WIJZIGINGEN, DIE HET DIENSTBOEK VOORSTELT IN HET AVONDMAALSFORMULIER
Het Avondmaalsgebed
De commissie voor het dienstboek in ontwerp heeft ook gemeend om het Avondmaalsgebed uit elkaar te moeten scheuren.
In dit gebed vraagt de bidder om te mogen ontvangen in het Sacrament, wat het Sacrament toezegt. Als het formulier heeft ingeleid in de geheimnissen van dit Sacrament wordt de bede om de zegen van de viering van het Avondmaal opgezonden. Wie dit gebed aandachtig leest en meebidt vraagt daar om de mystieke geloofsvereniging met Christus. Als van zelf gaat dan dit verheven gebed over in het allervolmaakste gebed, dat de Heere Jezus ons heeft leren bidden. De bidder heeft behoefte om met de woorden van de goddelijke Voorbidder te uiten, wat in deze heilige stonde in zijn hart leeft. Waar kan het „Onze Vader" meer gepast worden gebruikt dan in zulk een Avondmaalsgebed. Daarom heeft het enigszins het karakter van amputatie, als men het „Onze Vader" van deze plaats wegrukt. De schrapping van het allervolmaakste gebed op deze plaats zal een pijnlijk gemis veroorzaken, want het Avondmaalsgebed bereikt zijn hoogtepunt in het „Onze Vader".
Er blijkt weer opnieuw, dat het aanbrengen van wijzigingen in de klassieke formulieren door de kinderen van onze tijd vaak het karakter heeft van ruw ingrijpen in de weldoordachte en verheven formulieren uit de bloeitijd van Reformatorisch geestelijk leven. Het ontbreekt onze tijd, aan diepte en kracht van geestelijk leven om formulieren te scheppen, die ook maar enigszins de klassieke formulieren zouden kunnen benaderen. Dat we dan de scheppingen onzer vaderen uit de Reformatorische tijd ongerept laten.
Men wil voorts ook de Apostolische belijdenis af knippen van het Avondmaalsgebed en dit een andere plaats geven in het formulier. In ons gebruikelijke formulier vindt deze belijdenis ook een plaats in het gebed. Soms vindt men het ook wel onmiddellijk na het gebed. Hoogstwaarschijnlijk zal het wel de bedoeling zijn om deze artikelen op te nemen in het gebed, omdat ze worden ingeleid door de woorden: Wil ons ook door dit Heilig Avondmaal sterken in het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof, waarvan we belijdenis doen met mond en hart, sprekende: Ik geloof enz.
In het dienstboek in ontwerp worden deze artikelen echter vóór dit gebed geplaatst. De geloofsbelijdenis volgt dan op de vermaning, waarin o.a. er op gewezen wordt dat Christus ons geloof en vertrouwen op Zijn volkomen offerande, die eenmaal aan het kruis geschied is, als op de enige grond en fundament onzer zaligheid wijst. De opstellers van ons Avondmaalsformulier richten onze gedachten hier op het doel van de viering van dit Sacrament, n.l. de versterking van het geloof en tevens het metterdaad bewijzen van Christelijke liefde jegens elkander. Volgens de orde in het dienstboek in ontwerp; voorgesteld, zal men dan onmiddellijk ook zijn geloof belijden met de woorden van de Apostolische geloofsbelijdenis. Men leeft hier dus uit de gedachte, dat het geloof aanwezig is, want men spreekt dit uit, terwijl men juist tot het Avondmaal komt om in dit geloof gesterkt te worden.
Wat is het nu zielkundig juister en meer in overeenstemming met de praktijk van hel geestelijke leven, wanneer men de orde van het oude gebruikelijke formulier in ogenschouw neemt? Daar volgt op de vermaning, waarin we gewezen worden op het doel van het Heilig Avondmaal, n.l. de versterking van het geloof, nog geen belijdenis van het geloof, maar het gebed, waarin gebeden wordt, dat de barmhartige God en Vader in dit Avondmaal door Zijn Heilige Geest in onze harten wil werken, dat we ons met waarachtig vertrouwen aan Zijn Zoon Jezus Christus hoe langer hoe meer overgeven. Daar volgt op de vermaning geen belijdenis, maar een bede om in het geloof in Christus gesterkt te mógen worden. Dit gebed eindigt dan met de bede om sterking in het algemeen ongetwijfeld geloof,, waarvan dan belijdenis gedaan wordt met mond en hart.
