MODALITEITEN
„Er zal wel niemand zijn, die van de invoering van de kerkorde de oplossing van het richtingsvraagstuk had verwacht", meent ds. L. in de „Hervormde Kerk" (d.d. 19 Jan. 1952).
Wij kunnen moeilijk controleren, welke verwachtingen men van de invoering van de kerkorde heeft gehad of mogelijk nog heeft, maar 't lijkt ons toch wel heel erg ongerijmd, als men mannen van verschillende richting saamroept om de kerkelijke vraagstukken onder de ogen te zien, zoals in 1940 is geschied, velerlei werkgroepen in het leven roept om de haar toegewezen onderwerpen te bestuderen, een werkorde inaurugeert, een interim synode kiest met de zeer bepaalde taak een nieuwe kerkorde voor te bereiden, dat alle daarbij daadwerkelijk betrokkene mannen de oplossing van het richtingsvraagstuk niet zouden hebben verwacht.
Zo vaak werd gesproken van het kerkelijk vraagstuk. Wij vragen, was niet het richtingsvraagstuk het, althans het voornaamste, kerkelijke vraagstuk ? En hoe zou men dan al deze dingen overhoop gehaald hebben zonder de mogelijke oplossing van deze voornaamste saaak op het oog te hebben ?
Wellicht hebben verschillende medewerkers en initiatiefnemers andere voorstellingea gehad omtrent de weg, die tot het doel zou kunnen voeren, omtrent de taak der interim-synode, de toepassing van de kerkorde en wat niet al meer, maar het staat als een paal boven water, dat ds. L. zich hier vergist.
Zonder twijfel leefde die verwachting bij de leidinggevende figuren en in de kerk. Het is mogdijk, dat ds. L. niet heeft kunnen opmerken, dat nog volop in de bezettingstijd in de dagen van de voorbereiding van de werkorde al eens over uiterst rechts en uiterst links werd gesproken op een wijze ja, hoe zal ik dat zeggen ? .... zo ongeveer : ze zijn er en zij zullen wel struikelblokken blijven, maar dan moeten wij desnoods maar zonder hem.
Ik geloof niet, dat ik iemand onrecht doe door het zó te zeggen.
En herinneren wij ons niet uit de dagen, toen de werkorde aan de classes werd voorgesteld, de vraag, hoeveel tijd er mede zou heengaan om tot een meer gezond kerkelijk leven te kunnen komen ?
Dezerzijds is op zulke vragen van één of twee generaties gesproken, ten bewijze, dat wij er niet aan hebben gedacht, dat zo iets in vier of vijf jaar zou gebeuren, en dat wij ook aan een geheel andere methode hebben gedacht.
Dr. Berkhof gewaagt van overorganisatie, en o.i. terecht, en ds. Krop meent, dat men daaraan nog lang niet toe is, maar tegelijkertijd constateert hij moeheid in de leidende groepen.
Wij zijn het dan ook helemaal niet eens met ds. L., dat niemand van de invoering van de kerkorde oplossing van het richtingsvraagstuk heeft verwacht, maar geloven eer het tegendeel, dat men al te zeer in zulk een vérwachting leefde en zelfs op korte termijn. Hoe anders moet men verklaren, dat men zulk een haast heeft gemaakt met allerlei beslissingen en bovenal met de invoering van de kerkorde, alsof ieder uitstel noodlottig zou geweest zijn.
De voorbereiding van een nieuwe kerkorde heeft men opgevat op een wijze, die niet heeft kunnen verbergen, dat men van een program uitging, waarbij de oplossing van het richtingsvraagstuk allerminst buiten beschouwing was gebleven. Daarbij is het zeer duidelijk geworden, dat men zich welbewust onttrekken wilde aan de binding der belijdenis en aan haar Schriftbeschouwing. Voorts ligt daarin besloten, dat men ook aangaande het kerkbegrip, dat aan de belijdenis ten grondslag ligt, een vrij standpunt innam en ingenomen wilde zien, waarbij grote ruimte werd gelaten aan de vrijheid ten aanzien van de leer en aan de discussie omtrent de z.g. waarheidsvraag.
Men ging derhalve uit van een kerkbegrip, waarbij als gewoon wordt gesteld, dat in de kerk allerlei vormen mogelijk zijn van belijden en beleven van de ene Waarheid ! (Dit laatste geeft ds. L. zelf toe).
