De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

7 minuten leestijd

De zestiende eeuw

II.

   Over de leerstof op de Lagere Scholen in de 16e eeuw is niet zoveel bekend. Men kan wel in het algemeen aannemen, dat de hogere klassen, vooral in de bijscholen, wel ongeveer gelijk stonden met het tegenwoordige voortgezet onderwijs. Maar van de lagere klassen zijn niet veel bijzonderheden aanwezig. Had men vroeger op perkament geschreven, dit was nu allerwege door papier vervangen en sinds de boekdrukkunst was uitgevonden was het mogelijk geworden om de kinderen leesof leerboekjes in handen te geven. Dit zal ongetwijfeld het onderwijs zeer ten goede gekomen zijn.
   Eerst waren de leerlingen' „alphabetariërs", ze moesten het ABC leren, want de woorden zouden later worden samengesteld uit de letters van het alphabeth, die dan weer ontleend en opgebouwd werden uit de letters, uitgesproken naar de klank, die ze in het alphabet hebben. Zo werd een letterverbinding aldus geleerd: aa — bee — ab — ie — bee —ib, bee — oo bo. Dat is wel heel anders dan de tegenwoordige veel eenvoudiger en ook meer natuurlijke methode, waarbij de letters geleerd worden naar de klank, die ze in de woorden zelf hebben.
   De volgende klasse waren de bladenaars ; deze hadden een blad bordpapier in de hand, waarop spel- en leesoefeningen stonden. Als men even bedenkt hoever de letterklanken van het alphabet afwijken van de natuurlijke klank der letters, begrijpt men wel, dat men hier terecht kan spreken van het „doorworstelen" van de speloefeningen. Hoe kon men nu b.v. van de klanken bee — er — oo — oo — dee, de woordklank brood maken. En toch moesten de kinderen dit leren, en dat zo werktuigelijk mogelijk. Eem wonder, dat er nog zoveel konden lezen.
   Hadden ze het zover gebracht, dat ze de eerste spel- en leesoefeningen onder de knie hadden, dan gingen ze verder met het normale voortgezet lezen en ook met schrijven. Dan werden ze „Duytskenners".
   Een zeer belangrijk vak was het zingen. We zagen reeds vroeger, dat in de gecombineerde Amsterdamse stadsschool, 3 bovenmeesters waren. De kinderen moesten immers worden opgeleid om assistentie te verlenen bij de koordienst.
   In de eerste jaren van de 80-jarige oorlog waren de omstandigheden zeer nadelig voor het regelmatig geven van schoolonderwijs. Denk b.v. in Holland maar aan de jaren 1570 —1574. Toen dit gewest niet weinig het toneel van de strijd was — Leiden, Haarlem!). Maar verder ook aan de Oostelijke en Noordelijke gewesten. Onnoemelijke schade werd er geleden door de haast eindeloze oorlog. Vanuit Coevorden en Steenwijk drongen plunderende Spaanse benden zelfs door tot in het hart van Friesland en Groningen. Steden en dorpen gingen onder of werden telkens opnieuw met de ondergang bedreigd.
   Van geregelde handel, landbouw of veeteelt kon in vele streken nauwelijks meer gesproken worden. Deze toestanden werden weer beter, toen als gevolg van Maurits' krijgsbedrijven ook de Oostelijke gewesten langzamerhand van vijanden werden gezuiverd.
   Toen kon men ook pas weer zachtjes aan tot geregeld schoolonderwijs komen.
   Toen kwam er nog een andere verandering en wel als gevolg van de doorwerking der Reformatie in deze landen. Reeds in 1574 bepaalde de Synode, te Dordrecht gehouden, dat de schoolmeesters de Belijdenis des geloofs moesten onderschrijven en de Catechismus moesten leren. In de Gelderse hoofdstad werd in 1587 aangevangen met de Reformatie der scholen. Er werd bepaald, dat de schoolmeesters „de apostolische religie in de jeugd moesten planten". De onderwijzer moest zorg dragen dat de kinderen naar de kerk gingen en in het bijzonder, als de Catechismus in de godsdienstoefening behandeld werd. Groningen werd in 1594 door Prins Maurits op de Spanjaarden heroverd en onmiddellijk werd daarop overgegaan tot het opnieuw regelen van het schoolonderwijs. In iedere kerkelijke gemeente moest een schoolmeester wezen, die de kinderen lezen en schrijven moest leren en hen in de Catechismus moest onderwijzen. Verder moest hij fungeren als vóórzanger in de kerk. Ook in Groningen mocht niemand als schoolonderwijzer worden toegelaten, of hij moest tevoren de Gereformeerde Religie onderschrijven en zich onder ede verplichten de kerkdienst naar zijn beste vermogen te bevorderen.
   In verschillende provinciën werden schooierden uitgegeven en ook in de steden werden reglementen gemaakt voor het schoolonderwijs.
   Hier volgen enkele bepalingen van de in 1599 uitgegeven schooierde van Den Briel :

