De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

5 minuten leestijd

Kleuteronderwijs

   Zou er toch nog iets van een wettelijke regeling komen? Zou aan de precaire toestand, waarin de financiën van menige kleuterschool verkeren, toch nog een einde komen? 't Gaat er op lijken.
   Op 2 October 1950 is een wetsontwerp op het kleuteronderwijs bij de Tweede Kamer der Staten Generaal ingediend. De Tweede Kamer heeft er vorig jaar voorlopig verslag over uitgebracht en thans is Van de ministers Beel, Kutten en Joekes de Memorie van Antwoord op dit voorlopig verslag verschenen.
   De Ministers oordelen, dat, afgedacht nog van grondwettelijke voorschriften, de geestelijk-hygiënische en de sociale betekenis van dit onderwijs het gewenst maken, dat het betreffende wetsontwerp alsnog ten spoedigste tot wet worde verheven.
   Een ander argument, waarom nodig tot wettelijke regeling moet worden overgegaan, is wel, dat er bij dit onderwijs nogal „onbevredigende" toestanden voorkomen, vooral tengevolge van moeilijkheden op financieel gebied. In vele gevallen ontbreekt bij de gemeentebesturen, maar vooral bij de schoolbesturen, het nodige geld om de scholen naar de eis in te richten en te onderhouden. Men gebruikt lokaliteiten, die lang niet voor 100% aan de eisen voldoen; ook wordt het onderwijs aan vele scholen gegeven door onbevoegde leerkrachten, terwijl daarnaast in tal van gevallen het aantal leerlingen per leerkracht veel te groot is. In Januari 1950 waren er 4292 onderwijzeressen, die van 40—59 leerlingen voor haar rekening hadden ; 458, die er 60—79 hadden, en 68 met 80 of meer kinderen.
Wat de bevoegdheid betreft, wordt medegedeeld dat van de 800 onderwijzeressen, die in 1950 als nieuwe leerkrachten de kleuterscholen binnen kwamen maar eventjes 450 onbevoegd waren, dat is 56i/4%.
   Het is wel aan te nemen, dat in 1951 dit percentage weinig veranderd zal zijn. Wel hebben verschillende dames een acte kunnen behalen, maar daar staat tegenover, dat het aantal scholen en leerlingen weer is uitgebreid. In 1951 is het aantal leerlingen der kleuterscholen gestegen tot 317.000. Dit is het totaal der schoolbevolking van Openbare, Prot. Christelijke en R.-Katholieke scholen. Geen wonder, dat het aantal bevoegde onderwijzeressen hiermee, geen gelijke tred heeft kunnen houden. Dat er zoveel onbevoegde leerkrachten bij dit voorbereidend onderwijs werkzaam zijn, is dan ook niet altijd en niet overal, omdat de geldmiddelen te schraal zijn, maar vooral ook omdat er eenvoudig geen voldoend, aantal bevoegde leerkrachten beschikbaar zijn. Anderzijds is het aan te nemen, dat, wanneer de financiële regeling beter wordt, er ook meer geneigdheid bij de jonge dames zal komen om zich aan deze tak van onderwijs te geven. Temeer, wanneer ook de arbeidsvoorwaarden wettelijk worden geregeld en daardoor te grote klassen worden vermeden. De bedoeling is, dat elke leerkracht maximaal 48 leerlingen voor haar rekening krijgt.- 't Is nog wel niet weinig, maar toch zou het voor tal van scholen een verbetering zijn. De toestand van het kleuteronderwijs is over het gehele land gerekend, erg verschillend.
   Er zijn gemeenten, waar Openbare Scholen worden in stand gehouden en waar een gemeentelijke subsidieregeling is gemaakt voor de Bijzondere Scholen. Andere gemeenten zijn er, waar het Bijzonder kleuteronderwijs hekmaal op geen subsidie van de gemeente kan rekenen en alles uit de schoolgelden en uit de vrijwillige bijdragen van belangstellenden moet worden bekostigd. Juist was ik deze week in een gemeente, waar het schoolbestuur met een intekenlijst de huizen langs ging om te trachten het exploitatietekort over 1951 gedekt te krijgen.
   Nog weer een ander dorp zit er iets beter voor en krijgt van het gemeentebestuur het tekort uitgekeerd. Alles doet weer terugdenken aan de jaren vóór de gelijkstelling bij het Lager Onderwijs, toen ook altijd alle hens aan dek moest geroepen worden, soms om lekkage te voorkomen (dat was 't beste), maar ook heel dikwijls om het lek te stoppen.
   Het reeds eerder genoemde wetsontwerp wil zijn een eerste stap in de richting van een volledige sanering van het kleuteronderwijs. Let wèl, een eerste stap. De toestand van 's lands financiën laat volgens de Minister niet toe, om thans reeds tot volledige sanering te komen. De regering vertrouwt echter, dal met de nieuwe regeling geleidelijk wat verbetering in de bestaande toestand zal verkregen kunnen worden, ook, omdat de bouw van nieuwe kleuterscholen slechts in beperkte mate zal wórden toegestaan.
   Het wetsontwerp gaat uit van de overweging, - dat de kosten van dit onderwijs in de eerste plaats moeten gedragen worden door de gemeente en door de schoolbesturen. De bedoeling is, dat de gemeentebesturen, die Opeijbare kleuterscholen in stand houden, een zodanige subsidie beschikbaar stellen, dat aan het Openbaar en het Bijzonder Onderwijs gelijke zorg wordt besteed. De regering stelt dan in uitzicht een rijksbijdrage van ƒ 40.— per leerling per jaar.
   Het is natuurlijk niet te zeggen, hoe het wetsontwerp er zal uitzien na de behandeling in de Tweede Kamer.
   De voorwaarden, verbonden aan de rijksbijdragen, zijn in hoofdzaak:

1. De lokaliteiten moeten aan bepaalde eisen voldoen.
2. De leerkrachten moeten bevoegd zijn.
3. Onderwijzeressen van 65 jaar en ouder zullen niet gehandhaafd kunnen blijven.
4. Elke leerkracht heeft maximaal 48 kinderen voor haar rekening.
5. Voor elke leerkracht wordt een minimum-salaris voorgeschreven.

   't Zal ongetwijfeld de bedoeling zijn, dat aan bovenstaande voorwaarden slechts geleidelijk zal voldaan kunnen worden. Hoewel, de regering noemt met aantal kleuters, dat in 1951 een school bezocht, 317.000, maar meent, dat het aantal leerlingen, waarvoor rijkssubsidie verschuldigd zou zijn, niet groter is dan 280.000. Er vallen er dus al een aantal scholen af, die blijkbaar niet aan de voorwaarden voldoen.
Hoe zal het daarmee gaan?
   Met belangstelling zien we de a.s. behandeling in de Tweede Kamer tegemoet.
    Het kleuteronderwijs heeft in enkele jaren burgerrecht verkregen. Voorziet in een behoefte, niet het minst in sociaal opzicht. Denk b.v. maar aan de woningtoestanden in de grote gemeenten, aan de samenwoning, aan de zolderverdiepingen en al de ellende, daaraan verbonden. Vooral voor grotere gezinnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's