De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

7 minuten leestijd

XV. BEGRAFENISSEN

   In het sterfhuis teruggekomen, begon het lieve leven van voren af aan.
   Weer het verzoek of zij hier nu ook eens wat zeggen mochten. Eén ding was duidelijk : Zij wilden het woord, des morgens gesproken, zoveel mogelijk vertreden en vertrappen.
   „Gaat u, voor in gebed !" was mijn antwoord. Dat had ik gezegd en het werd grif aanvaard. Er kwam wat los. Iets van de inhoud herinner ik mij nog. Men had het er over, dat men een ander nog wel de waarheid kon zeggen, maar wat het wezen zou : een ander de waarheid gezegd te hebben en er zelf nog voor eeuwig onder verloren te gaan. Dat sloeg dus op mij !
   Vervolgens las ik Klaagliederen 3 ; sprak er nog een ogenblik over en vroeg aan een oude man. uit Zeist, met wie ik aangenaam had kunnen spreken, of hij met gebed eindigen wilde.
   Dat deed hij en.... hoewel in ouderwetse terminologie ingekleed, was dat een heerlijk gebed. Ik kreeg het gevoel, dat hier de termen tenminste gemeend waren. Het was koud water voor een vermoeide ziel.
   Die trapte een ander onder het bidden niet in hel en verdoemenis.
   Ik stond op om heen te gaan ; gaf de we­ duwe met haar vader en de kinderen een hand en zei tot de man uit Zeist : „Ik zou u gaarne ook een hand geven, want uw gebed heeft mij verkwikt".
   Met een groet uit de verte tot de anderen ging ik heen.
   Deze begrafenis behoorde tot het verleden.
   Weet gij, wat „mijn volk" er van zei ? „Ja, domine had zich wel goed geweerd, maar toch hadden „die twee" nog meer „op hun kop" moeten hebben. Zo is het nu altijd. Men moet altijd met overwinningen thuis komen ; , anders deugt het niet. Ook mijn gemeenteleden vergaten, dat men op een begrafenis niet bijeenkomt, om te redetwisten.
   Tenslotte nog iets : Veertien dagen later ging het praatje door het dorp, dat de zuster van de overledene een nieuwe openbaring had ontvangen, dat „broerlief" toch Boven was.
   De natuur was ook hier sterker dan de leer. Het was er mij trouwens ook de leer naar. Zulke begrafenissen behoorden overigens tot de grote zeldzaamheden. Gelukkig maar !
  