1. Het onderwijs omvat lezen, schrijven, rekenen, cijferen en desgewenst ook Frans.
2. Gedurende de zomer zijn de schooltijden van 7—11 en van 1—6., In de winter van 8—11 en van 1—4.
3. De Catechismus is verplicht leervak en moet 's Zondags door de leerlingen in de kerk worden opgezegd. Ook moeten de Psalmen geleerd worden.
4. 's Zondags komen de kinderen om 8 uur in school en gaan vandaar om 9 uur naar de kerk. Om 1 uur moeten ze weer op school zijn en worden dan weer door de onderwijzers naar de kerk gebracht.
5. Het volledig schoolgeld bedraagt 6 gld. pen jaar; voor lezen en schrijven alleen 4 gld. per jaar.
6. De meester krijgt de helft van 't schoolgeld en bovendien een salaris van 250 gld. per jaar, met nog ƒ 50.— als huishuur.

   In 1591 werd te Amsterdam uitgegeven „Een Regel der Duytsche Schoolmeesters". De schrijver was Dirk Adriaansz. Valcoogh, Schoolmeester te Barsingerhorn (later was hij notaris te Schagen). We zouden dit geschrift kunnen noemen een Onderwijskunde op rijm. We kunnen hierin enigszins opmerken hoe het in het laatst der 16e eeuw op de lagere scholen gesteld was, alleen moeten we daarbij wel in 't oog houden, dat Valcoogh hier en daar meer omschrijft hoe 't naar zijn mening zou behoren te zijn en dat de ware toestand wel eens anders was.
   Volgens Valcoogh hebben de onderwijzers zeer uitgebreide macht over hun leerlingen o.a. ook het recht tot lichamelijke tuchtiging, zonder dat de ouders dit mogen verhinderen.
   Alleen de kinderen, die pas ter school komen, moeten zachtjes aan aan de dikwijls harde schooltucht gewend worden. In de 2e en 3e maand krijgen ze echter al „zachte handplakskens". Later wordt 't wel wat „harder". Toch is Valcoogh van oordeel, dat er beter matig gestraft kan worden. En toch staat op schier elke overtreding een „handplak".
   De plak was een plat stuk hout, ter grootte van de palm van een hand en voorzien van een steel. Dan was er nog de ijzeren kam, gebruikt voor onreine hoofden; dat was een vreselijke foltering, dat het bloed soms langs het hoofd deed stromen. Voorts het ezelbord, het schandbord, dat de overtreder in de hoogte moest houden. En dan de met lappen opgevulde linnen vogel. Kreeg één der leerlingen dit beest naar zich toegeworpen, dan moest hij het bij de meester terug brengen en kreeg een handplak.
   In de regel werd — de folterwerktuigen wijzen het wel uit — met grote strengheid opgetreden. Men moet echter wel bedenken, dat de meester gewoonlijk 100 of meer leerlingen voor zijn rekening had. En Valcoogh was van oordeel, dat een onderwijzer wel 400 leerlingen tegelijk kan hebben, mits hij ze dan in groepen van 100 indeelde en deze groepen beurtelings mondeling onderwees.
   Valcoogh is overigens ook zeer ruim voor de schoolmeesters. Een onderwijzer mag bij zijn schoolwerk ook nog notaris, ontvanger, barbier, winkelier, glazenmaker, doodkistenmaker, schilder, steenhouwer, schoenlapper, klompenmaker, boekbinder of nettenboeter zijn. Hij mag ook vee houden en als kleermaker ook nog wel een stuivertje extra verdienen. — Maar alles vóór of na schooltijd!
   Speciaal op de dorpen was de meester een manusje van alles. Vooral in de zomer zal hij tijd genoeg gehad hebben, want de dorpsjeugd was dan bij de veldarbeid en dacht niet aan school of onderwijs. Dat ze bij hun terugkomst, tegen de winter, lichtelijk verwilderd waren, valt gemakkelijk te begrijpen en dit doet menige strenge maatregel wel niet goedkeuren, maar dan toch minder hard beoordelen. Bovendien was over het algemeen deze eeuw niet vrij van hardheid en dat men bij de opvoeding der jeugd niet erg zachtzinnig optrad, komt ook mee door de tijdsomstandigheden. Trouwens bij de geregelde of vrije schoolmeesters was de toestand al heel wat beter dan bij hun collega's, die het onderwijzer zijn meer als een bijbaantje beschouden. De 17e eeuw geeft ons al een lijst van schoolmeesters die als paedagogen in de goede zin van het woord, grote verdiensten hebben gehad voor het schoolonderwijs, al waren er betrekkelijk weinigen, die geheel boven hun tijd-niveau uitkwamen. Maar dat is tegenwoordig nóg wel zo, en niet alleen bij de schoolmeesters.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's