De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

10 minuten leestijd

ld. GROTE BEGRAFENISSEN

Een vergelijking.

   Wanneer ik een stadse begrafenis vergelijk met die in een dorp, dan is het verschil wel heel groot.
   Een dorpsbegrafehis is dikwijls vol sensatie. Dat ligt er maar aan, wie er begraven wordt. Het kerkhof is meestal dichtbij en vandaar is het aantal nieuwsgierigen dan ook betrekkelijk groter. 
   Overigens komen stad en dorp hierin nog wel overeen, dat zowel rouwstoeten als trouwstoeten belangstelling trekken; dat wil dan zeggen: bij het begin. Zowel wanneer er een dode uitgedragen wordt, als wanneer een trouwpaartje de huisdeur uitkomt, hebben zich een aantal nieuwsgierige mensen aan beide zijden opgesteld.
   Wat neemt men dan zo gaarne op? vraagt gij. Geldt het een huwelijk, dan neemt „men" vooral op de bruid en haar tooi. Dat bruids­ toilet, dat bruidskleed, is blijkbaar voor velen een „levensbelang".
   Geldt het een begrafenis, dan trekt de „bekleding" van de dode, dus de doodkist, vooral de aandacht.
   Voor velen zijn dit dan ook de zaken, waarom het leven draait, namelijk bruidstooi en doodswade, met wat daar dan tussen ligt.
   Dit is in stad en dorp gelijk.
   Overigens is er groot onderscheid. In het drukke stadse leven wordt van een voorbijtrekkende begrafenisstoet schier geen notitie genomen. In een dorp is dat anders. Daar leeft de omgeving dat op haar manier even mee.
   Wordt een predikant in een stad voor een begrafenis uitgenodigd, dan mag men daaruit al vaak concluderen, dat er in het sterfhuis nog belangstelling of eerbied voor het Woord Gods wordt gevonden. Of althans: dat de dorpstraditie zich in dat gezin nog handhaafde.
   Verwonder u er toch niet over, wanneer gij in een stad meermalen een zieke hebt bezocht, dat u van het overlijden somtijds geen bericht wordt gezonden. Nu zult gij zeggen: dat is een questie van beschaving; doch dat is het niet alléén. Zelfs niet in de eerste plaats. De oorzaak kan ook hierin liggen: men is van de kerk zozeer vervreemd, dat men er niet eens aan denkt, aan de predikant een overlijdensbericht te moeten doen toekomen.
   Het is mij persoonlijk eens overkomen, dat ik er op uit ging een zieke te bezoeken, die ik meermalen had opgezocht, en dat mij bij het aanbellen bericht werd: „hij of zij is juist verleden week begraven".
  Dat is toch wel een vreemde gewaarwording, waarbij men verbaasd staat te kijken, zij het ook niet zo verbaasd als die pastor, die ook ergens naar boven liep, al pratende en betuigende: „ik kom nog eens even kijken, hoe de zieke het maakt!" de alkoofdeuren opende en daar niemand meer te bed vond, omdat hij, in zijn gewoonte, om alleen aan het woord te blijven en niet naar anderen te luisteren, niet gehoord had, dat men tot hem zeide: „drie weken geleden hebben wij haar begraven".
   Ook hier blijkt al weer, dat het toch wel goed is om ook eens naar anderen te luisteren. Dominees preken en praten wat te veel en laten anderen daardoor te weinig aan het woord komen.
   Het is meestal dus een goed teken, wanneer men in de stad nog op een begrafenis wordt gevraagd. Want meer en meer geraakt ook dit in onbruik, ook al geeft men dan nog kennis van overlijden.
