KERKELIJK GESPREK EN KERKELIJKE PERS
Is het zo, dat het z.g. kerkelijke gesprek, voor een deel, groter of kleiner, dat kan ik niet beoordelen, in de kerkelijke pers. wordt gevoerd ? Mij dunkt, dat is wel zo, want anders weet ik niet, waarop men doelt, als men van kerkelijk gesprek spreekt.
Even een opmerking. Als wij dezerzijds het woord kerkelijk gesprek gebruiken, houde men het er niet voor, dat wij de gesprekskerk zouden verlangen, of kerkelijke tucht voor het kerkelijk gesprek zouden willen inruilen.
Het gesprek kan daarom zeer nuttig zijn in de omstandigheden, waarin wij ons kerkelijk bevinden, maar dan moet het o.i. kerkelijk zijn en kerkelijk geleid worden. Wij bedoelen ook al weer niet, dat de Synode richtlijnen en wegwijzers geeft, welke b.v. in de weg van „Fundamenten en Perspectieven" en van het dienstboek gaan.
Voor zover dan in de kerkelijke pers het kerkelijk gesprek gevoerd wordt, krijgt men nog weinig indruk van wat dat worden moet. Het gaat over modaliteiten, richtingen, over kerk en secte, vooral schijnen er mensen te zijn, die het bijzonder belangrijk vinden, of de Gereformeerde Bond een secte is. Zelfs „In de Waagschaal", die overigens nog wel eens een gewaagd geluid laat horen, vindt het klaarblijkelijk ook nog een belangrijke aangelegenheid, of de Geref. Bond een secte is. (Zie no. 18d.d. IJebr. '52).
Als de heren dat zo belangrijk vinden, zullen zij het haast niet kunnen geloven, dat de Geref. Bond het zelf helemaal niet belangrijk vindt. En toch schijnt er voor de heren iets belangrijks in te zitten, vooral in verband met de Geref. Bond. Want ik herinner mij niet, dat men zich zo druk maakt over de vraag, of de Confessionele Vereniging, of de Vereniging van „Vrijzinnig-Hervormden" secten zijn.
Hoe dit zij, wij vinden dat heus niet belangrijk, en geen onderwerp voor het kerkelijk gesprek, evenmin als dat voortdurende geschrijf over modaliteit en richting. Wordt het zo langzamerhand niet tijd om daaraan althans geen papier en tijd meer te besteden? Je krijgt een nummer van „Woord en Dienst" onder het oog „Richting en Modaliteit" van de hand van dr. Emmen, Secretaris der Synode, „De Hervormde Kerk" een stuk van F. H. L(andman). De eerste zin : „Het vraagstuk van de richtingen in onze kerk". Men zou zo onderstellen, dat dit de heren hoog zit, maar voor het kerkelijk gesprek en voor de sanering van het kerkelijk leven betekenen deze stukken ten enemale niets. Alle verschuiving en veranderingen ten spijt is er in de Hervormde Kerk een middengroep, die zich gaarne tot de „orthodoxie" rekent, al is niet duidelijk, wat men onder orthodoxie verstaat.
Links daarvan staan de vrijzinnigen en rechts daarvan staan de ouderwetse confessionelen en de gereformeerden.
Dat is geen kwestie van partij of vereniging, maar dat is een kwestie van belijden, van niet belijden en anders belijden, van kerkelijk-belijden en individueel-belijden, maar in ieder geval gaat het hier om de belijdenis. Men belijdt met die belijdenis, of men belijdt niet, men erkent die als kerkelijke belijdenis en vindt daarin zijn persoonlijke geloofsovertuiging of niet.
Het is eigenlijk zelfmisleiding te blijven schrijven over richting en modaliteit, en de zaak niet in het hart te grijpen. Dr. Emmen raakt er heel eventjes aan, of eigenlijk, hij wijst er in de verte naar: „De kerkorde zegt, dat wij gehouden zijn naar de aard van onze roeping in al ons spreken en handelen ons te bewegen in de weg van het belijden der kerk". *) Let wel: de kerkorde zegt: dat wij gehouden zijn: dat is zoveel als: wij zijn verplicht ; als je het niet doet, ben je in gebreke, sta je kerkelijk verkeerd. Hij voegt er aan toe : „dit gehouden zijn bepaalt de ruimte der kerk". Dit zinnetje zal wel goed bedoeld zijn, maar „de ruimte der kerk" vind ik toch een onwennig begrip. De ruimte der kerk — in het kerkgebouw misschien, hoeveel mensen er in kunnen? — 't klinkt een beetje Cartesiaansch: de ruimte der kerk.
Als een Kuyperiaan overgaat van het terrein der algemene naar dat der particuliere genade — krijgt hij wat te horen, maar valt de spreekwijze „de ruimte der kerk" niet onder hetzelfde oordeel? Maar goed, die uitdrukking is óok al niet zo gewichtig; geen onderwerp voor het kerkelijk gesprek, want de Schrift kent geen ruimte der kerk, maar zij spreekt van gemeenschap, gemeenschap des geloofs, gemeenschap der heiligen.
Van meer gewicht is het woordje gehouden, door dr. E. dan ook onderstreept. „Wij ïijn gehouden ons te bewegen in de weg van het belijden der kerk".
Dit is zeker een belangrijk punt. Als men van kerkelijk gesprek wil sprekeij, zou men hier alvast kunnen beginnen, b. v. met de vraag: Waaraan zijn wij eigenlijk gehouden, aan welk belijden en aan welke weg?
De kerkorde zegt: dat de kerk leeft „in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen".
Wat betekent dat, of moet dat ook eerst door het gesprek worden uitgemaakt?
