ONDERWIJS
De zeventiende eeuw
II
In zijn boekje „Wat is het doel van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs" zegt prof. Woltjer: „Ook vóór de Reformatie waren de Nederlandse Gewesten wat het onderwijs betreft, in de voorhoede". Misschien klinkt voor menigeen deze uitspraak wat ongeloofwaardig, vooral omdat we reeds meermalen moesten wijzen op het voor ons 20ste eeuws gevoel zovele primitieve in methode, in lokaliteiten, in leerkrachten. Eén ding moeten we echter niet vergeten, n.l. dat we, bij een juiste beoordeling, de dingen moeten zien in de omraming van hun tijd. En dat we dus de onderwijstoestanden in de Middeleeuwen en in de 15de en 16de eeuw moeten vergelijken met die van andere landen in dezelfde eeuwen. Dan komen de Nederlanden er niet kwaad af. Zie maar de feiten. De handel en de nijverheid bloeiden hier reeds vroeg. Nergens was onder de burgerstand meer vrijheidszin en meer welvaart. Schrijfscholen, waar lezen, schrijven, rekenen, aardrijkskunde en handelskennis werden onderwezen, werden mee het eerst in onze steden opgericht. Reeds tijdens het Hollandse (922—1299), Henegouwse (1299 - 1345) en Beierse Gravenhuis (1345—1428) hadden verschillende graven aan steden, aan private personen, aan de geestelijkheid of aan de kerk, het recht gegeven om scholen te stichten en te houden of dit aan anderen op te dragen. Het gevolg was geweest, dat allerwegen talrijke scholen verrezen.
Toen de Hervorming hier doorbrak en allengs vaste voet kreeg, werd aan het onderwijs en de scholen nog meer zorg besteed. Uit tal van verordeningen blijkt dit. Het eigenaardige en toch ook weer volkomen begrijpelijke in deze verordeningen is, dat uit alle dezelfde geest spreekt, al zijn ook de uitvoeringsbepalingen nogal eens verschillend.
De vreze des Heerem is het beginsel der wijsheid, zegt de H. Schrift, en nu wordt bij het aanwijzen van het doel van het schoolonderwijs altijd eerst genoemd het onderwijs in de vreze des Heeren en daarna komt pas het onderwijs in de verschillende kundigheden en het betrachten van de goede zeden.
Deze verordeningen werden door de overheid gegeven. Wat we zo even noemden, blijkt b.v. duidelijk uit de considerans, waarmede het „Placset en Ordonnantie van de Schoolordeninge, die men voortaen sal houden en observeren binnen den lande en Graeffelyckheid van Zeelandt" aanvangt.
„AIsoo tot opbouwinge van eene goede Republycque en welstandt van den Lande niet weynigh aengelegen en is, dat de Jonckheyt van kindtsbeenen of wel werde opgevoedet en in de vreese en rechte kennisse Godes, ende alle goede konsten en zeden van der Jeught aen onderwesen, daer toe vooral nodigh is dat de selve voorsien werden van weigeleerde, verstandige ende Godtvreesende Leermeesters ende geweert werden diegeene, die anders willen leeren, dan in de Gereformeerde Kercken gepredickt wordt", enz.
Reeds uit het afkondigen dezer schoolordeningen blijkt de autoriteit der overheid om ook op het gebied der school haar regels te geven. En het kan natuurlijk niet ontkend worden, dat de overheid, als zijnde de landsregering, ten opzichte van haar burgers groot belang had bij goed onderwijs. Ook de kerk erkende dit. Anderzijds erkende de overheid de kerk als autoriteit om te bepalen, wat op het stuk van de godsdienst in de school moest worden geleerd, en tevens om een onderzoek in te stellen naar bekwaamheid en rechtzinnigheid der onderwijzers.
In een vorig artikeltje wezen we reeds op de taak, die hierbij aan de classes was opgedragen en tevens wat vooral de predikanten in dezen te doen hadden.
Men kan dit (en men heeft dit gedaan) van niet-kerkelijke zijde nu wel wat belachelijk maken, maar men vergete toch ook hier vooral weer niet de tijdsomstandigheden. Er werd trouwens niet alleen een onderzoek ingesteld naar belijdenis en wandel, wat trouwens op zichzelf al een heel verstandige zaak is, maar ook naar kennis van de leerkrachten.
