ZIJN WIJ OP DE GOEDE WEG?
In de rubriek : „Pastoraal Spreekuur", van het Hervormd Weekblad, dd. 1 Maart 1952, wordt deze vraag gesteld ten aanzien van de jeugd. Waar zijn de kinderen in onze kerken ?
In hetzelfde nummer vraagt G. van Leeuwen : „Hebben wij eigenlijk nog wel een jeugdbeweging ? "
Wij kunnen de bovenstaande vraag ook uitbreiden, naar aanleiding van een eveneens gehoorde klacht over achteruitgang van de kerkgang der ouderen, zij het ook, dat deze klacht niet algemeen mag gelden.
Zijn wij op de goede weg met de nieuwe kerkorde ? Een vraag, die wij ook in het „Pastoraal spreekuur" kunnen vinden.
Voorts merkt K. B. Du Pon in een artikeltje : „De kerkdienst" voorkomende op dezelfde bladzijde op, dat de kerkgang een getuigenis is. Zeer terecht. Als het gezin naar de kerk gaat en de huisdeur sluit, is dat voor de omgeving een getuigenis en misschien ook een aanklacht voor degenen, die deze gewoonte niet hebben. Ging de Heere Jezus niet naar Zijn gewoonte op naar de synagoge ?
In verschillende dorpsgemeenten is dit getuigenis zonder twijfel nog van kracht.
Zijn wij op de goede weg met de jeugdbeweging, met jeugddiensten ?
Wij hebben van meet af bezwaar gehad tegen deze methode, ondanks de tegenwerpingen van haar voorstanders, die vooral van de mening uitgaan, dat de gewone preek voor de jeugd onbegrijpelijk zou zijn.
Men moet op dit punt onderscheid maken tussen de jeugd uit het godsdienstig gezin en de van kerk en godsdienst vervreemde jeugd. Het gehele vraagstuk hangt trouwens samen met de gesteldheid der gezinnen en de gezinsopvoeding. De jeugd, die van huis uit bij de Heilige Schrift en de Catechismus wordt opgevoed, de jeugd, die van de ernst van het godsdienstig leven thuis is overtuigd, neemt meer van de preek mee dan men mogelijk onderstelt.
Men zou dit het normale gezinsleven mogen noemen. Het gezin gaat naar de kerk, het gezin is in de gemeente ingelijfd, het Verbond gaat over het gezin. Dat is Schriftuurlijk. Hij en al de zijnen werden gedoopt, zo lezen wij. (Hand. 16 vs. 33).
Het gezin staat onder de pastorale zorg der gemeente.
Het moet dan ook als normaal beschouwd worden, dat de kinderen met de ouders mede gaan naar de kerk.
Er wordt gevraagd, of de jeugddiensten naar de gewone kerkdiensten toe werken. Waar' blijft de jeugd uit de jeugdbeweging en uit de jeugddiensten?
Het gaat niet aan, zoals de „Pastor" in het boven gemelde stuk doet, deze vraag te smoren door een wedervraag: Wie kan ze tellen, die als kind gedwongen werden één of twee malen per Zondag „zich zo te vervelen in Gods huis", dat zij, eenmaal eigen baas, nooit meer gaan.
Zo zijn er, maar wie kan ze tellen, die ook als zij eigen baas zijn, blijven gaan, en wie kan de afgedwaalden tellen, die later toch weer gaan?
Op zulk een wijze kan men dit vraagstuk niet behandelen. De onverschillige en afvallige is er altijd geweest, en de waarachtige discipelen des Heeren hebben altijd slechts een minderheid uitgemaakt, ook, als de gewoonte om ter kerk te gaan vrijwel algemeen was.
Vele zijn de invloeden in het moderne leven, die het gezin uit elkander drijven en zijn leden prijsgeven aan allerlei geesten, die van de kerk aftrekken.
Deze bestormen niet alleen het Christelijk gezin, maar hebben gedurende twee of drie generaties een jeugd voortgebracht, die geheel buiten kerk en Bijbel is opgevoed.
Zulk een jeugd, stel, dat men die naar de kerk brengt, begrijpt uit de aard der zaak weinig of niets van een predikatie, welke recht heeft op die waardering.
Ik ben ook van mening, dat men in het algemeen voor zulke jonge mensen niet preken kan, let wel, preken, zodat zij het wèl verstaan. Zulk een jeugd is Zendingsobject.
Zij moeten op een andere manier behandeld worden, zegt Pastor. Dat is ook zo. Op een andere manier dan ?
Er is slechts één antwoord. Op een andere manier dan de jeugd uit het gelovig gezin.
Maar niet, omdat zij anders zijn, omdat zij de dingen anders bekijken dan wij ouderen deden in onze kinderjaren, zoals deze schrijver opmerkt.
