De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

6 minuten leestijd

3. HET MEEGAAN NAAR HET GRAF.

3. HET MEEGAAN NAAR HET GRAF. Het is iets, wat in een dorp geheel van zelf spreekt : „domine gaat ook mee naar het graf. Verbeeld u, dat hij dat niet doen zou !

   Eens zat ik met de bloedverwanten in een der volgrijtuigen op weg naar het graf. Het was een heel eind rijden en enigszins gaf ik te verstaan, dat het voor een predikant toch zoveel tijdverlies betekende, wanneer hij de afstand naar en van het sterfhuis enige malen op de dag moest afleggen. Het was immers ook gewoonte, om van het kerkhof nog weer mee terug te gaan naar huis.
   „Ik vind", zo antwoordde iemand uit het gezelschap : „wanneer een domine niet meegaat, dan is het net of er een beest begraven wordt." Dat deed natuurlijk de deur dicht. "Want wie wil er nu als een beest begraven worden ? In de Bijbel lezen wij ook van een „ezelsbegrafenis". Dat is dan toch het minste, waarop een mens recht meent te hebben, namelijk op een fatsoenlijke begrafenis.
   De „geestelijke" is dus in staat, alleen door zijn meegaan het begrip „fatsoen" aan de begrafenis te verlenen en de idee „beest" er uit weg te nemen. Een hele eer, voorwaar ! En voor wat hoort wat.
   Wanneer men de mensen zou vragen : Wat hebt gij liever ? Dat de predikant aan huis komt en daar spreekt, of dat hij alleen op het kerkhof komt ? , dan zullen de meesten voor het laatste beslissen. En nu beweer ik niet, dat het altijd „voor de statie" is, maar toch dikwijls wel.
   Zó gingen wij dan in de dorpen maar mee. Waartoe te breken met de oude gewoonte ? Principequesties waren toch niet in het geding en het is niet verstandig, de gemeenteleden tegen zich in het harnas te jagen ter wille van onbeduidende dingen en een weinig moeite.
   Een enkele maal legden wij in onze eerste Gemeente de afstand naar het kerkhof per schuit af. Wanneer boerenhofsteden een eind landinwaarts lagen en langs een behoorlijke rijweg niet te bereiken waren, dan bleef de vaart „per schouw" de enige gelegenheid ter begrafenis.
   Dat was somtijds werkelijk indrukwekkend en het kon mij bijzonder aangrijpen. De kist met de dode stond in het midden. Wij zaten er omheen geschaard. Het een en ander bracht als van zelf de stilte mee, die door niemand werd verbroken.
  
Wij gleden zachtkens met de dode heen
Van 't sterfhuis weg, dat langzaam aan verdween
Tussen hoge pluimen door van lisplend riet
Tot waar men ginds de kerketoren ziet.
De westewind was nu wel wat geluwd.
Twee mannen hebben langs de kant ons voortgeduwd.
Af en toe slechts kwamen zij aan boord
En boomden 't scheepke schier geruisloos voort.
Wij zaten, allen in een kring geschaard.
Rondom de lijkkist, die stond opgebaard
En hebben stil wat bij ons zelf gemediteerd ;
Met 't aangezicht als naar de dood gekeerd.
En er was niemand, die iets zei of vroeg.
Zacht kabbelden de golfjes voor de boeg.

   Gingen wij evenwel per rijtuig, dan waren er wel eens moeilijkheden. Wat moest er onderweg gesproken worden ? Mensentongen bij elkander staan nu eenmaal niet gaarne stil.
   Zat men bij de naaste Familie, dan werd er van zelf niet veel gepraat ; maar bij de bloedverwanten „van verder weg" was dit anders. Daar konden de tongen zich duchtig roeren.
   Dat alles was wel eens hinderlijk, want men vergat, dat de predikant aanstonds weer spreken moest en in stilte zijn gedachten daar weer bij bepalen wilde.
   Wanneer ik dan tenslotte op de vragen, die mij gesteld werden, bijna geen antwoord meer gaf, begon men er toch iets van te bemerken.
   Het is ook nog een punt, dat overweging verdient : Wat moet een predikant op het kerkhof spreken, nadat hij pas in huis een gedeelte uit Gods Woord had gelezen en daaruit enige toepasselijke woorden tot de Familie heeft gericht ?
   Ik bedoel hiermee niet te zeggen, dat erop het kerkhof beter gezwegen kan worden. Integendeel ! Het Woord Gods kan nooit genoeg tot de mens spreken. Maar deze moeilijkheid dient toch wel altijd even onder de ogen te worden gezien.
   In het sterfhuis moet het meer een intiem woord zijn tot de familieleden, waarbij dan wel eens dingen mogen worden aangehaald, waarmee buitenstaanders niet hebben te maken. Als het kan, moet hier de gedachte de overhand hebben van een geestelijk familiebijeenzijn.
   Op het kerkhof is het echter wat anders. Daar zijn allerlei mensen bijeengestroomd en moet het woord zich ook meer in het algemeen tot allen richten, al wordt de Familie ook daar niet vergeten.
   Menigmaal is de dodenakker vol van nieuwsgierige mensen, tot wie men eigenlijk evangeliserend spreken moet.
   Ook „keurmeesters" zijn er wel aanwezig, die nu eens willen horen, waar de predikant de overledene brengt. Zelf weet men het dan al lang, dat wil zeggen : naar zijn eigen gedachten ; maar nu gaat het er spannen onder het gehoor, wat de voorganger er van maakt. Wee hem, wanneer hij het met hun opvatting niet eens is.
   Hoe moet de arme man nu optreden ?
   Vóór alles en boven alles : laat hij niet be vreesd zijn. Nu niet gaan bibberen, domine, voor die of die, wiens adem in zijn neusgaten is ! Als God uw schild en hulp wil wezen, wal zal een nietig mens u doen ?
    Die gewichtige potentaat en voorganger van het een of andere clubje, die onder een deel der dorpsgenoten „de geestelijke lakens" uitdeelt en thans ook staat te luisteren, laat hem daar toch staan en trek het u niet aan !
   Wat deert het u of hij straks al raaskalt, dat gij ook een van de vele Baaidienaren zijt.
   Och neen, begrijp mij goed : gij gaat op het kerkhof geen bravourstukjes uithalen, om expres de betweters te tarten. De zaak, waarvoor gij staat, is er te ernstig voor. Maar wees u bewust, dat gij ook hier verkeert voor het aangezicht des Heeren. Als er iets goeds te zeggen valt van de overledene ; had hij bijzondere genadegaven van de Heere ontvan­een, waarom zoudt gij het niet zeggen, zo God ér maar in geëerd wordt.
   Houd geen lofredenen op de mens. Nooit ! Valt er wat te prijzen, breng alles in verband met Gods werk zelf, opdat de Heere er in verheerlijkt worde.
   Hebt gij voor u zelf de overtuiging, dat de gestorvene heenging in vrede ; inging in de ware ruste ; houd het voor niemand in, want het kan zo weinig getuigd worden. Vertroost hiermee nogmaals de bloedverwanten. Wijs hun en allen nog weer op het éne nodige. Zet nieuwsgierigen op hun plaats en laat uw woord vooral de evangelisatietoon niet missen.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's