SCHRIFTGELOOF EN SCHRIFTBESCHOUWING
Men kan het met ds. Buskes niet altijd eens zijn. Hij schrijft helder en geestig en slaat dikwijls de spijker op de kop. En wie zal 't hem kwalijk nemen, dat hij deze spijker ook wel eens krom slaat ?
In het laatste nummer van „In de Waagschaal" handelt hij over de toenadering van de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk. Wat ons daarin het meeste treft, is zijn bewering, dat die toenadering een ernstige hinderpaal ontmoet in wat hij noemt het „fundamentalisme". Intussen merkt hij op, dat hij die term naar aanleiding van Berkhouwers bezwaren wil laten vallen. „Tussen ons en de Gereformeerde Kerken ligt Assen en de Schriftbeschouwing van Assen" ; zegt hij. Dat ons ziet wellicht vooral op de groep Geelkerken, maar het wordt door heel het stuk heen toch eigenlijk uitgebreid over Hervormden in bredere zin, zij het dan ook, dat hij er rekening mee houdt, dat er ook nog Hervormden zijn, die niet onder de genoemde ons worden begrepen. Hij tekent de zaken alleen wat eenzijdig van de kant van de Gereformeerde Kerken, bijzonderlijk van Assen uit.
„De Gereformeerde Kerken, " zo zegt hij o.a., „zullen nooit bereid zijn met de Hervormde Kerk één te worden, tenzij deze de Schriftbeschouwing van de Vrije Universiteit en van Kampen, de Neo-Calvinistische — ik gebruik dit woord zonder enige denigratie — accepteert en allen van de kansel weert, die een andere Schriftbeschouwing hebben".
Deze formulering zal door de Gereformeerde Kerken, naar wij onderstellen, zó niet worden overgenomen. Doch wat de zaak aangaat, heeft ds. Buskes gelijk. De Schriftwaardering maakt scheiding tussen de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk, welke ds. Buskes zich voorstelt.
De Gereformeerden mogen dan zeggen : „Tussen u en ons ligt de Schrift". Ds. Buskes corrigeert z.i. de „Schriftbeschouwing".
De vraag is, of dit een correctie is. Moet men niet van Schriftgeloof spreken en wordt de zaak door ds. Buskes wel helemaal zuiver gesteld ?
Het is wel waar, dat hij in verband met de Schriftbeschouwing telkens alleen personen noemt : Gunning, Karl Barth, prof. Miskotte, prof. van Ruler, ds. Petri, dr. Berkhof. Noemde hij zo even de „Gereformeerde Kerken" en „de Hervormde Kerk", hij houdt zich aan de veilige kant door niet te zeggen, dat de Schriftbeschouwing tussen de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk ligt. Hij ontwijkt de bewering, dat de eerstgenoemde Kerken een andere Schriftbeschouwing hebben als de Hervormde Kerk.
Neen, hij spreekt van de Gereformeerden en ons (t.w. ds. Buskes en de door hem genoemde theologen, waaronder Karl Barth, die niet tot de Hervormde Kerk behoort). Hij heeft vooral het oog op een aantal theologische woordvoeders en die Hervormden, die geacht worden achter hen te staan.
Onder dit aspect moet men de volgende zinsnede verstaan : „Eén worden", zo schrijft hij, „met de Hervormde Kerk is voor de Gereformeerde Kerken alleen mogelijk, indien wij bereid zijn het grootste gedeelte van onze Hervormde Kerk af te schrijven". Let wel : indien wij bereid zijn. Wie zijn die wij ? Hij zegt niet, indien de „Hervormde Kerk" bereid is dit of dat te doen, maar hij ziet op een wij-groep, die klaarblijkelijk door een nietgereformeerde Schriftbeschouwing wordt bepaald.
Of dit „het grootste gedeelte van onze Hervormde Kerk" zou omvatten, zou nog te bezien staan, want het geloof van de gemeente wordt waarliijk niet bepaald door overwegingen van de genoemde theologen. De gemeente leeft niet uit een Schriftbeschouwing, maar uit de Schrift.
