DE HOFNAR VAN GELRE
FEUILLETON
Een verhaal uit het begin der zestiende eeuw
Heel in de verte hoort men het doffe ruisen van de Zuiderzee.
Ginds, in de brede Kerkstraat, verheft zich de toren 14) van de Grote Kerk. Nuffig en onrustig draait het gouden haantje op zijn top aldoor een halve windroos heen en weer.
Vlak bij de kerk staat een stevig, groot gebouw : 't is de vermaarde Latijnse school, die een vijf en twintig jaar geleden door brand is vernield ; een ramp, die vele gezinnen in en buiten de stad in rouw dompelde, want 450 leerlingen kwamen er bij in de vlammen om.
Een paar huizen verder schijnt de volle maan vlak tegen het sierlijk trapgeveltje van een statige, ouderwetse poorterswoning.
Een uithangbord boven haar deur wordt door de driftige wind af en toe opgezwiept en laat dan even een melancholisch geknars horen.
Daar sluipen een paar donkere gestalten nader en laten zachtkens de klopper op de deur vallen, een-, tweemaal.
Even gebeid, dan gaat de deur langzaam op een kier.
„Goede vrienden, Cornells, " zegt de een.
Thans opent de deur zich half en een jong gezel laat de twee bezoekers haastig binnen.
„We hadden u schier doorgedaan, dat hadden we, " zegt de jonge man grinnekend, terwijl hij de deur opnieuw grendelt. „Kom maar gauw mee : de anderen zijn d'r seffens allemaal."
Nu neemt hij de blaker, die op de toonbank van de ruime winkel staat, en gaat de twee vóór een lange gang in, die naar een achterkamer leidt. Behoedzaam opent hij de deur.
„Ah ! dus nog gekomen, " zegt de huisheer, meester Occo van Emden, overman van het droogscheerdersgilde, terwijl hij en zijn vrouw opstaan om de bezoekers te verwelkomen en een plaats aan te bieden. Men knikt ze van alle kanten toe ; hier en daar wordt een handdruk gewisseld.
In het grote vertrek, schaars gemeubeld, bevinden zich reeds om de reusachtige eikenhouten tafel een twintigtal personen bijeen, naar hun kleding te oordelen gegoede poorters en poorteressen.
Een gezellig-flakkerend vuur onder de brede schouw en een tweetal kwart-kaarsen op blinkend-geschuurde tinnen kandelaars, schijnen met elkander te wedijveren, wie wel het minst de holle kamer zal verlichten.
Alle aanwezigen, en niet het minst de gastheer en diens vrouw, zijn in ernstige stemming.
En geen wonder ! De avondbijeenkomst, hier thans gehouden, draagt ook een ernstig karakter. Al deze mannen en vrouwen zijn Lutheranen, die het wagen in de gastvrije woning van meester Occo samen te komen, om er te luisteren naar de zuivere verkondiging van des Heeren Woord.
En de prediker ?
Daar zit hij in de brede leunstoel met de opengeslagen Liesveldtse Bijbel voor zich. 't Is geen geleerde, geen wijze dezer eeuw, doch een eenvoudig poorter uit Harderwijk, een man bezield door de Heilige Geest en daardoor in staat van dingen te spreken, die de wijzen verborgen zijn en alleen Gods kinderen worden geopenbaard, 't Is de welbekende meester Rutger, eveneens droogscheerder. De liefde van Christus dringt hem zó, dat hij alle kuiperijen en lasteringen van priesters en monniken trotseert en, na het eindigen van zijn twaalfurige dagtaak, de ziekbedden der armen opzoekt, om er te wijzen op de Heiland, die niet alleen alle lichamelijk lijden kan verzachten en uitbannen, maar ook het gewonde zondaarshart vermag te helen met balsem uit Gilead ; of, waar het gewenst wordt, in kleine vergaderingen binnenskamers de heilbegerigen eenvoudig de leer des heils uitlegt.
Thans heeft hij juist Jesaja 55 voorgelezen en geeft hierop een toespraak in slechte 15) woorden, doch met innerlijke welsprekendheid. Al is de man mager en tenger gebouwd, zijn stem is niettemin vol en bezield zijn gelaat. De indruk, die zijn rede op de hoorders maakt, wordt nog versterkt, als hij in rethorische bezieling met zijn grove, lompe en door zijn handwerk als 't ware zwartgeverfde handen, gesticulerend zijn woorden kracht bijzet.
„Wie tot de Heere komt, mijn lieve vrienden, " spreekt hij, „behoeft niets mede te brengen ; want Hij vraagt onze aalmoezen niet en ook niet onze goede werken. Neen, wij moeten tot Hem naderen als een arm, verlegen zondaar.
Dan eerst zijn wij welgevallig in Zijn heilige ogen, en dan eerst wil Hij ons om Christi wille volkomen kwijtschelding van zonden geven. Lees maar wat Hij hier in Zijn Getuigenis door de mond van Jesaja alleü laat toeroepen, ja, smeken, die desperaat zijn vanwege hun zonden :
„O, alle gij dorstigen ! Komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk !
Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan ? Hoort aandachtelijk naar Mij, en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen".
In trouwe ! dit is een bemoedigend woord. Lacy, die armen, die hun zaligheid voor geld willen kopen ; die menen van zonden verlost te worden, als zij hun goud of zilver in de offerbus der priesters werpen. Hoe beschaamd zullen zij uitkomen !
Maar, lacy ! hoe diep verdorven is dan ook de kerk, die door haar geestelijken het yolk laat wijsmaken, dat het de zonden kan afkopen ! De Heere verwerpt haar in Zijn toorn !
En wee ! de blinde leidslieden van de onwetende menigte, die aldus met 's Heeren Woord en wetten spotten ! Hoe zullen zij in de dag der dagen als arme catijven 16) schaamrood voor de hemelse Rechter staan ! Lacy, dat zij het inzagen !
Maar neen, dat doen zij niet. Die hun, zoals Luther en anderen, uit de heilige Schriftuur hun dwalingen aantonen, worden door hen ketters en kinderen Belials genoemd, en booslijk gelasterd en vervolgd.
14) In 1797 plotseling ingestort en niet weder opgebouwd.
15) eenvoudige.
16) Slechte mensen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's