Hoe iemand nu kan zeggen, dat niemand van de invoering der kerkorde de oplossing van het richtingsvraagstuk heeft verwacht is een raadsel, want de leidende groep heeft dat zeker. En, indien zij dat ontkent, dan vragen wij : wat heeft zij dan gewild, waartoe de kerkorde doorgedreven, waarom zo'n haast met het seminarie, waarom een proeve van hernieuwd reformatorisch belijden aangeboden, let wel aangeboden !, zonder enige vorm van kerkelijke procedure ?
Waarom mocht niet meer van richtingen worden gesproken ? Er zijn geen richtingen meer, zo heette het. En men werd boos als iemand zo verstandig was om zulke dingen niet ernstig te nemen.
Men heeft het ook wel eens kwalijk genomen, als een nuchter mens het woord „onwaarachtig" gebruikte. Wij willen dus aannemen, dat men in zijn kerkhervormende ijver eerlijk meende, dat de dingen zich in de ingeslagen weg zouden voegen, en dat de kerk van Christus en ons volk daarmede gediend zouden zijn. Een nieuw Christendom, een nieuw belijden, een nieuwe kerk, een nieuwe regering — maar neen, over de politiek zullen wij maar zwijgen — „Ziet alles is nieuw geworden", zoo dacht men en het is ook wel heel duidelijk uitgesproken.
Eén ding heeft men klaarblijkelijk niet goed ingezien n.l. dat de mens niet vernieuwd wordt, als men dat zegt, of er voor wil houden, en dat het .Evangelie des Kruises aan de kerk is toebetrouwd, om zondaren tot bekering te roepen, wijl het de Heere behaagt door de prediking des Woords Zijn gemeente te vergaderen en deelgenote te maken van Zijn gerechtigheid en heerlijkheid.
Overigens is het duidelijk, dat het woord „modaliteit" ook geen oplossing geeft, zodat ds. L. de vraag stelt : modaliteit of dwaling ? Wat is nog „modaliteit" en waar begint de dwaling ?
Men is dus te vroeg geweest met zo maar in het algemeen van modaliteit te spreken. Theologische bezinning alleen kan dat niet oplossen, wordt gezegd.
Het is maar de vraag, wat men theologische bezinning noemt. Als het goed is, komt de theologische bezinning op uit het leven van Christus' gemeente en gewoonlijk vindt zij aanleiding in leringen, die met haar geloofsleven niet schijnen overeen te komen. En dat geloofsleven is een realiteit.
Ds. L. zou Johannes, Jacobus en Paulus vertegenwoordigers van verschillende modaliteiten in de jonge Christengemeente kunnen noemen.
Welnu, als de „modaliteiten" in de Hervormde Kerk niet verder uit elkander gingen dan deze apostelen, zou het nog wel gaan met de richtingen. Want ik houd het daarvoor, dat het verschil tussen Paulus en Jacobus, waarop ds. L. doelt, zelfs geen aanleiding kan zijn om van Paulus- en Jacobuschristenen te spreken, terwijl wij weten, dat Paulus dit streng zou afkeuren. Paulus predikte tegen de werkheiligheid der Joden-Christenen en Jacobus had klaarblijkelijk van doen met mensen, die misbruik maakten van de Christelijke vrijheid. Of wij daarom van vertegenwoordigers van modaliteiten in de eerste Christengemeente mogen spreken, is nog zeer de vraag, veeleer bestrijden zij zekere modaliteiten.
Ds. L. onderstelt, dat men van orthodoxe zijde nog weinig van gemeente-opbouw geleerd heeft. Misschien heeft hij dat niet zo algemeen bedoeld, en houdt het meer verband met de gemeente, die hij op het oog heeft.
Toch willen wij deze zaak opnemen, omdat zij weer raakt aan een methodische grondfout van de reorganisatie. Gemeente-opbouw moest indertijd de leiding hebben. Dat was reeds een onkerkelijke figuur. Om te beginnen kon een commissie als gemeente-opbouw geen taak hebben in een gemeente, waar de dienst des Woords onder leiding van het ambt overeenkomstig de belijdenis wordt onderhouden. Zelfs kan zij geen taak hebben in gemeenten, waar de dienst des Woords alzo niet wordt onderhouden, tenzij zij op wettige wijze wordt bekleed met de bevoegdheid van visitatoren.