Het wil me voorkomen, dat het bij de viering van het H. Avondmaal juister en meer overeenkomstig het karakter van dit Sacrament is om de Apostolische belijdenis in het gebed op te nemen, aangezien de bedoeling van het Sacrament is de versterking van het geloof. Het lijkt me verbreking van de logische orde in het formulier, wanneer de geloofsbelijdenis uit het gebed uitgelicht wordt. Ook deze voorgestelde wijziging kan men niet als een verbetering beschouwen. Men late de formulieren uit de bloeitijd onzer Kerk onaangetast. Hoe meer men in deze formulieren graaft, hoe meer men in hen vindt. Deze schatten der Kerk late men onaangeroerd.
Het is met onze oude formulieren als met de gothische kunst. Men tracht in onze tegenwoordige dagen nog wel eens gothische kunst te scheppen bij de restauratie van oude gebouwen. Maar ik heb door een deskundige op dat gebied horen verklaren, dat onze tegenwoordige tijd niet bij machte is om gothische kunst te scheppen. Hetzelfde zou ik willen beweren ten opzichte van onze klassieke formulieren.
In het gebed voor het Avondmaal is ook een wijziging aangebracht, waarvan betwijfeld mag worden, of ze een verbetering genoemd kan worden. In plaats van het woord „werken" is nu „bewerken" gekomen. Voortaan zal nu gebeden worden, of de barmhartige God en Vader in dit Avondmaal door Zijn Heilige Geest wil bewerken, dat wij ons met waarachtig vertrouwen aan Zijn Zoon Jezus Christus hoe langer hoe meer overgeven. Het woord bewerken onderstelt, dat er een stof of persoon is, die bewerkt moet worden. De stof is aanwezig en daaraan moet nu een andere vorm gegeven worden. Laat nu de bewerking nog zo intens en ingrijpend zijn, zodat in het nieuwe, dat ontstaat het oude bijkans niet meer terug te vinden is, in wezen blijft er niettegenstaande de bewerking toch het oude. Tevergeefs zal men dan ook in de Heilige Schrift zoeken naar het woord „bewerken" als omschrijving van het werk, dat de Heilige Geest in het hart van de mens verricht. Gods Geest schept in de mens iets nieuws. God bewerkt de mens niet, maar Hij werkt in hem de wedergeboorte en vernieuwing des levens. Hij werkt alles in allen. Daarom zegt ook de Heidelbergse Catechismus in Zondag 25, dat de Heilige Geest het geloof in onze harten werkt door de verkondiging van het Heilig Evangelie, en het sterkt door het gebruik van de Sacramenten. Tegen het gebruik van het woord bewerken hebben we dus bezwaar, omdat de Heilige Schrift en de belijdenis het niet kennen en het ook niet juist het werk van de Heilige Geest in de mens typeert. Het woord bewerken met de mens als object doet eerder denken aan beïnvloeden dan aan de machtige onwederstandelijke werking des Geestes in de mens.
Na het Avondmaalsgebed worden voorbeden ingelast. Welke motieven de commissie er toe hebben geleid om deze voorbeden, die met geen enkel woord heenwijzen naar het Heilig Avondmaal hier tussen te schuiven laat zich moeilijk gissen. De aandacht wordt door deze voorbeden geheel van het Heilig Avondmaal afgeleid. Wie het formulier van het Avondmaal aandachtig leest en geestelijk beleeft, gevoelt, dat de spanning aan het eind van het Avondmaalsgebed haar hoogtepunt heeft bereikt. Na het gebed volgt dan het sursum corda, verheft de harten, en onmiddellijk daarop de viering van het Heilig Avondmaal. Moet men het nu niet als een feil in de leiding der gemeente gevoelen, als men in deze geestelijke spanning de aandacht der gemeente juist van het Avondmaal afvoert? Deze voorbeden voor alle nood der christenheid moeten in de godsdienstoefening een andere plaats hebben. Bij de Avondmaalsviering moeten de harten alleen gericht worden op de gedachtenis van het lijden en sterven van onze Heere Jezus Christus. En alles wat ons daarvan kan aftrekken moet gemeden worden. Bovendien mag wel in aanmerking genomen, dat het formulier voor het Avondmaal reeds veel van de aandacht en de spanning vergt, zodat een verlenging van dit formulier afgewezen moet worden.