Schriftbeschouwing is bovendien nog iets anders dan Schriftgeloof. De gemeente leeft uit het geloof der Schriften en doet ook belijdenis van haar geloof aangaande de Heilige Schrift. Deze belijdenis kan men maar niet zonder meer een Schriftbeschouwing heten.
Wat ds. Buskes opmerkt omtrent de Schriftbeschouwing van dr. Kuyper, van de Vrije Universiteit en van Kampen, klinkt aan de andere zijde weinig kerkelijk. Ik veronderstel althans, dat de Gereformeerde Kerken op de gereformeerde geloofsbelijdenis zouden wijzen.
En ik houd mij ook overtuigd, dat een appèl op de belijdenis aangaande de Heilige Schrift in de Hervormde Kerk meer kracht zou hebben dan een beroep op theologische beschouwingen, die in concrete gestalte aan de gemeente voorgelegd, aan het licht zouden brengen, dat fundamentele stukken des geloofs daarbij in het geding zijn, welke de gemeente niet kan prijsgeven.
Het is daarom, dat ik het moet betwijfelen, of het grootste deel der Hervormde Kerk zou worden afgeschreven, indien zij op het stuk der Schrift de belijdenis gestand deed.
Want daarop komt het eigenlijk neer. Als het gaat over het vergelijk tussen twee kerkgemeenschappen, dan gaat het over haar confessie en de handhaving daarvan. De Gereformeerde Kerken zouden tegenover de Hervormde Kerk geen beroep hebben op dr. Kuyper, de Vrije Universiteit, of op Kampen, maar op de ^belijdenis der Drie Formulieren van Enigheid.
Dat de Hervormde Kerk er een belijdenisformulier bij gewonnen heeft in de Catechismus van Geneve, zou geen moeite veroorzaken, maar de interpretatie van artikel X der Kerkorde zou van groot belang zijn.
En om dit ongenoemde artikel en haar interpretatie draait in feite het ganse betoog van ds. Buskes, hoewel hij daarover het rookgordijn der Schriftbeschouwing verspreidt.
Als er gehandeld wordt over de toenadering der Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk, kan het waarlijk niet gaan over de Schriftbeschouwing van ds. Buskes, en van prof. die en die, maar over de betekenis van art. X der Kerkorde.
Aanvaardt artikel X de daarin genoemde belijdenisgeschriften als kerkelijke belijdenis, dan is er geen twijfel omtrent de „Schriftbeschouwing" der Hervormde Kerk, want zij doet daarin belijdenis omtrent de Heilige Schrift, welke zij als goddelijke Schriftuur ontvangt.
Hoe nauw deze belijdenis en de inhoud van het geheel der Confessie saamhangen, is voor een ieder, die zich daarvan rekenschap wil geven, duidelijk genoeg. Wie de Heilige Schrift aanvaardt in gemeenschap des geloois met de Vaderen, zal ook in de overige stukken die gemeenschap vinden en daarmede instemmen. Niet de Schriftbeschouwing, maar het Schriftgeloof is daarbij aan het woord, en wel op een beslissende wijze.
De Schrift bezit door geen ander recht volledig gezag bij de gelovigen, dan wannaer zij geloven, dat zij uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar gehoord werden. (Calvijn 1.7.1).
Daarom nog eens, het is geen zaak van Schriftbeschouwing, maar van Schriftgeloof, of kortweg van geloof. Het waarachtig geloof is het geloof in de God der Schriften.
Het geloof, waarvan de Heilige Schrift de enige regel is, is Schriftgeloof. Dat heeft ook met theoriën als mechanische en organische inspiratie niets te maken, omdat de weg Gods verborgen is.
Aanvaardt artikel X der Kerkorde de confessie der vaderen als ligitieme belijdenis der Hervormde Kerk, dan kan dit worden aangevoerd tegen het betoog van ds. Buskes.
Men beweert immers van zekere zijde gaarne, dat met de nieuwe Kerkorde de belijdenis der vaderen niet aan de kant is gezet.
Of wil art. X zo geïnterpreteerd zijn, dat niet de Heilige Schrift, maar de wijze, waarop men de Heilige Schrift meent te kunnen beschouwen, grondslag en regel voor het kerkelijk leven is ?
Het ligt voor de hand, dat de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift dan even subjectief en rekkelijk is als de beschouwelijkheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's