En als men nu van orthodoxe zijde van gemeente-opbouw alleen moest geleerd hebben de kansel ter beschikking te stellen van predikers, die zelfs met de belijdenis der heilsfeiten als de maagdelijke geboorte, lichamelijke opstanding en hemelvaart, overhoop liggen om van de leer van de zondeval en van de praedestinatie nog maar te zwijgen, dan vraag ik mij af, wat voor indruk iemand, die zoiets verwacht, van orthodoxie moet hebben, en waar de dwaling begint.
Ds. L. spreekt over wat prof. Kraemer „het indiscutabele" noemde : de kern van de bijbelse boodschap ; hij spreekt over de waarheidsvraag „het hoogste en uiteindelijk-enige doelwit" voor de kerk !
Hier wordt de kerk dus voorgesteld als een dispuut-college om de waarheidsvraag. Men kan daaruit begrijpen, dat een ander spreekt van een gesprekskerk, waarin het gesprek de functie van de tucht dan zal vervullen. En ds. L.wil, dat de synode richtlijnen voor het kerkelijk gesprek zal geven.
Wij vragen : wat heeft nu zulk een kerkbegrip nog te maken met het beeld, dat de Heilige Schrift ons voor ogen houdt ? Wie zo iets in ernst verdedigt, neemt het toch wel erg ruim met het op de bodem der Heilige Schrift staan.
Dat wordt ook niet weggenomen door hen, die er öp wijzen, dat Christus de Waarheid is, als het centrale indiscutabele punt, waardoor men althans afstand neemt van Pilatus' vraag : Wat is waarheid ?
Zeker : Christus de Waarheid. Hij betuigt het zelf : Ik ben de Waarheid.
Als wij dat nu allemaal zeggen : zijn wij er dan ? Zijn wij dan overigens alleen maar modaliteiten, persoonlijk en groepsgewijze ?
Welke Christus dan zullen wij als de Waarheid omhelzen ? Wij moeten Hem kunnen belijden, dat betekent getuigenis geven uit de gemeenschap met die Christus, die de Waarheid is. Wij moeten dat getuigenis uitdrukken, zodat een ander er ook wat van kan leren en verstaan, niet in vreemde, onverstaanbare klanken, maar zoals Hij ons wordt voorgesteld door degenen, die met Hem zijn geweest, die ook Zijn heerlijkheid hebben gezien vol van' genade en waarheid, de heerlijkheid des Eniggeborenen des Vaders. Hoe anders zullen wij weten, dat wij met Hem, met Dezelfde van doen hebben ?
Waar begint nu de dwaling ?
Bij degenen, die Hem aannemen en prediken, zoals Hij ons door de Heilige Schrift wordt, voorgesteld : Zijn geboorte uit de maagd, Zijn lijden en sterven. Zijn opstanding. Zijn hemelvaart enz., of bij degenen, die de voorstelling van de Bijbel als mythische inkleding verwerpen en zich zelf een Christus maken, die aan hun smaak tegemoet komt ?
Wij vragen : Staan Christus, de Waarheid, en de waarheid van de voorstelling der Heilige Schrift, zo ver van elkaar, zijn die twee zover van elkander verwijderd, dat de ganse drom van rationalisten, philologen, historisch-grammatische critici, raythologen en mythische zuiveraars daartussen kunnen gaan staan om over de voorstelling der Schrift te bazelen zonder in conflict te komen met de Waarheid zelve ?
En, wat de waarheidsvraag aangaat, wat wil men ?
Wil men die vraag ten aanzien van de wondere geboorte? van de opstanding? van de hemelvaart? , om te onderzoeken en uit te maken, of en zo ja, hoe dat is geschied en zich heeft toegedragen?
Dat zijn dus vragen, die op één lijn kunnen worden gesteld met alle vragen omtrent zovele dingen, die buiten onze ervaring en buiten het bereik van ons verstand vallen, maar daarom juist is het volstrekt niet logisch, noch minder wijs, de heilsfeiten te verwerpen , omdat zij buiten het rationele wereldje van onze ervaring liggen.
Gemeentebouw zou ons geleerd hebben volgens ds. L., dat godsdienstige vragen nooit alleen langs de weg van theologische bezinning kunnen worden opgelost, maar om de heilsfeiten, waarmede voor het geloof het Evangelie staat of valt, te negeren, schijnt men zelfs geen theologische bezinning nodig te hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's