ONDERWIJS
De zeventiende eeuw
I.
Eind 16e en begin 17e eeuw kunnen voor het grootste deel van ons land gelden als een overgangstijd op onderwijsgebied. En wel hierom, wijl de Roomse onderwijzers moesten vervangen worden door Protestantse. Het is bekend, dat op tal van plaatsen, vooral ten plattelande, de koster tevens schoolmeester was. Bleef de koster bij de Roomse religie, dan werd hij als zodanig ontslagen en tegelijk verviel dan zijn onderwijzerschap en hij moest z'n „ambtswoning" ontruimen. Dat ging lang niet altijd vrijwillig en meermalen moest de sterke arm er aan te pas komen. Wilden ze de Hervormde godsdienst aannemen, dan konden ze echter blijven als koster en als schoolmeester.
Het is me niet bekend, hoe groot het percentage was der overgangen : statistische gegevens staan ons nu eenmaal uit die tijd niet veel ter beschikking. Zeker is evenwel, dat er heel wat koster- en dus ook onderwijzersplaatsen open kwamen. In de regel bleef ook voor de nieuw-benoemden de combinatie der twee betrekkingen bestaan. Het viel niet mee in de eerste tijd, om de vacatures vervuld te krijgen. Lange tijd is er nog geklaagd over de school en de onderwijzers. Veelszins bleef het karakter der school nog geruime tijd „papistisch", zoals men het in die dagen noemde. En anderzijds, omdat men toch zoveel mogelijk de open gevallen plaatsen bezet wilde hebben, werd heel wat ongeschikt of minder geschikt personeel aangenomen.
Die ongeschiktheid betrof zowel de godsdienstige richting van de betrokkenen, als wel hun intellectuele ontwikkeling.
Een paar gevallen. (Zie Scheepstra : Beknopte Geschiedenis van het onderwijs en de opvoeding).
Eén sollicitant bleek een gedeserteerd soldaat te zijn, en toen dit bekend was, werd hij niet langer als sollicitant gehandhaafd.
Een andere schoolmeester was al een heel vreemdsoortig heer. Hij deed aan de „zwarte kunst"; hij werd echter daarom niet ontslagen, maar het uitoefenen van dit bedrijf werd hem verboden (door de predikant).
Nog weer een ander kon niet zingen of schrijven en het lezen ging hem maar zeer slecht af. Hij kreeg daarom het bevel naar de stad te gaan en zich in de genoemde vakken door bekwame leermeesters te doen onderwijzen en beter lezen, schrijven en zingen te leren.
In een plaatsje bij Groningen was de Schout tevens koster en schoolmeester. Hij was echter in de regel dronken, zodat er van onderwijs weinig terecht kwam. Toch klaagden de dorpelingen niet, omdat z'n vrouw tot aller tevredenheid de schooldienst waarnam.
In Noordlaren was het al hetzelfde. In geen twee jaar gaf de meester onderwijs. Hij was óf buiten het dorp, naar de stad, of hij was dronken. Hier bracht de echtgenote helaas geen uitkomst en de dorpsbewoners verlangden een andere meester.
In 't algemeen kan men zeggen, dat tot op het einde der 18e eeuw verschillende personen als onderwijzer optraden, die voor allerlei ondergeschikte baantjes als koetsier, palfrenier en dergelijke, niet meer deugden.
Gedurende tientallen jaren bleef er groot gebrek aan, zelfs voor die tijden, geschikte en voldoende onderlegde schoolmeesters.
Het ontbrak echter niet aan pogingen en maatregelen om Ie. bij de bestaande omstandigheden er nog van te maken wat men kon en 2e. om de ongewenste toestanden te verbeteren.
Niet het minst hebben de predikanten hier wel een belangrijke taak vervuld. Zij beschouwden zich trouwens als de natuurlijke opzieners der onderwijzers. De Synodes verplichtten bovendien de predikanten daartoe. Zelfs in tal van plaatsen, waar het stads- of dorpsbestuur zelf het bestuur en de inrichting der scholen regelde, werd de predikanten het toezicht op de scholen opgedragen. Niet het minst ging het er om, dat het onderwijs in Protestantse geest zou gegeven worden. Dan waren de predikanten wel het meest geschikt om daarop toe te zien. Bij het aanvaarden van hun ambt ondertekenden de meesters een soort formulier, waarbij zij hun instemming betuigden met de voornaamste leerstukken van de Hervormde godsdienst. En de Classes spoorden de predikanten voortdurend aan om toch vooral getrouw te zijn in het inspecteren der scholen, om te zorgen, dat het onderwijs gegeven werd in reformatorische geest. Toch bleef in tal van gemeenten de „autoriteit" aan de Magistraat, hetwelk haast bij elke gelegenheid weer eens uitgesproken werd. Zo verzocht het stadsbestuur van Arnhem in 1609 „aan de dienaren de» Goddelijken Woords, om de inspectie der scholen op| zich te willen nemen, blijvende; het disponeren over schoolzaken bij de Magistraat".
In sommige provinciën moesten de schoolmeesters minstens éénmaal per jaar voor d& classis verschijnen, om vragen over hun schoolwerk te beantwoorden.
Hier volgt de hoofdinhoud van zulk een stel vragen:
1. oefent ge ook enige nering of handwerk, uit, waardoor het geven van onderwijs belemmerd wordt?
2. geeft ge zelf onderwijs of laat ge het door een ander doen?
3. houdt gij de gewone tijd school? Houdt ge het morgen- en avondgebed?
4. leert ge de kinderen spellen, lezen en: schrijven ? Gebruikt ge bij het lezen een Evangelist, één der brieven. Psalmen, Spreukeifi of een ander stichtelijk historisch boek?
5. leert ge de kinderen de gewone hoofdstukken, het morgen- en avondgebed en de gebeden vóór en na het eten, de Catechismis, de eerste beginselen van de. Christelijke godsdienst? Laat ge de Schriftuurplaatsen van buiten leren?
6. wekt ge uw kinderen op tot welgemanierdheid ?
7. zorgt ge er voor, dat ze niet vloeken, zweren, dobbelen, kaartspelen, bijnamen geven? Geeft ge zelf een goed voorbeeld?
8. ziet ge wel toe, dat de Roomse kinderen de Gereformeerde geen aanstoot geven?
9. Wordt de schooldiscipline „met distinctie naar de jaren geoefend? "
Ik heb niet kunnen vinden, of het voldoende was de vragen met ja of neen te beantwoorden. De vragen zelf gaven wel aanleiding ïot het één of het ander. Een juist beeld van de zaken kan men op deze manier van vragen toch moeilijk krijgen.
Bekend is het gezegde — tegenwoordig hoort men het zoveel niet meer — „geen dominé in het schoolbestuur en geen schoolmeester in de kerkeraad". Ik geloof dat deze regel uit de nu geschetste tijd afkomstig kan zijn. De meesters gevoelden zich langzamerhand mannen, die niet alleen op school, maar ook daarbuiten wel een woordje mochten meespreken in de theologische aangelegenheden. Onderwezen ze niet dagelijks uit de Bijbel en uit de belijdenisgeschriften der kerk?
Wie zou er dan wèl op de hoogte zijn, als zij 't niet waren. Dat dit heel dikwijls tot twist en tweedracht en tot partijvorming in de gemeente leidde, is bekend genoeg. Ik vond vermeld, dat in 1615 — let wèl, midden in de twisten tussen Arminianen en Gomaristen — aan de schoolmeester Hendrick Esser te Arnhem verboden werd kerkelijke disputen over de predestinatie te houden. Dit moest hij maar aan de theologen van professie, aan de predikanten overlaten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's