EEN DOMINE VERTELT
4. VERSCHILLENDE BEGRAFENISSEN.
In gedachten neem ik u thans mee naar een begrafenis, zoals die jaren geleden plaats vond. De bijzonderheden staan mij nog duidelijk voor de geest. De man, die overleden was, behoorde onder de geachte ingezetenen van het dorp. Hij werd weggenomen in de volle kracht van zijn leven en liet een weduwe met enige kinderen achter.
De Familie der vrouw was zeer belangstellend en kerkelijk meelevend. De Familie van de man behoorde nog wel tot de Hervormde Kerk, maar ging niet met ons op.
Zij hielden zelf „oefeningen" en twee van hen gingen daar beurtelings voor.
Wanneer onze kerk uitging en wij passeerden hun vensters, dan klonk het luide psalmgezang tot ons door. De volksmond beweerde, dat dit dan expres wat harder geschiedde.
Hij, die thans overleden was, had bij zijn huwelijk beloofd, met zijn vrouw ter kerk te gaan en zich daaraan ook gehouden.
Nadat ik het overlijdensbericht had ontvangen, ging ik de volgende dag (het was op een Zondagmiddag) ook de Familie van de overledene, de beide broeder-voorgangers, even condoleren. Zij woonden vlak tegenover 3e pastorie. (De weduwe van de overledene had ik al eerder ontmoet).
Dat vonden zij blijkbaar aangenaam en ik werd zeer vriendelijk ontvangen.
Al spoedig spraken wij over de waarheid en ziedaar : Oneens waren wij het eigenlijk niet ; althans nog niet.
Terwijl wij zo aan het spreken zijn, komt een zwager, die met hun zuster gehuwd was, binnenstappen. Hij vertelt het volgende : „Eergisterennacht, om twaalf uur, begon de vrouw, zijn vrouw) zo bang te zuchten. Ik vroeg haar : „vrouw, wat is er ? " „O, " zegt zij : „God openbaart mij, dat er een slag zal vallen !"
Uitroepen van verwondering, want het was juist de tijd, waarop het familielid stierf.
„Een ogenblik later", zo gaat de zwager voort, „komt er weer een heel zware zucht.
Ik vraag weer: „Wat is het nu? " „O", zei zij, „het zal een dubbele slag wezen!"
Uitroepen van ontzetting en geklaag, want dit moest betekenen, dat „broerlief" voor eeuwig verloren was.
Ik heb aan die mensen daarop gezegd, dat ik het niet met hen eens was, ja, dat ik het eigenlijk ontzettend vond. Dat ik het ten eerste al sterk in twijfel trok of God wel ooit zulke openbaringen aan Zijn kinderen zou geven aangaande eens, anders wel of wee ; maar mocht het ooit gebeuren, dit dan toch zeker niet diende, om aan anderen zo maar over te vertellen. Dat ik niet wist, hoe hun broeder afgestorven was en daarover niet kon oordelen, maar in elk geval deze zogenaamde openbaring niet wilde aanvaarden.
Kort en goed: wij kwamen vierkant tegenover elkander te staan, geven aangaande eens anders wel of wee ;
Ik voelde wel, waar de schoen hier wrong. Deze thans gestorven broeder stond niet meer bij hen in de gratie, omdat hij aan hun gezelschappen geen deel meer nam.
De dag der begrafenis brak aan. De familie der vrouw had mij gevraagd om in huis en aan het graf te spreken, dus ik ging.
De beide gebroeders waren er; ja, zelfs vele onkerkelijken, ook uit andere plaatsen. Want deze mensen hebben het als een gewoonte aangenomen, om, van begrafenissen iets bijzonders te maken. Het doet dikwijls min of meer aan mensenver go ding en afgoderij denken.
Direct werd het al een vechten om de leiding. Eerst negeerde het tweetal mij zoveel mogelijk ; daarna vroeg mij de ene kortweg, om een bepaald hoofdstuk uit de Bijbel te lezen.
Ik richtte mij tot de vader der weduwe en vroeg : wie hier in het huis van zijn dochter eigenlijk de leiding had ?
Waarop het besliste antwoord volgde : „Natuurlijk u, domine !"
Ik las nu een gedeelte uit Gods Woord en sprak daarover. Diepe zuchten stegen af en toe op uit een bepaalde hoek, zich baanbrekend in de klanken : „Och ja !"
Wie had ooit kunnen denken, dat er zoveel obstructie gevoerd, ja zelfs sabotage gepleegd kon worden met het uitstoten van dat korte, schijnbaar zo onschuldige zuchtje ?
De ene, die tegenover mij zat, keek altijd weer op zijn horloge. Alles werd in het werk gesteld, om mij het spreken zo moeilijk mogelijk te maken.
Ik ging stil door en stoorde mij daaraan niet. Nu volgde het gebed en daarna een ogenblik pauze, vóór wij naar het kerkhof gingen.
Thans konden de gebroeders zich een ogenblik schadeloos stellen. Zij wilden mij ook meteen uit mijn tent lokken. De ene broeder merkte op : „laat domine zijn stuk nu eens verdedigen !"
Mijn antwoord was : „Ik heb geen ander stuk dan Gods Woord en onze gereformeerde Belijdenis. Houdt gij er zelf een ander stuk op na ? "
Toen ik in de loop van het gesprek ook het woord „genade" noemde, viel iemand mij in de rede en riep : „daar zijn paaltjes in de genade !" waarop ik als bescheid gaf : „'s Heeren goedheid kent geen palen".
Zo gingen wij naar het kerkhof. Nadat ik gesproken had, waarbij ik de toestand vande overledene liet rusten, nam een der gebroeders het woord, zogenaamd, om te bedanken. Er volgde een lange rede, naar aanleiding van de tekst : „De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn stomp geworden".
Wat deze tekst nu te maken had met het overlijden van zijn broeder, is mij tot op dit ogenblik nog niet helder. Het verband is hier zoek.
Moet gij weten, dat dit woord, dat voorkomt in Ezechiel 18 : 2, een spreekwoord is, waarvan de Here ten strengste verbiedt: vs. 3 „Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo het ulieden meer gebeuren zal, dit spreekwoord in Israël te gebruiken".
Men wilde met dat spreekwoord in dode lijdelijkheid de schuld op de vaderen werpen en zeggen : „onze vaders hebben dingen gegeten, die niet deugden, kunnen wij het helpen, dat wij niet alles meer bijten en verteren kunnen ? Dat wij aan de oude waarheid ontgroeid zijn ? "
De Heere wijst hun daarentegen op hunne persoonlijke verantwoordelijkheid. En deze man staat daar te spreken bij het graf van zijn bloedverwant, alsof dat spreekwoord waarheid bevat. Hij gebruikt het en maakt er nog een hatelijke toepassing bij, hierop neerkomend : „de vaders hebben aan de halve waarheid genoeg gehad, is het wonder, dat de kinderen de hele Waarheid niet meer verwerken kunnen ? Dat de kerkgaande mensen alle wind van leer goed vinden ? "
Een bedekte beschuldiging dus, „dat het met onze geestelijke tanden en met onze geestelijke spijsvertering niet in orde was."
Eerlijk gezegd, vond ik het nog al geestig, maar dan : demonisch geestig.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's