Wanneer men nu deze ingelaste voorbede leest, bemerkt men onmiddellijk, dat dit geen voortbrengsel is van de tegenwoordige tijd. De vorm en de inhoud plaatsen ons terug in de dagen van het stoere Reformatorische geestelijke leven en toestanden. Niemand in onze dagen zou zulk een gebed uitspreken of neerschrijven. Dit gebed roept de dagen van geweldige strijd der Kerk en vervolging der christenheid ons voor ogen. In onze mond zullen sommige zinsneden onwaarachtig aandoen. Dat neemt niet weg, dat zulke stoere en aangrijpende gebeden uit een tijd van krachtig geestelijk leven ons eigen gebed kunnen verrijken en anderen daardoor troosten.
Nu wordt dit gebed in ons dienstboek in ontwerp aangediend als „naar de catechismus van Geneve". We hebben de moeite genomen om de catechismus van Geneve er op na te slaan. Maar tevergeefs hebben we getracht dit gebed op de aangegeven plaats te vinden. Bij het nalezen van een gebed van Calvijn op de vermelde plaats treft men wel een gebed aan ten gebruike voor de Kerken, maar niet deze voorbede. Uit het gebed van Calvijn is slechts overgenomen het beeld van de grijpende wolven en van de huurlingen. Voor het overige is mij vani enige overeenkomst niet gebleken. Nadere informaties, die ingewonnen zijn, hielden de erkenning in, dat dit gebed een verkorting is van het „Gebed voor alle nood" in het oude Kerkboek der Ned. Herv. Kerk met een kleine wijziging naar de catechismus van Geneve.
Maar nu rijst toch de vraag, waarom laat de commissie voor het dienstboek onder dit gebed plaatsen, dat het naar de catechismus van Geneve is, terwijl het niet van de hand van Calvijn is. Hier is zeker een vergissing in het spel. Laat deze dan hersteld worden. Want dit gebed kan onmogelijk doorgaan voor een gebed van Calvijn uit de catechismus van Geneve.
Intussen blijkt hieruit, dat het goed is, dat men het werk van de commissie voor het dienstboek toch naspeurt. Ook deze commissie blijkt feilbaar te zijn. Onder de naam van Calvijn wordt bedektelijk ingevoerd, hetgeen toch niet van Calvijn is. Men had een minder goede vlag kunnen kiezen. Het doet ons genoegen, dat de grote hervormer Calvijn op deze v/ijze toch weer door de commissie geëerd wordt.
Het valt ook op, dat het in ieders vrijheid wordt gelaten om de woorden der inzetting tijdens de bediening te bekorten. In oudere formulieren mist men wel de woorden: Neemt, eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam onzes Heeren Jezus Christus gebroken is tot een volkomen verzoening van al onze zonden. Eveneens kan dan wegvallen de zinsnede: Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft, dat het dierbaar bloed onzes Heeren Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening van al onze zonden.
Het zou verarming worden, indien bij de bediening deze woorden achterwege gelaten zouden worden. Ze roepen bij ons de gestalte op van de goddelijke Gastheer, Die als met eigen hand brood en beker toereikt en dan spreekt van de verzoening in Zijn bloed. Bij dit hoogtepunt in de viering van het Heilig Avondmaal worde gewezen op het gebroken lichaam en het vergoten bloed van Christus, welke beide de grond van onze verzoening zijn.
A. Luteijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's