De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE HOFNAR VAN GELRE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE HOFNAR VAN GELRE

FEUILLETON

4 minuten leestijd

Een verhaal uit het begin der zestiende eeuw

   O, gij weet het allen, mijn lieve vrienden, hoe het hieromtrent in de omliggende landen gesteld is, en hoe zich ook reeds onze hertog tot het vervolgen van de aanhangers der „nieuwe religie" heeft laten bewegen. En tegelijk gaat de zondige aflaatkramerij in 't buitenland haar gang. Gij weet niet half, hoe schandelijk en Godonterend men daarbij te werk gaat. Ik wist het eerst ook niet, tot ik voor korte dagen van een vriend uit Duitsland een brief ontving, waarin hij er iets van vertelde. Hij deelde mij o.a. mee, hoe de monniken na de verkoop van een aflaat, soms aan de kopers een stukje perkament meegeven, waarop het cijfer van de jaren aflaat geschreven staat en daaronder dit verske :
  
Is er iemand die niet wil en zijn
Gebraden ofte geroosterd sijn,
Bij duizend jaer in 't vaegevuer,
Of in de helle voor allen duer,
Hij coope de aflaeten maer,
De gratiën ende kwijtscheldingen te gaear
Voor ietswat geld ende goed : God hem dan het Ioonen moet.

Dit zijn maar enkele woorden van hun blasphemie !
Hoe genadig en barmhartig is onze God, die op ons het licht Zijner genade deed neerdalen. Hij vraagt geen geld, maar vergeeft •om niet, alles wat wij tegen Hem misdreven. —-om Christi wille ! Bidden , wij. Hem vurig, dat ook allen, die van onze maagschap zijn en nog in de schoot der valse kerk verkeren, door Zijn Geest geleid worden naar de Springader des levens.
   En, mijne vrienden, zo wij de Heere inderdaad kennen in het aangezicht van de Borg en Middelaar, o, dat wij dan nauw leren leven en dicht bij Hem ! Tot ere van de grote Hogepriester, die ons verloste ; tot een aanprijzing van Zijn dienst bij de naaste, maar ook tot eigen zaligheid der ziel. Laten wij dan dagelijks, zoals ik eens van een Godzalige schrijver las, drie boekskens met ons meedragen en die aandachtig lezen : één zwart, één rood en één met goud beschreven. Het eerste is het boekske van onze zonden en schuld voor de heilige God ; het tweede is het boekske van Christi voldoening voor die zonden en schuld, en het derde het boekske van 's Heeren rijke beloften en toezeggingen voor deze en de toekomende eeuw "
   Zo gaat de eenvoudige man voort, recht en slecht, doch bezielend, in zijn Gelderse tongval.
   En allen horen hem aan in bewogenheid en met instemming. De mannen rimpelen onwillekeurig hun voorhoofd of staren met iets van extase naar de dikke eiken balken der zoldering ; de vrouwen zuchten of brengen nu en dan even een punt van haar sloof naar 't vochtige oog..
   De gastheer en zijn vrouw evenwel tonen zich nog meer aangedaan dan de anderen, in 't bijzonder als meester Rutger wijst op „allen, die van onze maagschap zijn en nog in de schoot van de valse kerk verkeren". Want zij denken terstond aan hun zoon, hun Siebe, die monnik in 't Arnhemse klooster is, hun enige, die zijn ganse leven aan die verdorven kerk heeft gewijd, en nu, als hij ten minste niet door 's Heeren Geest is veranderd, hen, zijn ouders, moet — vloeken.
   Och, wat hebben zij voor hun jongen al gebeden, ja, geworsteld, om zijn ziel voor de Troon der genade !
En toch
  In 't bijzonder meester Occo is er door in sombere gepeinzen gevangen, zodat hij weinig meer opvangt van meester Rutger's vermanende woorden, hij, die toch al zo zwaarmoedig is door de wrede verbanning uit zijn geliefd vaderland.
   Hoe is de hoop voor enige tijd levendig geworden op spoedige terugkeer naar Emden bij het lezen van de brief; die Resius hem heeft getoond ! Maar, ach, neef Resius is reeds dagen weg en zendt niet het geringste bericht. Occo begint er aan te wanhopen, of hij de valse beschuldiger heeft kunnen uitvinden ; en twijfelt er eveneens aan, of de neef nog kans heeft gezien, om zijn zoon Siebe te spreken en met 's Heeren hulp de ogen te openen voor Gods reine leer.
   Hij twijfelt, voelt zijn kleingeloof, en dat pijnigt hem te meer. Want hij vreest met geheime angst, dat kleingeloof ongeloof zal worden. En dan ontvalt hem alles !
   En wellicht keert Resius ook niet terug ! 't Zijn zulke onrustige tijden ! Overal oorlog, vervolging en geweldpleging !

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE HOFNAR VAN GELRE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's