De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BIJZONDERE BELANGSTELLING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BIJZONDERE BELANGSTELLING

10 minuten leestijd

   Het orgaan van de Confessionele Vereniging toont bijzondere belangstelling voor de Geref. Bond. Ds. Groenewoud en ds. Krop vullen met elkander een belangrijk deel der kolonmien van het laatste nummer.
   Eerstgenoemde repliceert op het artikel „Verontrust en beducht" in „De Waarheidsvriend", een titel, die is ontleend aan uitdrukkingen van ds. G. zelf. Hij vindt het klaarblijkelijk onaangenaam, dat ik hem enkele malen de secretaris van de Confessionele Vereniging heb genoemd. Welnu, hij noemt mij voorzitter van de Geref. Bond en redacteur van „De Waarheidsvriend".
   Dit kan toch niet tot de onjuistheden worden gerekend welke hij meent op te merken. Doch hij wil alleen maar zeggen, dat hij als eind-redacteur en „onder eigen verantwoordelijkheid" heeft geschreven. Maar ik heb zijn schrijven waarlijk niet als een communiqué van de Conf. Vereniging beschouwd. Anderzijds schrijft hij toch in het orgaan van de Conf. Vereniging, terwijl mijn wederwoord in het orgaan van de Geref. Bond verscheen.
   Ds. G. denkt, dat ik door zijn artikel „tot verontwaardiging geprikkeld" zou zijn. Daarin vergist hij zich en ten bewijze daarvan wil ik nogmaals reflecteren op zijn schrijven in „de Gereformeerde Kerk" dd. 13 Maart, hoewel dat overigens overbodig is. Dit nieuwe artikel kan slechts aantonen, dat ik de voorstellingen van ds. G. niet anders kon begrijpen dan ik ze begrepen had. Hij wil de Geref. Bond „het als partij optreden" opdringen en hij wil hem opdringen, dat hij zich voor de eigenlijke kerk houdt, en hij roept — ik weet niet welke kerk — op om de Geref. Bond dergelijke hem aangewreven allures af te leren.
   Waarom de Confessionele Vereniging, en de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden niet door ds. G. van als partij optreden worden beticht, is overigens nog niet duidelijk.
   

   Het is intussen interessant om de toelichting van ds. G. te lezen op de door mij bestreden zinsnede : „niet omdat wij het als groep willen, maar, omdat dit de roeping der Hervormde Kerk is".
   Thans deelt ds. G. mede, dat hij alleen maar wilde zeggen, dat ons gemeenschappelijk streven kerkelijk legitiem is, dat het berust op het wezen der Hervormde Kerk".
   Ik had dat moeten begrijpen uit het nog wel „opzettelijk" geschreven woordje we inplaats van wij. Gaarne wil ik dit lesje in de Nederlandse taal appreciëren : als ds. G. we schrijft horen wij er bij, als hij wij zegt, ziet dat op hem en de zijnen. Het treft niet gelukkig, dat hij de bedoelde zinsnede zelf met wij aanhaalt.
   Het is echter verblijdend, dat ons gemeenschappelijk streven door ds. G. kerkelijk legitiem wordt geacht en, dat hij de G. B. in bescherming neemt tegenover degenen, die dit streven, dat van een partij zouden willen noemen. Hoe wij dat moeten verstaan, is niet heel erg duidelijk, want ds. G. zegt tegelijkertijd van het volgens hem zo helemaal verkeerd begrepen artikel: „Ik betoogde, dat de G. B. als partij optreedt, die zichzelf de eigenlijke kerk acht". (Cursivering van mij, S.) (zie blz. 174). Het staat er heus, en dan mag ik nog niet eens van „ongegronde beschuldiging"' spreken, als ds. G. de G. B, zoiets in de schoenen schuift.
   Het gemeenschappelijk streven van C. V. en G. B. is kerkelijk legitiem, en pas op, dat gij dat niet als het streven van een partij aanmerkt. En ds. G. zelf betoogt, dat de G. B. als partij optreedt en zichzelf de eigenlijk kerk acht.
   Dit laatste doet de deur dicht en schijnt wel als hoofdargument te moeten dienen voor, wat hij noemt, als partij optreden. De belijdenis spreekt wel anders van de ware kerk dan dat de G. B. zich als zodanig zou aanmatigen de ware kerk te zijn. Wie zal oordelen over de vrijmachtige genade Gods? Zeker niet de belijder van de leer der prsedestinatie volgens de confessie. En wie zal uitmaken, hoeveel ketterijen iemand er op na kan houden en toch nog een Christen zijn?
   Hier oordeelt alleen het Woord. Die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem. (Joh. 3 VS. 36). Een iegelijk, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. (1 Joh. 2 vs. 23). Hieraan kent gij de Geest van God: alle geetst, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God; en alle geest, die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, die is uit God niet; maar dat is de geest van de antichrist. (1 Joh. 4 vs. 2 en 3). Er zijn dus wel grenzen!
   Wie moge beweren, dat de G. B. zich voor de eigenlijke kerk houdt, doet dat op eigen verantwoordelijkheid, maar de G. B. beweert dat niet.
  
