IN GODS HEILIGDOMMEN
"Totdat ik in Gods heiligdommen inging". Ik zal dan geduriglijk bij U zijn; Gij hebt mijn rechterhand gevat; Gij zult mij leiden door Uw raad; en daarna zult Gij mij (in) heerlijkheid opnemen" Psalm 73: 17a, 23, 24.
II.
En nu mogen en willen wij hiermee deze grote zonden van de gelovigen niet goed praten, of op de rug van de satan of de oude mens schrijven.
Toch mogen we blij zijn dat Asaf zo openhartig is voor God en mensen om ze oprecht te belijden. Hij laat ons als het ware in dat hart zien wat daar leeft in zijn binnenste, zonder z'n gedrag goed te keuren.
Niet eindeloos gelukkig heeft hij in de doolhof van eigen zondige gedachten verkeerd en rondgezworven ver van zijn God op zondige dwaalwegen. Dit duurde — zegt de berijming — tot ik uit die drom van nevelen ging in het heiligdom, om met de Godsspraak raad te plegen. Dat was de ommekeer ! Toen kwam de verandering ! Tóén zag hij de dingen in eeuwigheidslicht werkelijk, zoals ze waren. Ja, toen ging hem opnieuw Gods licht op in de duisternis en leerde hij eigen zondige wegen en Gods goedheid en recht weer kennen.
Zelfkennis en Godskennis werd daar geleerd !
Daar kwam zijn gefolterde en moegejaagde ziel weer tot rust. Zijn aangevochten gemoed keert daar tot hare ruste weder. Hij- is verlost. God heeft hem welgedaan ! En zo worden daar de gebalde vuisten tot gevouwen handen en leert hij zijn God danken voor z'n redding uit alle nood. Zijn oog wordt verlicht en de nevelen worden opgeklaard.
En dan ziet hij bij Geesteslicht hoe de goddelozen op gladde plaatsen worden gesteld en straks in eeuwige verwoesting neerstorten.
Wat baat hen dan al die rijkdom en voorspoed ? Zij kunnen er niets van medenemen. Ze moeten 't al aan anderen overlaten !
Als hij zo in het heiligdom Gods onderwezen mag worden ziet hij 's Heren wijsheid en goedheid weer heerlijk blinken in Zijn wereldbestuur. Zijn majesteit en heerlijkheid in al Zijn weg en werk.
Bij datzelfde licht, dat hem opgaat over 's Heeren wegen ziet hij nu ook de dwaasheid en zondigheid van eigen weg en werk.
Zo leert hij voor Gods Aangezicht z'n onvernuftig gedrag verfoeien. Hoe kon hij toch zo dwaas oordelen ! Hoe goddeloos toch om zo iets kwaads te denken van die goede God !
Hoe onredelijk is toch z'n ontevredenheid over eigen weg en toestand.
Ja, nu ziet hij het : In de verzoeking en strijd wa.^ hem de helm der hoop van z'n' hoofd gegleden. Het schild des geloofs was hem onbruikbaar geworden. De zwakke zijde van zijn hart, n.l. z'n wereldliefde en wereldgezindheid waren nu openbaar gekomen. Smadelijk zou hij voor eeuwig zijn uitgegleden en omgekomen als er niet te rechter tijd van Gods kant hulp gekomen was. Toen hij aan de rand der vertwijfeling bijna in het verderf was gestort, heeft God — ter elfder ure —• ingegrepen. Of liever : God greep hem bij z'n rechterhand : „Gij hebt mijn rechterhand gevat", zo belijdt en erkent hij ootmoedig. Hij had die hand Gods losgelaten. Daarom, was hij zo ver afgedwaald.
Daarover schaamt hij zich nu grondig en belijdt oprecht z'n zondige afdwaling. Met droefheid in de ziel schreit hij zijn ongehoorzaamheid en schuld voor de Heere uit.
En zie op diezelfde plaats leert hij het oud vertrouwen weer voeden. Daar vindt hij ook de zoete en zalige gemeenschap met zijn God weer terug ! Zo kiest hij daar door Gods genade vóór de Here en tégen, de wereld met al haar begeerlijkheden. Hij wil nooit meer terug noch met die anderen oversteken ! Het is hem nu goed nabij God te zijn. Hij wenst er geduriglijk te blijven. Want daar kan hij in 't geloof met al zijn zorgen en moeiten een weg vinden. Zo is het hem goed voor zijn geprangd gemoed.
Nu was — na zijn zondebelijdenis — de ban tussen God en z'n ziel en de breuk met God weer opgeheven. Hij was weer een kind van God bemind, dicht bij Hem. En toch was er, uitwendig niets veranderd !
De rijken zijn niet armer geworden en de armen zijn niet rijker.
De wereld heeft haar schatten niet verloren en Gods kerk is haar kruis niet kwijt.
De moeiten zijn hem ook later niet gespaard gebleven, maar zijn gezicht er op en zijn oordeel er over is nu geheel anders !
Inwendig — ja — daar was veel ten goede gewijzigd. Zijn hart is niet meer opstandig, maar gewillig en ootmoedig gemaakt. Zijn hele zielsgesteldheid is nu een andere geworden door die aanraking en terughaling Gods.
Daar is geworsteld in deze ziel — wat meer is — ook óm deze ziel!
Ik heb voor u gebeden — zegt Christus tot Zijn jongeren — dat uw geloof niet ophoude! Asaf was als een Petrus op de ruwe golven: Toen hij dreigde weg te zinken, ziende op zichzelf, greep Christus hem bij de hand!
Ziedaar het wonder Gods ! „Gij hebt mijn rechterhand gevat".