Wil de kerkorde zeggen: de belijdenis der Vaderen is uit de Schrift geput? , of bedoelt de kerkorde een ristrictie: voor zover en uit de Schrift is geput?
Dan had het er bij moeten staan : voor zover.
Of wil de kerkorde het in het midden laten ?
Deze laatste vraag is misschiea eei» beetje onaangenaam, maar zo duidelijk is de zaak niet.
Er wordt van het leven der kerk gewaagd, en ik meen, dat de Kerk des Heeren uit het Woord leeft en dat de belijdenis op haar beurt weer uit het leven der Kerk geboren is en daarom aan de Heilige Schrift moet worden getoetst.
De weg van het belijden der kerk zou dan zijn: Het Woord — het leven der Kerk van Christus, zoals dat in het Woord wordt voorgesteld, — belijden — en dan weer het Woord, de Heilige Schrift. En aangezien er onder de leden der kerkelijke organisatie levende Christenen en naam-Christenen, mensen van allerlei slag gevonden worden, is het wel goed, dat de kerkorde aan ambten, vergaderingen, organen en bedieningen voorschrijft, dat zij gehouden zijn zich te bewegen in deze weg van het belijden der kerk.
Maar nu is het toch weer de vraag, of punt 4 van art. X der kerkorde met het aanwijzend voornaamwoord „dezen" het zo bedoelt, n.l. of de ganse opsomming prediking, getuigenissen etc, tot belijdenisgeschriften toe (zie punt 3 van art. X) aan die weg zijn gehouden.
Het accent valt dan weer op de betekenis van de woorden: „levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen", want dat is om zo te zeggen, de alles beheersende vooronderstelling.
Opnieuw klimt dan weer de bovengestelde vraag: Wat bedoelt de kerkorde hier precies? Houdt men de belijdenis der Vaderen, waarin de kerk wordt gezegd te leven, voor een uit de Schrift geputte belijdenis, dan hebben wij daarin een grondslag, die door de kerkorde buiten discussie is gesteld.
En zo niet, wat heeft het voor zin, dat wij gehouden zijn ons in een bepaalde weg, die dan niet meer bepaald is, te bewegen?
Dan kunnen 'wij niet weten, waaraan wij gehouden zijn.
Gelet op de kerkelijke pers, krijgt men de indruk, dat de belijdenis toch wel discutabel wordt gesteld. Verschillende schrijvers steken niet onder stoelen of banken, dat zij het b.v. met de belijdenis der Vaderen omtrent de Heilige Schrift en het leerstuk der praedestinatie niet eens zijn.
Doch ook, indien de kerkorde de belijdenis der Vaderen discutabel stelt, zou men de bestreden punten moeten aangrijpen in het z.g. kerkelijk gesprek.
Reeds werd opgemerkt, dat wij geen gesprekskerk wensen, maar van mening zijn, dat naar een Schriftuurlijke kerkelijke tucht moet worden gestreefd, ten spijt van hen, die daaromtrent geen ander begrip hebben dan „inquisitie". Valt inquisitie niet evenzeer buiten kerkelijke tucht als willekeur?
Edoch, in de gegeven omstandigheden kan een kerkelijk, maar dan ook kerkelijk, gesprek goede diensten bewijzen. Dan echter moet men de koe bij de horens pakken en niet over modaliteiten en richtingen schrijven.
Dat zou ganselijk geen zin hebben, als de belijdenis der Vaderen door art. X, als zijnde uit de Schrift geput, buiten discussie wordt gezet en men van die grondslag uitging. Doch, wanneer dat niet 't geval is en de belijdenis der Vaderen als niet ten volle in overeenstemming met de Heilige Schrift wordt voorgesteld, wie kan zich dan nog beklagen over richtingen, die de kerkorde zelf zou op roepen, ook als zij er niet waren.
Kortom, is volgens art. X de belijdenis der Vaderen de belijdenis, waaruit de kerk geacht wordt te leven, en waaruit zij, voor zover zij leeft, ook leeft, dan kunnen de richtingen zich in de kerk niet laten gelden en zal het woord modaliteit mogelijk zin krijgen.
Is die interpretatie echter onjuist, dan kan men onmogelijk het zwijgen opleggen aan degenen, die de belijdenis der Vaderen willen eren, zoals zij dat deden, en roept men allerlei geesten op, die dat niet wensen.
Nog eens, een kerkelijk gesprek zou wel enig nut kunnen hebben, maar dan moet het gaan over de kerk en haar belijdenis. Dan moet men het aandurven de belijdenis op tafel te leggen en de kerkelijk ontoelaatbare dissonanten aangrijpen. Om een voorbeeld te noemen: Art. II der Ned. Geloofsbelijdenis belijdt een algemene openbaring. Toch laat men zonder meer toe, dat dit artikel openlijk wordt weersproken. Art. III v.v. belijdt aangaande de Heilige Schrift, dat de kerk haar ontvangt als Goddelijke Schriftuur, en dat zij dat doet op het getuigenis van de Heilige Geest. Toch laat men zelfs zonder tegenspraak toe, dat openlijk beschouwingen over de Heilige Schrift en Schriftgedeelten worden gegeven, welke met de belijdenis in flagrante strijd zijn.
Zo kan men ook op de leer der praedestinatie wijzen, die in de kerkelijk pers openlijk wordt verworpen.
Dit zijn enkele punten, waaronder voor alles het goddelijk gezag der Heilige Schrift wier betekenis voor het-kerkelijk gesprek en niet alleen maar voor het gesprek, van meer belang zou zijn dan lang te praten over modaliteiten en richtingen.
*) De kerkorde zegt: ambten, vergaderingen, organen en bedieningen zijn gehouden, etc.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's