De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE STUDIE-COMMISSIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE STUDIE-COMMISSIE

6 minuten leestijd

HET DIENSTBOEK

III.

   In de volgende alinea wordt gebeden „voor de plaats onzer inwoning, voor de zieken, voor de bitter bedroefden, voor verdrevenen en verdrukten, voor zeevarenden en reizenden".
   Een maatstaf, wanneer iemand „bitter bedroefd", of alleen maar „bedroefd" is, lijkt ons niet gemakkelijk aan te leggen. Wij zouden derhalve liever alleen van „bedroefden" willen spreken. Doch aan wie hebben wij bij de hiergenoemde „zieken" en „bedroefden" dan te denken ? Hun vermelding onmiddellijk na „de plaats onzer inwoning" zou tot de gevolgtrekking kunnen leiden, dat de zieken en bedroefden aldaar bedoeld zijn. Maar de „verdrevenen en verdrukten", de „zeevarenden en reizenden" zullen wij bezwaarlijk steeds met de plaats onzer inwoning in betrekking kunnen brengen, wijl wel niet in elke plaats in ons vaderland „verdrevenen" en „zeevarenden" zullen zijn. En wie moeten wij onder de „verdrevenen en verdrukten" verstaan ? Mensen, die door de politieke omstandigheden in Europa uit hun vaderland verdreven zijn en tengevolge van deze politieke omstandigheden verdrukking lijden ?
   Wij weten het niet, evenmin als wij weten, of met de „reizenden" alleen degenen bedoeld zijn, die uit hoofde van hun beroep, of om gewichtige redenen op reis zijn, dan wel ook degenen, die voor hun genoegen reizen. Wij wijzen echter op deze dingen om te doen uitkomen, hoe veel onzekerheden en onduidelijkheden in dit gebed voorkomen. Naar wij i menen, verdient zulks nergens, maar zeker niet in een gebed, aanbeveling.
   Door Gods gunst over ons is er in ons vaderland in onze tijd geen vervolging om des 1 geloofs wil. Doet het dan niet eigenaardig! aan, dat gebeden wordt „voor wie ons haten en vervolgen om Uw Naam" ? Het haten willen wij daar laten, doch van de Generale Synode, die het dienstboek aan de kerk in gebruik heeft gegeven, zouden wij wel eens concreet willen vernemen, wie zij bij degenen, die ons om de Naam van God vervolgen, op het oog heeft gehad. En zullen wij „voor wie ons haten en vervolgen om Uw Naam, voor wie buiten staan en dwalen" alleen maar bidden, dat Gij hen ten goede doet keren en hun gemoed verzacht" ?
   De uitdrukking „de gunst van het weder 1 is rekbaar en tamelijk weinig zeggend. Doch dat gebeden wordt om „het gedijen der veldvruchten" kan de vraag doen opkomen, of het de bedoeling is, dit gebed alleen in de lente en de zomer te gebruiken.
   Wat hebben wij verder te verstaan onder „loffelijke" redenen, waarom men afwezig kan zijn ? Zijn er ook geen redenen, die zonder „loffelijk" te zijn, toch wel wettig zijn ? En hoe sluit aan dit gebed, „voor wie om loffelijke redenen afwezig zijn", de daarop volgende bede aan, „dat Gij in Uw trouwe hoede ons wilt samenbrengen in het Rijk van Christus" ? De samenhang van dit „om loffelijke redenen afwezig zijn" en het „samengebracht worden in het Rijk van Christus" ontgaat ons.
   Aan het eind dezer voorbeden wordt gesproken van Christus, „door wien U met de Heilige Geest toekomt de lof en eer, de aanbidding en dankzegging in alle eeuwigheid". Wij trekken de theologische juistheid dezer zinsnede in twijfel. Allereerst kan men toch niet zeggen, dat aan God met de Heilige Geest de lof en eer en aanbidding toekomt „door Christus", wijl Christus volgens de belijdenisgeschriften Zelf één der drie personen van het Goddelijk Wezen is en de lof en eer en aanbidding aan God niet toekomt „door Christus", maar om Zijns- Zelfs wil.
   Ten tweede wordt in deze voorbeden „de Here" toegesproken. Dat is, naar onze mening, niet de Vader, maar de Drieënige God. Het lijkt ons dan een verwarring om te zeggen, dat „door Christus", de tweede Persoon van het Goddelijk Wezen, aan de Drieënige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, „met de Heilige Geest" de lof ep eer en aanbidding toekomt.
   Het thans volgende „voorbereidingsgebed" is opgesteld „naar Straatsburgse liturgie 1525" (vgl. blz. 38 van het dienstboek). Wij hebben niet kunnen nagaan, in hoeverre het met deze liturgie overeenkomt en in hoeverre in deze liturgie wijzigingen zijn aangebracht. Het gebed is wederom erg kort. Dat het de voorkeur zou verdienen boven het gebed van het oude Avondmaalsformulier, kunnen wij niet inzien.
   Voor het gebed voor de uitdeling en communie : „Heer(e), ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord en mijn ziel zal genezen worden", kunnen wij geen bewondering hebben. Het is een, naar ons oordeel, weinig gelukkige omvorming van het bekende woord van de hoofdman te Kapernaüm in Matth. 8:8: „Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord en mijn knecht zal genezen worden". De woorden : „en mijn knecht zal genezen worden" zijn dus veranderd in : „en mijn ziel zal genezen worden". Mooi kunnen wij deze verandering niet vinden. Maar de uitdrukking : „onder mijn dak inkomen" kan woordelijk alleen betekenen : „in mijn huis komen". In de mond van de heidense hoofdman is zij verstaanbaar. Doch bij het Avondmaal hebben, naar onze mening, de betuiging : „ik ben niet waérdig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen", en de woorden : „en mijn ziel zal genezen worden" tamelijk weinig met elkander te maken. Begeert bij het Avondmaal de gelovige juist niet, dat Christus met Zijn genade wel tot hem zal komen ?
   Het gebed staat cursief gedrukt. Dat wil zeggen, dat het facultatief is en naar verkiezing al of niet gebruikt kan worden. Wij vinden beter het maar geheel te laten vervallen.
   Het „gebed na de communie", dat het dankgebed van het oude formulier vervangt, is ontleend aan „Luther, Deutsche Messe 1525" (vgl. blz. 39 van het dienstboek). Dat dit gebed is opgenomen zal enerzijds wel hierin zijn oorzaak hebben, dat, gelijk op blz. IH van het „Ter inleiding" door de generale synode gezegd wordt, „in haar liturgie tot uitdrukking (komt), dat de Nederlandse Hervormde Kerk zich openbaring weet van de algemene Christelijke Kerk (Art. I van de kerkorde)" en dat „de generale synode gestreefd (heeft) naar vormen, die de mogelijkheid tot gemeenschap met andere kerken ook op het gebied van de eredienst openen".
   Anderzijds zal bij de opneming van dit gebed, evenals van telkens gedeelten of gebeden van andere liturgieën het motief hebben voorgezeten om in de formulieren zo veel mogelijk variatie aan te brengen.
   Wij zijn van mening, dat niet elke verandering een verbetering is en dat met name het derde formulier voor het Heilig Avondmaal door de opname van gedeelten van andere liturgieën vrij sterk een compilatie-werk is geworden, dat wij, gelijk uit de ingebrachte bezwaren blijkt, weinig geslaagd achten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE STUDIE-COMMISSIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's