Dit wordt al te gemakkelijk gezegd en nagepraat. Er is in dit zeggen iets onwerkelijks. Zij zijn anders en alles moet anders, dat is een spreekwijze en een uitgangspunt, die in de na-oorlogse jaren een zeker verzet tegen traditie en het oude hebben gekweekt, dat lang niet altijd nuttig heeft gewerkt.
Het oude is niet verwerpelijk, omdat het oud is, en het nieuwe is niet voortreffelijker, omdat het nieuw is.
Immers het oude en het nieuwe moet getoetst worden aan de maatstaf van hetgeen geestelijk en zedelijk is verantwoord.
Hoeveel is er prijs gegeven aan geestelijke en zedelijke binding, omdat men meent, dat alles anders is en anders moet.
Van ouds geldt de regel, dat men zijn ouders moet eren en het is ook nadrukkelijk Gods gebod. Wat wint men met een critiek, waardoor de eis der gehoorzaamheid aan vader en moeder wordt ondermijnd?
Wij zouden op alle geboden Gods kunnen wijzen en op hun betekenis voor het verkeer onder de mensen, om nog te zwijgen van het hoogste: de ere Gods.
Zeker, de critische geesten komen met allerlei bezwaren aandragen: Kweken van brave Hendriken, van Pharizeïsme, werkheiligheid, onechtheid, dode vorm en wat al niet meer.
Wie zal ontkennen, dat er waarheid schuilt in deze klachten?
Maar wat kweekt men, als men de oude paden verlaat, omdat de tegenwoordige jeugd anders zou zijn?
De jongeren zijn kleine mensen, met al de neigingen van het zondige mensenhart en van onze verdorven natuur. Geen brave-Hendriken-moraal, geen pharizeïsme, geen werkheiligheid, geen binding aan de geboden Gods, maar onbeschaamde en goddeloze ongebondenheid.
Wat zal dan de vrucht wezen van zulk een ongebonden vrijheid?
Wij denken aan het spreekwoord van het badwater en het kind.
De jeugd niet in de kerk, zo klaagt iemand. Wij beschikken niet over de gegevens om het jeugdwerk te overzien en om zijn vrucht te beoordelen, ook niet om uit te maken, of het getal, dat tot kerkelijk medeleven wordt gebracht, alle kosten en moeite daaraan gegeven, rechtvaardigt.
Men zij voorzichtig, want de engelen verheugen zich over één; zondaar, die zich, bekeert. De vraag blijft desniettemin, of wij op de goede weg zijn.
Deze vraag richt zich op de methode, die men volgt, om de jeugd te trekken. Daarbij moet alles dienen: film, dans, sport, want de jeugd is anders, zegt men.
En dan de preek? De „verkondiging", zoals de uitdrukking luidt. Wat verkondigt men? Het heil, de boodschap, klinkt het antwoord.
Ja, de boodschap. Welke, en hoe wordt die verkondigd? Welke consequenties trekt de jeugd uit die verkondiging?
Klaarblijkelijk niet, dat zij zich bij de gemeente voegen en naar de kerk gaan, althans niet in die mate, als men verwacht had.
Zou er misschien toch aan de wijze van verkondiging, of zoals deze wordt beluisterd, iets haperen?
In kringen, waarin het mysticisme heerst, komt het inderdaad nogal eens voor, dat de kinderen, op hun leeftijd gekomen, niet meer „kerken". Dit lijkt mij niet zo onverklaarbaar, want in zulke gezinnen wordt b.v. de Heilige Schrift niet regelmatig gelezen, omdat men eerst licht moet hebben om te verstaan.
Het gebed wordt niet onderhouden, want een zondig mens kan niet bidden. En voorzover het gezin opgaat onder een prediking, geeft deze hetzelfde geluid.
Men kan begrijpen, dat een en ander tengevolge kan hebben, dat de jonge mensen zich onttrekken.
De ervaring leert, dat zulks onder de prediking der gezonde leer, heel anders is en dat de kinderen veelal gaan in de weg, die zij geleerd hebben.
Maar wanneer de „verkondiging" zo wordt gebracht, dat degenen, die haar horen, daarin beluisteren dat wij met God verzoend zijn in Christus, dat het zo is, of wij dat geloven of niet geloven, dat het heil ons allen beschoren is, hoe wil men, dat de jonge mensen, die dit horen en nog eens horen, behoefte hebben om verder nog naar de kerk te gaan?
Het ligt ook voor de hand, dat allen, die zoiets op gezag van een dominé niet aannemen, omdat de Bijbel daarover anders spreekt, ook niet meer bij die dominé komen.
Aan de klacht over achteruitgang van het kerkbezoek, is de nieuwe mode in de theologie niet onschuldig.
Het ware beter, dat men zich) bij de belijdenis hield.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's