NOOD
Dat is ook een van de uitdrukkingen, die opgeld moeten doen en veelvuldig worden gebruikt. Wij troffen het ditmaal aan in een stuk van C. W. Mönnich over „De fusie der Lutherse Kerken" in „In de Waagschaal". Ook deze schrijver vindt, dat die uitdrukking al te gemakkelijk in de kerkelijke mond ligt. Hij wijst daarbij op de cijfers van de laatste volkstelling. Die nood is niet het ergste meent hij. „Die cijfers wijzen hoogstens het afbrokkelen van een christelijke maatschappij aan, en dat kan nog winst zijn", voegt hij daaraan toe.
Men kan hierover oordelen, zoals men wil, maar wij zijn toch van mening, dat het afbrokkelen van een christelijke maatschappij een ernstig teken is van de nood naar binnen, welke hij veel ellendiger acht.
Wij hebben geen behoefte aan een polemiek met degenen, die van een christelijke maatschappij, een christelijke school, een christelijke organisatie, enz., niet willen weten.
Was het niet de nood der christenheid, welke deed grijpen naar de christelijke organisatie op verschillend levensterrein ?
Want in de afbrokkeling ener christelijke maatschappij, kan moeilijk anders worden gezien dan een opmerkelijk teken van de inzinking onzer' christelijke beschaving.
En wat dan ?
Wat staat daar tegenover anders dan de ontstellende werkelijkheid van een toenemend heidendom ? Immers, welke idealen men zich voorstelt van de doorwerking van het Evangelie onder de mensen, die doorwerking zal niet nalaten zich in liet leven van alle dag te openbaren.
Het Koninkrijk Gods is als een zuurdeeg. En welke invloeden uit de classieke oudheid, zij het in meer of minder gekerstende vorm in de christelijke beschaving werden opgenomen, haar voornaamste cultuurkracht heeft zij ontleend aan het leven des geloofs, aan de prediking der kerk en aan de toewijding harer leden.
Men kan zeggen, dat de Reformatie zich daardoor kenmerkt, dat zij terugkeerde naar de Heilige Schrift en van geen andere bron en regel des geloofs Wilde weten. Dat is ook zo en dat betekende een zuivering van de traditionele aanhang, die het Evangelie schier onzichtbaar maakte.
Niemand kan echter beweren, da: t het reformatorisch Christendom geen kracht deed uitgaan op de saamleving en een eind heeft gemaakt aan de christelijke beschaving.
Wij behoeven slechts enige generaties terug te gaan om een maatschappelijk leven aan te treffen, waarin de kennis van de Bijbel nog vrij algemeen was en goed en kwaad naar christelijke maatstaf werden gemeten.
Dat was alles weer traditie geworden, zal iemand zeggen, dode traditie, een holle schaal zonder inhoud.
Zeker, traditie is traditie, overlevering, voor een deel wellicht alleen vorm, maar is daarmede het laatste woord over traditie gezegd ?
Door eenzijdig op de vormelijkheid der traditie te wijzen, haar werkelijke of gewaande leegheid aan de kaak te stellen, maakt men haar los van de geschiedenis, van het leven, dat er achter ligt, van de bezieling, die haar nog in stand houdt.
En wat geeft mén daarvoor in de plaats ? Wat heeft een mens gewonnen, die de veronderstellingen van de Christelijke geloofsbelijdenis prijsgeeft? Wat wint hij, wat winnen zijn kinderen er bij, als hij bij de beoordeling van goed en kwaad de maatstaf van Gods Wet loslaat ? Wat wint de saamleving daarbij ?
De mens gaat er klaarblijkelijk niet op vooruit, als hij dit alles inruilt tegen.... ja, waar tegen eigenlijk ? Tegen de wereld van de moderne mens, in al zijn leegheid, zonder uitzicht en zonder zin.
Zo schrijft ds. Buskes in hetzelfde nummer over de antithese in verband met zijn beschouwing over de verhouding van de Gereformeerde Kerken en de Hervormde Kerk. „Nooit", zegt hij, „zal ik er mij bij neerleggen, dat de Hervormde Kerk vanwege een eventueel een-worden met de Gereformeerde Kerken het antithese beginsel van Kuyper tot een kerkelijke belijdenis zou maken".
Het is niet heel duidelijk, hoe ds. Buskes dit bedoelt : n.l. kerkelijke belijdenis, want de anti-these, welke hij bestrijdt, maakt toch geen artikel van de gereformeerde belijdenis uit.
Doch aan de andere kant is het geloof in de Christus der Schriften toch geen algemeen goed. Men zou dat kunnen wensen, maar wij hebben geen heerschappij over het Koninkrijk der hemelen.
Ik geloof niet, dat ds. Buskes het tegendeel zou beweren. Kan dit dan aanleiding zijn om de overigens Schriftuurlijke onderscheiding tussen Israël en heidendom, tussen kerk en wereld, tussen geloof en ongeloof, tussen gelovigen en ongelovigen te negeren ?
Hoe dan te handelen in gehoorzaamheid aan het woord van de Heere Jezus Christus : Gaat dan heen, onderwijst alle volken, dezelfde dopende in de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes ; lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. (Matth. 28 : 19).
Kan dat worden betracht, ondanks al onze zwakheid, zonder dat de levende kracht des geloofs een christelijke levenssfeer vormt, zo vragen wij ?
En zo komen wij weer op hetzelfde punt. Wij hebben in de laatste jaren veel gehoord van doorbraak. Men kan zich indenken, dal de mensen in de tijd der Reformatie ook van doorbraak zouden hebben kunnen spreken.
Toen was er een positieve kracht des geloofs, welke door de traditie heenbrak, doch welke zich sterk bewust was van haar oorspronkelijkheid, en ook in het traditionele goed een klaar; onderscheid wist te maken tussen goddelijke lyaarheid en menselijke inzetting.
De reformatie kwam niet van buiten af tegen de kerk en haar traditie in, maar zij kwam van binnen uit, als een levenvernieuwende kracht.
Doch wat heeft de z.g.n. doorbraak voor verwantschap met de oorspronkelijkheid der Reformatie? Zij kan moeilijk de indruk geven van een oorspronkelijk reformatorische kracht, welks nieuwe vormen en gestalten scheppend door een verstarde traditie heenbreekt.
Ook haar critiek blijkt zulk een reformatorische gerichtheid te missen en draagt in menig opzicht een negatief karakter. Zij stelt zich tegen de richtingen, maar daarmede zijn deze niet overwonnen, tegen de anti-these.
doch Schrift en historie spreken een andere taal. En daarom is er aanleiding voor de vraag, of zij wel voldoende oog heeft voor de waarden der traditie en haar geschiedenis, ondanks het feit, dat deze zich in sommige opzichten aan critiek bloot stelt.
Ook in de traditie schuilen vormen en krachten, die voor de saamleving onmisbare waarden vertegenwoordigen, welke niet zonder schade worden prijsgegeven.
Ook daarin kan de nood aan de dag treden, dat de waarden der traditie in haar geestelijke en zedelijke binding worden onderschat. Het loslaten van de traditionele levensvormen kan ten opzichte van' de geestelijke en zedelijke geloofskracht, waaruit zij zijn voortgekomen, niet verantwoord zijn. En dat is zeker het geval, wanneer het ontbreekt aan de vernieuwende kracht van hetzelfde geloof, waaruit de kerk der eeuwen heeft geleefd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's