De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

4 minuten leestijd

De zeventiende eeuw

III.

   Op verschillende plaatsen werden diaconiescholen opgericht, waar arme kinderen gratis school konden gaan. Dit was echter niet overal mogelijk en daarom waren er ook gemeenten, waar het gebruikelijk was dat de schoolgelden voor hen door de kerk werden betaald. In andere plaatsen gold weer de regel, dat de kerkeraad (met de predikant) vaststelde, welke kinderen geen schoolgeld konden betalen; de meester moest deze dan „om Godswil" onderwijs geven.
   In sommige kerkenordeningen was de bepaling opgenomen, dat alle ouders gehouden waren, hun kinderen naar school te zenden (zo b.v. Drente in 1638). De synode van 1678 bepaalde, dat voor alle kinderen tussen 7 en 12 jaar schoolgeld moest worden betaald, of zij school gingen, of niet. Deze synodale bepaling was eigenlijk meer een bevestiging van de reeds in 1630 uitgegeven „Landschapresolutiën". 't Spreekt vanzelf, dat hiervan beslist onvermogenden waren vrijgesteld. En overigens alleen diegenen, die huisonderwijs ontvingen. Dit laatste kwam nogal eens voor bij de kinderen der aanzienlijke burgers. In de Archieven van Den Briel is b.v. sprake van een zekere Aelbrecht, schoolmeester van de Raadsheerenkinderen.
   Over de leervakken hebben we reeds meermalen gesproken. Vermeld moet nog worden, dat Frans vrij algemeen werd gegeven. Ook andere talen kwamen voor. In een ordonnantie van de Staten van Gelderland (1630) betreffende de scholen ten plattenlande, is sprake van mannen en vrouwen, die de kinderen Frans, Duits of enige andere taal, cijferen, rekenen of schrijven leerden. Franse schoolmeesters waren er verscheidene en ook Franse „schoolmeesteressen". Deze laatsten gaven vooral onderwijs aan de dochteren der vooraanstaande gemeenteleden.
   Buitenlanders waren dan ook zeer goed over het onderwijs in ons land te spreken. Vooral moeten we hierbij natuurlijk de tijd, waarover we nu spreken, niet vergeten. Zo schreef een Italiaan, dat hij er zich over verbaasde, dat gewone mensen, zelfs boerea en landlieden, meestal de beginselen der grammatica kenden en tenminste konden lezen en schrijven. Velen — zo schrijft hij — die nooit buitenslands geweest zijn, kunnen nochtans, behalve haar moedertaal, vreemde talen spreken, vooral Frans, maar ook Duits, Engels en Italiaans. Een andere vreemdeling, een Engelsman, verklaarde, dat de Hollanders goed zorgden voor de opvoeding en het onderwijs hunner kinderen, dochters zowel als zoons. Hoe gering Van stand of vermogen ze ook mogen zijn, — zo zeide hij — toch dragen ze zorg, dat hun kinderen een goede schrijfhand en de kennis der rekenkunde volkomen aanleren en dat ze in de koopmansrekening ten volle bekwaam en geroutineerd zijn.
   Je zou zo zeggen, dat we in de tegenwoordige tijd dan toch wel een beetje achterop geraakt zijn, want „volkomen" en „ten volle", daar hapert nogal eens wat aan.
   't Lijkt me trouwens toe, dat hier de zaak wel wat „ideaal" wordt voorgesteld. Dat het over het algemeen zo was, dunkt ons voor 't minst toch wel wat onwaarschijnlijk. Deze uitspraken zullen vermoedelijk wel gedaan zijn, in vergelijking met de ontwikkelingsgraad en met de stand van het onderwijs in andere landen, waaruit we dan kunnen opmaken, dat het onderwijs en het peil van ontwikkeling in de Nederlanden daar hoog boven uit stak.
   „Opdat de Christelycke jeucht van hare teedere jaren aen, neerstelycken in de fondamenten der ware religie onderwezen ende met Godsalicheyt vervult moghe worden, soo moet drieërly wijse van catechiseren waergenomen worden. In de huysen van de ouders, in de scholen van de schoolmeesters en in de kercken van de Predikanten, Ouderlingen ende Lesers ofte Siecke-besoekers".
   Elk had hier dus zijn taak. Reeds in de Middeleeuwen werd in de scholen onderwezen: de tien geboden, het Onze Vader en de 12 artikelen des geloofs. Na de Reformatie kwam daarbij: „de inzettingen des H. Doops, des hoogweerdigen Nachtmaels Christi en het gebedt voor en na den eeten".
   De verklaring en ook de samenvatting hiervan was de Heidelbergse Catechismus en daarom moesten de verstgevorderde leerlingen deze leren. En dan niet slechts een werktuigelijk van buiten leren, maar de kinderen moesten „tot levendig begrip der Waarheden geleid worden". Of zoals Luther het uitdrukt: „'t Is er niet alleen om te doen, dat de kinderen de woorden van buiten kennen en naspreken, maar men moet hen van stuk tot stuk vragen en laten antwoorden, wat iedere zaak betekent en hoe zij die verstaan. Kan men niet alles op één keer vragen, zo behandele men stuk; voor stuk, de ene dag dit, de andere wat' anders".
   Behalve aan dit catechetisch onderwijs, werd ook nog tijd besteed aan het lezen uit de Bijbel en aan het leren van psalmen en geestelijke liederen.
   De behandeling der Bijbelse Geschiedenis schijnt niet zo regelmatig te zijn geschied ; gedeeltelijk was zij in de leerboeken opgenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's