EEN DOMINE VERTELT
GROTE BEGRAFENISSEN
ld.
En nu ga ik u iets vertellen van de begrafenissen, die ik als hulpprediker in bedoelde Gemeente heb meegemaakt en wel in 't bijzonder datgene, wat aldaar mijn aandacht trok.
Mijn eerste begrafenis was direct al een zeer grote. Wij waren bijeen in een flink boerenhuis. Het was er stampvol. De familie van de overledene zat in de keukenkamer onder en in de buurt van de ouderwetse schoorsteen. In vroeger jaren brandde daar een vuur in de open haard ; thans echter niet meer. De keuken was al ietwat gemoderniseerd.
De „delle", waarin de winter de beesten stonden, die nu liepen te grazen in de wei, was bezet met lange tafels, waaraan de mensen zaten in dichte rijen. Sommigen konden ook hier geen zitplaats meer vinden.
Een korte gang, die eveneens vol stond met stoelen, verbond keukenkamer en delle.
Wat waren dat toch allen voor mensen ? In de eerste plaats familieleden van de overledene, de familieband doorgetrokken tot in de verste graad. Dan volgden direct de naaste buren en daarna de vrienden en kennissen.
Vooral de buren voelden zich hier op hun terrein. Het was immers burenplicht, voor alles te zorgen : het lijk af te leggen en straks naar het graf te dragen en verder allerlei dingen te regelen, waar de familie buiten moest blijven.
Zeer zeker zit hier een schone gedachte in, namelijk : van hulpvaardig met elkander meeleven. Maar usantiën van eeuwen her kunnen tenslotte ook wel eens drukkend worden, wanneer een familie er op staat, in sommige aangelegenheden zich hare vrijheid voor te behouden, hetgeen toch haar goed recht is. In dat geval voelen de buren zich verongelijkt en de „schender van oude volksgebruiken staat als zodanig min of meer gebrandmerkt".
Voor mij deed zich bij het binnenkomen de volgende vraag voor : Waar zal ik gaan staan om te lezen en te spreken ?
Wanneer oudtijds een veldslag geleverd zou worden, was de opstelling van de generale staf altijd een zaak van gewicht. En nu vormt een dominee op zich zelf wel geen generale staf, maar hij heeft daar toch meestal bij zich een drietal ouderlingen en een paar diakenen (want de Kerkeraad, wil vertegenwoordigd zijn) en het is voor hem een belangrijke zaak: Waar moet hij gaan staan ? Van zitten kan hier in deze mensenbijenkorf geen sprake zijn.
Kiest hij zijn standplaats in de keukenkamer, hetgeen voor de hand zou liggen, omdat daar toch de familie zit, dan zal men zeggen : ,,Zo könne wiej 't op de delle neet verstaon!" Dat zal dan een waar woord zijn, aangezien mijn stem niet door de muren dringt. Daarom wordt dus gekozen : de gang ; en wel : het midden daarvan. Van daaruit kan ik zien in de hoek van de keuken, aan de ene kant en , aan de andere kant mijn blik werpen tot ver over de delle. Een ieder zal dus wel wat opvangen van mijn geluid.
En nu dominee, in 's Heeren kracht er dan maar op los, want er zitten er een paar honderd, die „besproken" moeten worden en die doodstil en ietwat gespannen wachten op de dingen, die komen zullen.
Een andere begrafenis. Eerst een uur lopen er heen. Ditmaal was er niemand, die aanbood, mij te halen. Terug kon ik wel meerijden, maar dan in een koude „kleedwagen" bij de vrouwen. Ik verkoos het lopen, aangezien ik, van 't spreken warm, door.de buitengewone inspanning, liever wat in beweging bleef. Overigens reden de voerlui vrij snel, zodat ik tenslotte wel een beetje moeite had, mee te komen ; maar het ging.
Weer een andere begrafenis. Dat was niet in een boerenhuis, maar in een gewone burgerwoning, midden in de plaats. Hier was het voor mij de eerste vraag : „Hoe kom ik er in ? " Hier zal alles werkelijk mudvol. De mensen stonden buiten en zaten opgepakt binnen. Toen ik binnen trachtte te komen, ging er een gemompel door de rijen: „doomie!" Maar het was als een zacht gemurmel van de een of andere binnenzee, die zich langzaam stil ter ruste legt.
Men keek en ik keek of wij ergens door konden. Maar neen ! Men leefde hier blijkbaar naar het motto : „laat zitten wat zit". Waarbij sommigen dan nog een extra devies op het voorhoofd droegen : „Een sterk mens, die mij van mijn stoel krijgt !"
Wat moesten wij hier beginnen ? Daar zie ik plotseling, dat het aan een broeder ouderling gelukt is, een „doorbraak" te forceren, want daar zit hij mij in de verte zelfs op een stoel. Toen brak ik ook door, want er ontstak iets in mij en het was, eerlijk gezegd, niet veel goeds.
Ik slaagde er in, achter onze broeder te komen en zie daar : hij bood mij zijn stoel aan. Dat was goed bedoeld, maar.... zitten zou voor mij niet gaan ; ik moest maar liever blijven staan.
Nog iets verder doorgedrongen, kreeg ik juist een hoek van het een of andere penantkastje in mijn rug. Toch was dat het meest geschikte terrein voor spreekplaats en vandaar uit heb ik dan ook de rouwdienst geleid, het lichaam ietwat voorover gebogen vanwege die scherpe hoek.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's