EEN DOMINE VERTELT
ld. GROTE BEGRAFENISSEN
Op de laatste begrafenis, waarover ik hier vertel, ging het kalmer. Het was er vol, maar ieder kon behoorlijk zitten en dus dominee ook. Men had dan ook maatregelen genomen. Bij de buren, die woonden aan beide kanten van het sterfhuis, zat het binnen ook vol. Daar werd dezelfde begrafenis geleid door een ouderling. Dat was een niet onaardige vinding, die intussen haar bezwaren meebracht. Wat toch was het geval? Ik had in het sterfhuis gesproken en gebeden en hier was een half uur mee heengegaan. Het was trouwens twee uur, de tijd voor het vertrek naar het kerkhof. Intussen bleven allen rustig zitten en ik begreep eerst niet, waarom? Dat werd mij echter spoedig duidelijk, want er drong een geluid tot mij door, alsof daarnaast iemand sprak of bad. De Ouderlingen waren namelijk bij de buren nog niet gereed. Dat duurde daar nog ongeveer twintig minuten langer en alles moest daarop wachten,
f..De broeders Ouderlingen, die met mij in het sterfhuis tegenwoordig waren, trachtten evenwel de tijd van wachten wat te vullen, door een gesprek te beginnen over geestelijke dingen. Zij deden enigszins dienst als een soort geestelijke gangmakers. Eén broeder begon ; wanneer hij wat gezegd had, wachtte hij een ogenblik of iemand er wellicht op in zou gaan. Gebeurde dat niet, dan werd hij gewoonlijk door de andere Ouderling beantwoord en zo verliep het meestal in een gesprek tussen twee kerkeraadsleden.
Een enkele maal gebeurde het, dat ook meerderen der aanwezigen zich in het gesprek mengden. Wanneer er dan maar goede leiding was, kon dat wel eens aangename ogenblikken geven.
Gewoonlijk echter werd er gezwegen. Men bepaalde zich maar tot luisteren. Dat was wèl zo gemakkelijk. Wie wat zegt, vooral op begrafenissen, moet immers veel verantwoorden.
Wanneer ik nu achteraf mijn indruk over deze dingen hier weergeef, dan zal ik mij daarbij wel wachten, oude volksgebruiken aan te tasten. Zolang men niet bewijzen kan, dat iets verkeerd is, moet men er betrekkelijk afblijven. I
Het gold hier toch grote bijeenkomsten, waar Gods Woord gelezen, een toepasselijk woord gesproken werd en tot slot gebeden. Men zou zeggen : Is dat dan niet nodig en goed ? Kan daar geen zegen van uitgaan ? Ik zal de laatste wezen, om dat te ontkennen.
En toch heb ik mij bij die begrafenissen zelden kunnen ontworstelen aan bepaalde gedachten, die bij mij opkwamen. De romp slomp was menigmalen zó geweldig en de begrafenisdrukte zó groot, dat het Woord van Christus mij wel eens in de gedachten schoot : „Laat de doden hunne doden begraven !"
Ik bedoel daarmee geen oordeel uit te spreken over de begrafenisgasten (dat lag niet op mijn weg), maar het kwam nu eenmaal bij mij op.
Dan nog iets : Ik heb eens een bedroefde vader horen zuchten, wiens zoontje overleden was : „Ach, ik wenste morgen wel alleen te lopen achter de doodsbaar van mijn kind !" Die ontboezeming kon ik verstaan.
Dat is ook enigszins mijn bezwaar tegen grote begrafenissen : zij nemen de intimiteit 20 weg voor de familie zelf. Wie herkent de naaste betrekkingen nog temidden van de talloze hoorders ? Zo de voorganger hén ziet, de grote begrafenisdrulcte en de vele gasten beletten hem, een vertrouwelijk woord tot hen te spreken. Zij moeten daaraan toch behoefte hebben en men wil dan nog wel eens wat, tot hen zeggen, waar anderen niet mee nodig hebben. Maar hier komt meteen , alles zo aan de grote klok.
Een vertroostend en- liefelijk woord wordt iemand toch meer in het oor gefluisterd dan dat het over de honderden heen geschreeuwd zou worden. Het spontane wordt in deze ontzaggelijke begrafenissleur meteen dood in gedrukt.
Bovendien is een sterfhuis geen huis van dogmatisch disputeren of van critiek op gehoorde woorden maar van stil inkeren tot zich zelf. Mijn buren en kennissen hebben toch niet overal mee te maken. Ik wil ook wel eens aan mij zelf overgelaten worden. ?
Wanneer wij nagaan, wie van oude tijden her, de meeste drukte hebben gemaakt van begrafenissen, dan zijn het de heidenen geweest (hetzij zij hunne doden begroeven of verbrandden). Denk maar aan hunne dodenfeesten en hoevele dagen zij in beslag namen.
En nu zeg ik niet, dat deze begrafenissen een soort dodenfeesten zijn (of hier en daar ten platte lande er niets van overbleef, is een andere kwestie), maar wel ware het te wensen, dat de uitbreiding van het aantal gasten, zoals dat bij vroeger vergeleken, meer en meer plaats vond, werd voorkomen en dat toch zoveel mogelijk de soberheid en de eenvoud werd betracht.
Want bij sommigen staat het zó : de ene Familie wil vaak nog groter begrafenis dan de andere, om ook hierin de meeste te kunnen zijn. Al dat opbieden tegen elkaar is in elk geval.uit de boze en wij moeten ook niet vergeten, dat onze aanwezigheid in een sterfhuis niet voor het grootste deel mag bestaan in een zogenaamde doodkistinspectie. Want dan deden wij beter, thuis te blijven.
Zo zien wij al weer, dat de levenden ook verstenen kunnen onder begrafenisformaliteiten.
Dat WIJ onder al ons wenen Niet, verstenen,
Want er is een droefheid tot de dood
Kost'lijk is, aan Zijne voeten, Hem t'ontmoeten.
Die alleen ons troost in onze nood.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 februari 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's