   De Evangelisaties.
Ik heb geschreven, dat hier de pot de ketel verwijt, dat hij zwart ziet.
   En nu vraagt ds. Gr. : Weet prof. Severijn een confessionele Evangelisatie in een Bondsgemeente ? 
   Ja, ik weet, dat de Evangelisaties te Nijkerk, te Veenendaal en te Ede, zich als confessionele aandienen. Maar ik heb niet beweerd, dat het Hoofdbestuur van de C. V. die opricht of predikanten probeert te krijgen in „Bondsgemeenten". Daarachter kan ds. G. zich niet verschuilen. Ik stel ook dat Hoofdbestuur niet verantwoordelijk voor wat confessionele, of zichl als zodanig aandienende, groepen doen, maar er zijn nu eenmaal zulke groepen en er is een C. V., zoals er gereformeerde groepen zijn en een G. B. Zij zijn zelf, niet allen georganiseerd in C. V. en G. B., maar de practijk spreekt een woordje mee.
  
   Of ds. G. de G. B. tot de kerk rekent. Hij meent van mij te mogen vergen, dat ik het in dit verband geschrevene ruiterlijk terugneem. Dat zou ik gaarne willen doen, als daarvoor aanleiding zou zijn, maar het woord is nauwelijks uit zijn pen, of hij schrijft, dat mijn hoofdbezwaar waarschijnlijk is, dat hij schreef: „De G. B. moet niet als partij in de kerk optreden. De kerk zal zijn pogen moeten verijdelen".
   Tevergeefs beklaagt ds. G. zich over onvolledig citeren mijnerzijds: De zaak verandert daardoor immers geenszins. Men oordele zelf: „De G. B. moet niet als partij in de kerk optreden; wil hij dat zelf toch, dan zal de kerk door haar reactie dit pogen moeten verijdelen". De door ds. G. gecursiveerde woorden maken het eigenlijk nog erger.
   Het is wel duidelijk, dat in dat „als partij optreden" een oordeel van ds. G. schuilt, dat veel meer gecompliceerd is dan het feit alleen, dat de G. B. evenmin als de C. V. onder de nieuwe kerkorde aanleiding heeft gevonden om te liquideren. En in de gedachten van ds. G. is dat zo ongeveer een- aanleiding om de kerk tegen de G. B. in het geweer te roepen.
   Is dat soms daarin gelegen, dat de G. B. opkomt voor de handhaving der belijdenis?
   Met welk recht wordt da reactie van de kerk daartegen opgeroepen?
   En welke kerk bedoelt ds. G.? Welke kerk kan dat zijn, die een legitiem kerkelijk streven van een groep lidmaten moet verijdelen? Dat moet dus een kerk zijn, die ontrouw is jegens haar eigen belijdenis. De vraag is dus zeer gewettigd in het kader van zijn betoog, of de G. B. er nog bijhoort of niet?
   Het oordeel van ds. G. wordt noch verduidelijkt, noch gerechtvaardigd door zijn nadere omschrijving: „het is de taak der kerk te zorgen, dat deze groep geheel betrokken wordt in de kerkelijke worsteling om de rechte dienst des Heren, zodat hij het zijne op kerkelijke wijze kan bijdragen tot de ontwikkeling van het Hervormd (Gereformeerd) kerkelijk leven".