   Er zijn gevallen, waarin een ambtsdrager heeft te bidden, niet alleen : „Heere, leer mij, wat ik spreken moet !" maar evenzeer :
   „Heere, leer mij, wat ik zwijgen moet !"
   Zoiets beleefde ik eens op de begrafenis van een oude, alleenwonende weduwe, die door haar eigen kleinzoon was vermoord uit dorst naar geld.
   De ganse familie was daar aanwezig, inbegrepen de ouders van de jonge moordenaar. Ik had een gevoel of mij de keel werd dicht gesnoerd. Wat moest ik hier zeggen ? Wat zwijgen ?
   De vermoorde vrouw kende ik van aanzien ; meer niet. De ouders van de schuldige woonden niet in mijn Gemeente.
   De leden der familie bewaarden tegenover elkander een ijzig stilzwijgen. Het was alsof de ban des Heeren in dat vertrek lag. Een demonisch drama had zich hier in huis afgespeeld. Wat heeft dat geld al een kwaad en een vloek teweeggebracht!
   Het Woord Gods werd opgeslagen en gelezen en daaruit gesproken en gewaarschuwd. De troostwoorden bestierven mij haast op de lippen, want het was mij of ik de schuldigen tegenover mij voelde.
   Zoals dat gewoonte was, moest ik meerijden naar het kerkhof. Dat was voor mij een heel zware tocht. Naarmate wij het dorp naderden, werd de mensenmenigte, die zich mee naar het kerkhof bewoog, hoe langer hoe dichter. Met een paar familieleden zat ik in één der rijtuigen en sprak geen woord. Ik had genoeg aan mij zelf.
   Daar zegt iemand, terwijl hij lette op de aangroeiende menigte, spontaan tot mij: „domine, wat moet dat moeilijk voor u zijn, om hier te spreken; ik voel dat zelf!"
   Eigenaardig, hoe sommige woorden ons treffen en tegelijkertijd vertroosten kunnen. God schonk mij hier geheel onverwacht iemand, die de zwaarte van mijn werk zo echt gemeend en eerlijk meevoelde. Door middel daarvan deelde Hij mij kracht en sterkte toe.
   Mijn aarzeling was nu weg. God had mijn gang en doel vastgemaakt. Met moeite konden wij uitstijgen. Toen ik die mensenmenigte zag, werd er iets in mij wakker, omdat ik wist dat honderden mensen gekomen waren aUeen vanwege de sensatie en om te horen wat een predikant van zoiets maakt.
   Ik heb gesproken over de woorden: „En om wat oorzaak sloeg hij hem dood? ", naar aanleiding van de broedermoord van Kaïn op Abel.
   Er werd gewaarschuwd voor de macht en de woede van de geldduivel, die in de harten woont van vele mensen, wie men het niet zou aanzien, vooral niet onder het mom van godsdienst.
   Alle ouders werden er op gewezen, om hun kinderen niet op te voeden in de eerste plaats voor geld verdienen en kapitaal verwerven, omdat die rijk willen worden, in menigerlei verzoekingen vallen.
   Wanneer er in de huisgezinnen altijd maar over geld gepraat wordt en winst maken, waar moet het dan anders op uitlopen : zo niet op moord en doodslag, dan toch op de meest afgunstige concurrentienijd?
   Aldus heb ik mijn gemoed ontlast. Want het moest er nu eens uit, dat bij velen alles draait om geld en anders niets.
   Den schuldige hebben wij aanbevolen aan Hem, Die voor de overtreders gebeden heeft eti ook de zodanigen nog vergeeft, wanneer zij tot schuldbelijdenis en erkenning van zonde worden gebracht.
   Na afloop dezer begrafenis ben ik naar huis gegaan. Die dag heb ik niet veel andere arbeid meer verricht. Het een met het al had mij nogal aangegrepen.
   In het stedeke L. had ik eens een vreemde begrafenis.
   Er was een vrouw gestorven, die de enige protestantse was in een Rooms gezin. Haar man was Rooms en de kinderen eveneens. Van haar kant had zij geen familie meer in leven. Deze vrouw was evenwel een trouwe kerkgangster geweest en haar man bleek dat ook in haar te eren, zoals Roomsen dat wel meer doen en de kerkse protestanten over het algemeen meer achten dan de onverschilligen.
   Alzo vroeg men mij op de begrafenis.
   Samen met een ouderling ben ik er heen gegaan. Ik vond het beter, in dit geval een ouderling mee te nemen, opdat de Kerk behoorlijk vertegenwoordigd; zou zijn.
   Wij traden binnen en vielen midden in een Roomse dienst (zonder pastoor of kapelaan dan). In de voorkamer lag alles op de knieën, rondom de lijkkist.    Stoelen waren verwijderd, om meer plaats te hebben. Zelfs de gang was propvol met neergeknielde mensen.
   Er was één voorbidder, die hardop las of bad. Dq andere aanwezigen vielen dan telkens in.
   Met de grootste moeite baanden wij ons een weg naar de achterkamer. Hier waren in rijen achter elkaar heel wat stoelen neergezet en wij hebben er maar geduldig gewacht totdat vóór alles afgelopen was. Nu kwamen de mensen eveneens naar de achterkamer.
   Wij condoleerden de man en de kinderen en nadat allen hun plaatsen hadden ingenomen, vroegen wij of wij konden beginnen. De weduwnaar
antwoordde toestemmend.
   Van tevoren had ik eerst wel overwogen, hoe ik deze begrafenis zou leiden. Het was toch iets buitengewoons : voorganger en ouderling protestant, verder alles Rooms. In stilte was mijn besluit gerijpt, om maar te doen precies als anders.- Als waren al mijn hoorders van hetzelfde geloof als ik.
   Het kwam mij onverstandig en ondienstig voor, om hier aan Roomse mensen nu eens een extra les te willen geven, m.a.w. bekeerlingen te willen maken uit de Roomse Kerk. Het dacht mij beter, de boog maar te spannen in eenvoudigheid.
   Ik nam dus Gods Woord, las daaruit een gedeelte en sprak daarover, eigenlijk precies, zoals ik dat voor een protestants gehoor doen zou. Alleen, toen ik de plaats aanhaalde uit Rom. 3 : „En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade door de verlossing, die in Christus Jezus is", kon ik niet nalaten, iets langer stil te staan bij de heerlijkheid van die uitspraak: „om niet". Dus niet geheel of half om onze werken, want zij brengen ons geen verdienste aan, al zullen de werken wel volgen, maar dan alleen als vruchten des geloofs. Christus heeft alles en alles verdiend voor ons.
   Ik kan niet anders zeggen, dan dat er met eerbied en blijkbaar ook met stille aandacht geluisterd werd.
   De ouderling heeft aan het graf nog een woord gesproken en, naar ik van anderen vernam, ongeveer in dezelfde toon.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's