God moet daarin altijd weer de Éérste zijn en blijven. Zo mogen zij niet in het vlees betrouwen noch roemen, maar alleen steunen op Zijn kracht en roemen in vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog om op hen neer te zien.
Ziedaar het vrijmachtige werk Gods, jvaardoor Hij Zich in zondaren verheerlijkt !
Weet ge wat het ook zeggen wil, als God onze rechterhand grijpt? Die hand, die wij in brute overmoed tegen de hoge God durven opheffen, als beeld van onze kracht en wijsheid, grijpt Hij in Zijn genade. Daarmee is het met onze kracht en wijsheid dan ook gelijk en finaal uit! 't Blijkt zwakheid en dwaasheid te zijn, wat we zélf bezitten! Dan moeten wij de strijd opgeven en ónze wapens, die we tegen Hem gesteld hebben, inleveren. Dan worden we als een overwonnene gebracht op de knieën aan Zijn troon. Dan moet al onze eigengerechtigheid en werkheiligheid er aan ! Het trotse „Ik" lijdt de nederlaag. Dan heb ik het niet meer voor het zeggen, maar leer ootmoedig vragen: „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal". Maar dat is dan ook meteen het begin van de verlossing en zaligheid. Dan leert men geduldig en lijdzaam volgen. Zo belijdt Asaf het hier: „Gij zult mij leiden door Uw raad". Weer dat Gij vóórop! Geheel gewillig gemaakt, leert men eigen raad opgeven en in Gods beleid berusten. De bede blijft : Leer mij Heere, Uw weg. Wijs mij die aan en leidt mij in het spoor der gerechtigheid". Mijn weg is niet goed en mijn raad en wil heeft afgedaan. „Houdt Gij maar mijn handen met kracht omvat. Geef mij Uw vast geleide op 't smalle pad!"
Wat God grijpt, dat heeft Hij eeuwig en wat Hij heeft, dat houdt Hij vast!
Hij brengt terecht, wat Hem verliet en vergat.
Dat is een zekere en veilige weg, die voert naar het eeuwige behoud. Het lijkt oneervol en moeilijk, maar niets is heerlijker dan dat men geheel en al voor rekening ligt van Hem, Die alle dingen weet en alle macht heeft in hemel en op aarde.
Zie, dan — wanneer we ons in vertrouwensvolle overgave aan Hem leren overgeven — kunnen we ook zeker zijn van de toekomst onzer ziel. Want zo luidt het tenslotte: „Daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen". Na de gemeenschap met God, de steun op Hem en de gewisheid van Zijn leiding komt hier de hope der heerlijkheid Gods, waarin de dichter mag roemen. De verwachting van het eeuwige leven!
Let echter wel goed op de volgorde: Eerst is er het leiden en dan het opnemen. Het tweede is er niet zonder het éérste!
Velen willen wel graag in heerlijkheid opgenomen worden, maar van een leiden naar Gods raad willen ze niets weten!
Velen willen wel de dood des oprechten sterven, maar niet als een oprechte leven ! O, men kan het zo gemakkelijk op een overlijdenskaart laten drukken, doch het is de grote vraag voor een ieder onzer of we iets kennen van die verborgen omgang met God in het heiligdom!
Alléén die door de Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Dié zullen straks bok opgenomen worden in heerlijkheid. Daar zijn alle levensvragen opgelost !
Want — Gode zij dank — in het heiligdom staat het altaar der verzoening. Daarop heeft God al de zonden van Zijn volk laten verzoenen door 't volbrachte offer van Christus, eenmaal aan het kruis geschied.
Daar is het voor hen volkomen volbracht! Nu is er weer de verzoende gemeenschap in Hem met de Vader.
Hij heeft de bange zielenood en de Godverlating doorgemaakt, opdat zij tot God zouden genomen kunnen worden en nimmermeer van Hem verlaten worden. Alzo heeft Hij hen de levendmakende Geest verworven, waardoor zij roepen „Abba, Vader!" Zo ontvangen zij hier al een voorsmaak van die zalige heerlijkheid, die eenmaal volledig aan hen geopenbaard zal worden, die geen óóg heeft gezien, geen óór gehoord en in geen mensenhart is opgeklommen. Het „Thans" der verdrukking is dan zeer licht en gaat zeer haast voorbij, vergeleken bij het „Daarna" der heerlijkheid Gods, die hen wacht.
Hoe staat het met u, lezer, omtrent deze strijd en deze belijdenis van verlossing en roem der heerlijkheid Gods? Dat „Daarna" komt ook zeker voor u, evenals voor ons allen. Zal dat ook voor u in heerlijkheid zijn? Er zijn maar twéé mogelijkheden! Wie is uw leidsman: de satan? Die leidt u gewis door het geluk der wereld en de bloemhoven der kerk naar het eeuwig verderf ! Of Christus, de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs? Die leiding is veilig en gewis, maar dan zult ge eigen leidsman-af moeten worden.
Laat u door geen schijn van rijkdom of voorspoed voor een eeuwigheid bedriegen ! Bidt maar veel om de leiding des Geestes, Die u voert in het heiligdom. Zo kan uw leven Christus worden en uw sterven gewin. En anders, als ge de begeerlijkheden van de wereld blijft verkiezen boven de schatten van Christus, wordt het geen opnemen in heerlijkheid, maar een neder geworpen in duisternis en verderf.
Werke de Heere bij aan- of voortgang, dat heerlijke deel in ons hart, om het Asaf in Waarheid te kunnen nazeggen, gelijk hij vervolgt: „Wie heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde! Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid!" Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's