   Ik moet hieruit begrijpen, dat ds. G. bedoelt te schrijven, „dat de G. B. zich terecht beijvert om de openbaring der Hervormde Kerk als Gereformeerde Kerk te dienen".
   Maar nu moet de kerk zorgen, dat de G. B. dat op kerkelijke wijze doet, en ds. G. wil daarmede voorkomen dat anderen (ook confessionelen) de actie van de G. B. met partijactie zouden beantwoorden  
   Uit zijn toelichting volgt verder, dat hij die kerkelijke wijze bedoelt als samenspreking tot opname en doorwerking van het zuiver Gereformeerde element in de Hervormde Kerk. Saamspreking met wie? Met de kerk, die zorgen moet, dat de G. B. dat op kerkelijke wijze, dat zou dus zijn door saamspreking doet? Of met andere groepen, opdat het „zuiver Gereformeerde element" worde opgenomen?
   Hoe wil nu een groepenkerk van zulk een gemengd karakter, dat zelfs van opname van „het zuiver Gereformeerde element" wordt gesproken, op kerkelijke wijze beoordelen ? Als de groepen samen „kerk" worden genoemd, kan dan die vergadering van groepen worden aangesproken op 't punt van kerkelijk handelen ?
   Of leert ons de gereformeerde belijdenis niet anders omtrent kerkelijk handelen? En heeft de G. B. niet genoegzaam bewezen in de kerkelijke weg te willen gaan?

4. Schrift en belijdenis. Hier stuit ik alweer op hetzelfde bezwaar. Als ds. G. mijn artikel nog eens naleest, zal hij ontdekken dat ik hem geenszins heb verdacht, dat hij de H. Schrift discutabel stelt. Maar daarom juist is zijn redenering zo duister. Hij constateert het feit, dat het in de kerk zo is. Dat feit weerspreekt niemand, Hiaar kan de kerk dat feit aanvaarden?
   Kan de kerk allerlei Schriftbeschouwing tot onderwerp van bespreking maken, zonder zelf de Schrift discutabel te stellen? En hoe wil de kerk, dat ieder zijn particuliere mening aan het oordeel van Schrift en belijdenis onderwerpt, als zij niet begint, met Schrift en belijdenis, dat is dus allereerst de belijdenis omtrent de Schrift te aanvaarden en buiten discussie te stellen? Dat is de zaak waarom het gaat, en dat zegt ds. G. niet!

5. Partij en secte. Ds. G. komt terug op zijn eigen woorden aangaande de secte en onze repliek. Thans zegt hij, dat hij er niet aan denkt te beweren, dat de handhaving der gereformeerde belijdenis de Hervormde Kerk tot secte zou maken.
  
   Dat komt misschien overeen met wat hij als het gemeenschappelijk streven van de G. B. en de C. V. heeft betoogd. Hij zegt immers in dat opzicht naast de G. B. te staan.
   Dan zijn wij dus in dat opzicht samen partij! ?
   Neen, neen, de G. B. treedt op als partij en nu dreigt de Hervormde Kerk secte te worden, volgens ds. G. Ds. G. wil in beginsel, wat de G. B. wil, maar de G. B. treedt „als partij op, die zichzelf de eigenlijke kerk acht".
   En de C. V.? Zij laat de kerk kerk zijn. Hoe dat is en wat dat is?
   Dat zou nu een onderwerp van gesprek kunnen zijn. En het is ook van belang, want ds. G. herhaalt nogmaals zijn naar ons oordeel ongegronde grief over de G. B.
   En over uitsluiten gesproken, dat moet de kerk doen, zegt ds. G., t.w. „in haar ambtelijke vergaderingen, en dan nog uitsluitend in gehoorzaamheid aan de Here Christus". Zijn wij reeds aan zulke ambtelijke vergaderingen toe ?
   Het is niet de vraag, of de Hervormde Kerk in haar tegenwoordig stadium van ontwikkeling nog waarlijk kerk is, nog minder, of zij dat voor prof. Severijn is, zoals ds. G. de vraag stelt, want geen gereformeerd man matigt zich aan die vraag ontkennend te beantwoorden.
   Maar het gaat over de openbaring der kerk overeenkomstig haar aard en wezen, zoals de Heilige Schrift daarvan getuigt.
   En daaromtrent zullen zij het toch eens moeten zijn, die de belijdenis ernstig nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BIJZONDERE BELANGSTELLING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's