   Daar vooral is het dus zaak, om te gaan. Het komt niet te pas, dat men hier bericht van verhindering zendt wegens een vergadering in een andere plaats of wegens andere ambtsbezigheden, die gewichtiger zouden zijn. Op het ogenblik is er niets gewichtiger dan dat. Op zulk een begrafenis ontmoet men wel mensen van allerlei gedachtengang. Menigm.aal heeft men „de geestelijke" echter alleen gevraagd uit piëteit tegenover de overledene. Het komt voor, dat alle kinderen met de kerk hebben gebroken, terwijl vader en moeder godvrezend waren.
   Vermoedelijk zouden die kinderen u voor een gewoon bezoek niet meer ontvangen ; althans liever niet. Hier nu, op de begrafenis, moeten zij stil zijn en naar de predikant luisteren. Hier zal hun door de kerk dan nog eenmaal herinnerd worden datgene, waarin de Ouders hen opvoedden, maar wat zij al lang verwierpen. Het moet hun gevraagd worden of zij daar vrede mee hebben, dat zij nu in de gelederen der wereld verkeren; de kerk hebben geruild voor de bioscoop?
   De roepstemmen uit het verleden zullen nog eenmaal worden opgehaald. Hier ligt dus arbeid. Een verheven taak, maar ook een dure roeping, om er vooral niet omheen te draaien en niet bang te zijn, anderen te kwetsen. Dat de prediking van Gods Woord nooit ruw of onkies mag zijn, behoef ik zeker niet te zeggen. Van dit begrafeniswerk zijn wel eens vruchten achtergebleven, die men ook zelf nog mocht aanschouwen. De Heere maakte door Zijn Heilige Geest meer dan eens ontvankelijke harten.
   Nodig is dus, dat de kerk in elk opzicht meeleeft, door zich ook op de begrafenis te doen vertegenwoordigen. Men zou zo zeggen, dat iets dergelijks in een grote stad niet opgemerkt werd, maar gij vergist u. De mensen, die in de buurt van het sterfhuis wonen, komen nu toch even ter deure uit of kijken door de ramen en zij merken het wel op, wanneer er „een geestelijke" aanwezig was. Voor éénmaal vragen zij dan, nog wel, wie dat is? En van welke kerk die man is? Misschien hebben zij meegedaan aan het algemene gezegde: „de kerk kijkt nergens naar om!" Nu zien zij dan „de kerk".
   Hoe wenselijk zou het zijn, om ook naar het kerkhof mee te gaan. In dit geval is het misschien nog belangrijker dan het spreken in huis.
   Helaas, dit is de stadspredikanten vrijwel onmogelijk, behoudens een enkele uitzondering. Hoe ware het te wensen, dat er dan tenminste een ander stond, die namens de kerk de plaats van de predikant innam.
   Wanneer de voorganger aan huis heeft gesproken, gaat hij weer heen. Wat zou ook hier de nazorg nodig zijn. Zeker, domine komt nog eens terug. Dat zegt hij tenminste, en als hij een man van zijn woord is, doet hij het ook. Maar er komt weer wat anders tussenbeide. Of hij gaat er nog eenmaal heen en vergeet dan in de maalstroom van allerlei dingen tenslotte ook dat gezin weer.
   Stadse begrafenissen kosten ons nu niet zo heel veel tijd. Wanneer tenminste de pastorie maar in de wijk ligt, want anders gaat er te veel tijd verloren met de reis heen en terug. Ook één van de puzzles, vooral in deze tijd, die in vele grote stadswijken om spoedige oplossing vragen.
   Stadse begrafenissen zijn zo geen belevenissen. Zij zijn mee opgenomen in het grote arbeidsprogram. Gelukkig maar, dat niet alles wat men „beleeft", altijd het belangrijkste is. De sensatie is er in de stadse begrafenissen in elk geval niet.