De schoolorde van Goes (1 Nov. 1655) bepaalde zelfs, dat onderzocht moest worden of de meesters „eene goede methode" hadden, „om de jeucht ten spoedigsten en met trouwe neerstigheyt te connen leeren". Men ziet wel, dat dit heus nog zo kwaad niet was en zeker één of meerdere stappen vooruit betekende. Temeer nog, waar in verschillende plaatsen aan dit onderzoek ook medewerkten de scholarchen, kundige burgers, als een commissie van toezicht. Dit onderzoek ging zich langzamerhand ook uitstrekken over de hulponderwijzers, die ook bij de classes bekwaam moesten bevonden worden. In verschillende buurtschappen van Drente, moesten zelfs de bijschoolhouders, die soms maar een getal van 8 of 10 leerlingen hadden, eerst door een predikant worden geëxamineerd.
Ook nog uit andere bepalingen der verschillende schoolordeningen blijkt, dat er na de reformatie ernst werd gemaakt met het geven van regelmatig onderwijs aan de jeugd. Nu weten we wel, dat het uitvaardigen van verordeningen nog niet altijd zeggen wil, dat ze worden opgevolgd. Zeker was het gezag in de republiek en in de afzonderlijke gewesten te weinig centraal, om van algemene verordeningen te kunnen spreken, terwijl tevens een maar al te dikwijls verkeerd begrepen vrijheidszin tot grote nalatigheid leidde.
Het kon trouwens ook niet verwacht worden, dat alles; in een handomdraai zou in oi'de wezen. Maar dat er pogingen werden gedaan, en dat deze pogingen, zij het niet overal, dan toch in de meeste grotere gemeenten en ook nog wel op vele dorpen met succes werden bekroond, mag met dankbaarheid geconstateerd worden.
Op een paar bepalingen uit deze schoolordeningen moge ik nog wijzen. U zult er uit zien, dat er een andere geest uit spreekt. Of vindt u het niet opmerkelijk, dat reeds in de schoolordening van Zeeland in het jaar 1583 werd bepaald, dat „de schoolmeesters bij de samenkomste van de kinderen haer Register sullen oversien, of sy alle bijeen zijn en degeene die te laete komen behoorelycken straffen en naer de anderen, die in de school niet bevonden en worden, stracks bij de ouderen of daer zij wonen, doen verneemen naer de oorsaecke haerder absentie".
Hier hebt u reeds de „Absentielijst" in optima forma en tevens het mooie voorschrift van het onderzoek naar de oorzaak van het schoolverzuim. Er was wel geen leerplicht in de tegenwoordige zin van het woord, maar de plicht rustte in elk geval op de onderwijzers, om nauwkeurig nota te nemen van het al of niet getrouwe schoolbezoek hunner leerlingen.
Een andere bepaling, die getuigde van een andere, een mildere geest bij het schoolonderwijs in de 17de eeuw, vinden we in de reeds meer genoemde schoolorde van Goes (1655) betreffende het straffen in school. We willen niet beweren, dat met deze bepaling nu metéén alle harde maatregelen der vorige tijden waren opgeruimd, dat is zeker niet het geval geweest, maar dat andere opvattingen baan begonnen te breken, blijkt toch wel uit de volgende bepaling, die we weer in de oude taal overnemen:
„De discipline of straffe over de kinderen, die in hare plichten manqueeren, moeten niet te sacht nochte te vreet wezen, maar met een oogmerck van verbeterynge en discretie naer des aert, teerheyt en humeuren der kinderen gemodereert en dat ordinaerlijk niet door placken, slagen en roeden, maar door 't blijven in de schooien, door dadelijck verbeteren dat qualyck gedaan was en door 't sitten op een gesepareerde plaetse van schande, door publycke schuldbekentenis en diergelycke meer".
Men ziet de bedoeling: de plak en de roe, dus de pijnlijke straffen weg, en daarvoor andere in de plaats, als schoolblijven, werk overmaken en dergelijke meer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's