijn, maar tevens de leer van de zelfstandigheid der plaatselijke gemeenten afwijzen, mogen nog wel eens deze oude tekst ernstig overwegen.
   Hiermede heb ik de voornaamste wijzigingen van 1566 weergegeven en een indruk gegeven van de vele kleinere wijzigingen.
   Nu rijst de vraag, welke betekenis wij aan deze wijzigingen hebben toe te kennen. Franciscus Junius schrijft in zijn autobioagrafie: De geloofsbelijdenis der Belgische Kerken, nadat zij herzien was volgens het gevoelen der synode, die in het begin van Mei werd gehouden, heb ik te dezer tijd naar de broederen te Geneve gezonden, opdat zij haar, door hen goedgekeurd zijnde, zo het nuttig scheen zouden laten drukken en dit ons werk met gebeden Gode bevelen zouden.
Het jaar 1566 heet het jaar van wonder. In de Aprilmaand werd het verbond der edelen actief en dienden zijn hun verzoekschrift in. Men besloot te Antwerpen en alom de openbare preek in te voeren. Maar dan moest men ook met een openbare geloofsbelijdenis voor de dag komen. Aan haar openbaarmaking op vaderlandse bodem behoorde een rustige tekstherziening vooraf te gaan.
   Nu niet als in 1561 door schriftelijke adviezen van verspreid wonende personen, maar door mondelinge debatten van saam vergaderden.
   Inderdaad heeft de synode een groot aantal wijzigingen aangebracht.
   We kunnen met Kuyper de vraag stellen, of dit wel als een normale revisie is aan te merken. We zouden kunnen verdedigen, dat eerst thans op deze synode de tekst critisch bezien en vastgesteld is. Weliswaar is de tekst van 1561 door de kerken min of meer stilzwijgend aanvaard, maar juist daarom kan men verdedigen, dat ze eerst in 1566 welbewust is bezien, veranderd en aangenomen.
   Vervolgens kan de vraag gesteld worden, of er in 1566 verandering in de leer is aangebracht. Ik ben geen theoloog van professie en geef daarom mijn oordeel voor beter, maar ik heb toch de indruk, dat er geen veranderingen zijn aangebracht, die dogmatisch van grote betekenis zijn. Men heeft zeer vele redactionele verbeteringen aangebracht. Men heeft hier en daar nogal bekort, maar ik zou zeggen, dat er in de substantie der leer geen wijzigingen zijn aangebracht, alleen maar in de manier van spreken. Onder de substantie der leer verstaat men in die tijd de inhoud der leer, onder de manier van spreken de redactie, het onder woorden brengen.
   1566 heeft veel geschaafd aan de redactie, maar het wezen is m.i. niet veranderd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De wiijzigingen van 1566

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's