5.

„De rouw in de kerk".  
   In vele Gemeenten in ons vaderland bestaat nog de gewoonte van het brengen van de rouw in de kerk. Meestal op de Zondag, volgende op de begrafenisdag van de overledene, gaan alle familieleden zoveel m.ogelijk gezamenlijk kerkwaarts, allen in het zwart; de mannen met hoge hoed.
   Aan de predikant is van tevoren kennis gegeven, dat men de rouw in de kerk wenst te brengen en „of domine er aan denken wil". Zelfs zij, die veraf wonen, komen dan kerkwaarts.
   In de steden kent men dat gebruik bijna niet meer en glimlacht men dikwijls over een dergelijke vertoning van een stoet in 't zwart.
   „Wat wil men toch eigenlijk met die rouw? " vragen sommigen, en zij bewijzen daarmee dikwijls, dat hun of het kerkelijk leven vreemd is, óf dat zij aan het meeleven der kerk totaal ontgroeid zijn.
   Zeker, er is vaak veel sleur en vorm in deze dingen, maar ligt het dan ook niet aan de predikant, om de sleur en de vorm er zoveel mogelijk uit weg te nemen en de gelegenheid aan te grijpen, het Woord Gods nog eens bijzonder op de ziel te binden, speciaal bij hen, die misschien in Gods huis niet dikwijls meer kwamen?
   In de grond ligt immers in dat rouw brengen toch nog wel een schone gedachte. De doorsnee stedeling denkt: ik heb er geen behoefte aan, dat mijn familieaangelegenheden daar van de kansel af nog eens met name behandeld worden. Ik wens mijn droefenissen niet aan de grote kerkelijke klok te doen hangen. Zij zijn mij daarvoor te intiem en te teer. Ik loop met mijn smart niet te koop.
   En toch deugt deze opvatting niet. Natuurlijk is het niet nodig en wenselijk, dat alle smartelijke dingen daar nog eens weer van de kansel af worden opgehaald. Maar iets anders is het toch, dat de kerk moet meeleven met haar leden.
   Staat er niet in het Woord: „Indien één lid lijdt, zo lijden alle leden mede"?
   Wanneer Christus' Kerk aan haar roeping beantwoordt, is zij immers één groot huisgezin. Zij is zelfs het mystieke lichaam van Christus. Overal, waar dat gevoeld wordt, zal men ook elkanders lasten leren dragen en delen in elkanders smart. De Heere roept de Zijnen op tot gebed met en voor elkander, opdat ook hier iets van de gemeenschap der heiligen tot uiting kome.
   De rouwbrengenden zelf hebben echter wél toe te zien, dat het bij hen niet een dode vorm zij. Want het gaat er niet om, om daar zijn zwarte goed eens even in de kerk te laten zien en er vooral een gelegenheidsgezicht bij te zetten. De kerk wordt ook niet behangen met uitwendige rouwdraperieën. Maar daarom, dat met de Gemeente samen de rouw neergelegd worde voor het Aangezicht des Heeren.
   Er zijn inderdaad wel eens tijden, waarop een mens beter doet, zijn droefheid te verbergen voor de mensen. Zoals de Sunamietischc zei tot Gehazi, Eliza's knecht: „het is wèl!" ofschoon haar ziel innerlijk door smart werd verscheurd.
   Maar het kan evenzeer wel eens nodig zijn samen te wenen voor God en ons hierin voor elkander niet te schamen. Men moet toch ook niet langer de smart verbergen, wanneer zij beter uitgesproken was.
   Zo bij de bedroefden aanwezig was de oprechte droefheid naar God, dan wil de Heeie ook hier juist een zegen in leggen. Wij doorleven de dingen dan nog eenmaal en nu samen in Gods huis en het kan in 's Heeren hand een middel tot versterking zijn.
   Ik heb smartelijk getroffenen gekend, die er tegen op zagen als tegen een berg, om na het een of ander verlies de eerste kerkgang weer te doen en die toch daarin en daaxdoor wonderlijk werden getroost, zoals achteraf bleek.
   Het is niet goed, lang alleen te blijven met zijn smart. Onder Gods Woord op te gaan en te verkeren, is altijd het beste.
   Daarom zou ik ook wel wensen, dat bovengenoemd gebruik weer algemeen werd. Het zou wellicht nog kunnen meewerken, om ons ook in kerkelijk-geestelijk opzicht het echte solidariteitsgevoel weer terug te geven.
   De kerk ligt al genoeg versplinterd. Wij moeten teruggebracht worden tot waarachtig saamhorigheidsgevoel.
   Ook hier zou dan weer in waarheid mogen gelden:
   „Ai ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, Dat zonen van 't zelfde huis als broeders samenwonen".

K

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's