De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN DOMINE VERTELT

6 minuten leestijd

DOOPZITTINGEN EN DOOPQÜESTIES

XVI.

Hier volgt nog een beschrijving van een Doopzitting in een grote stadsgemeente.

   Het is Vrijdagavond acht uur. Langzamerhand beginnen er ouders binnen te komen, want van acht uur tot half negen is er gelegenheid tot aangifte van kinderen voor de Doop op de daaropvolgende Zondag.
   In de grote kerkeraadskamer wachten zij op hun beurt.
   Twee Ouderlingen zitten in een kleinere kamer, waar de dienstdoende predikant ook binnentreedt.
   Eén voor één worden de ouders hierheen geroepen. Dat is wenselijk; in sommige gevallen zelfs noodzakelijk, 't Is voor de ouders aangenamer en gemakkelijker, wanneer de Ouderlingen met hen spreken, dat zij alleen met hen zijn.
   (In L. kon dat niet, omdat er in die dagen maar één lokaliteit was, waar alles gebeuren moest. In bijzondere gevallen verzochten wij dan de vaders wel eens, even te wachten).
   Het eerste, wat opvalt, is, dat er bijna geen vaders aanwezig zijn en dat in hun plaats de moeders der kinderen zijn gekomen.
   Op de vraag: „Waar is uw man? " Of: „Waarom kwam uw man niet? " klinkt het antwoord meestal kortaf: „Mijn man kon niet!" „Mijn man is op zee!" „Hij had de wacht!" „Hij had geen zin!" „Hij doet er niet aan!"
   Meer dan eens is het gebeurd, dat 's Zondags moeder daar alleen stond voor de Doop.
   Niet, dat ik het omgekeerde nu wenselijk vind, namelijk, dat vader daar alleen zou staan. Dit komt immers voor bij de vroegdoop in de Gereformeerde Kerken.
   Men grondt dit hierop, dat de man het hoofd van het gezin is, en dat de vrouw immers in de man begrepen is.Dit moge zo zijn, maar de toestanden in de grote steden brengen het nu eenmaal mee, dat de vaders veel van huis zijn; soms maanden lang op zee. Dat de moeder practisch toch eigenlijk alleen staat voor de opvoeding van haar kroost en het feitelijk op haar neerkomt.
   Niet, dat wij daaruit concluderen, dat het in vele gezinnen zó geworden is, dat daar de man in de vrouw begrepen is; toch heeft het er iets van en ik acht het dus zeer wenselijk, dat ook de moeder in Gods huis de doopvragen beantwoorde en dat het woord „moeder"' in het Doopformulier niet langer tussen haakjes sta.
   Gij kunt u wel denken, dat er op zulk een stadse Doopzitting heel wat afgepraat wordt, met dat gevolg, dat men toch geen stap verder komt. Het enige, wat de moeder volhoudt, is : „ik wil toch gaarne mijn kind gedoopt hebben". Sommigen voegen er aan toe: „dan heb ik tenminste mijn plicht gedaan".
   Men kan dan weer een heel verhaal afsteken daarover, dat in de H. Doop van plichtsvervulling van onze zijde geen sprake is; althans niet in de wettische zin. Dat de roeping deri Ouders pas recht begint, nadat zij ds doopvragen toestemmend beantwoord hebben. Dat de aandacht niet valt op ons moeten en dat het laten dopen van zijn kinderen geen gebod is in de gewone zin des woords. De aandacht valt op hetgeen de gelovige Ouders in de H. Doop betekend en verzegeld wordt.
   (Dit mag trouwens ook wel tot de „vroegdopers" gezegd worden, van wie ik er eens een koelweg heb horen beweren in) een gesprek ten mijnen huize: „de H. Doop is een gebod en een gebod moet ik zo spoedig als het kan, opvolgen". Zó beschouwd, is genade geen genade meer).
   Zeer zeker zal men deze dingen ook aan de Ouders voorleggen. Intussen is men zich zelf wel bewust, dat met die éne onderwijzing de zaak niet opgehelderd is.
   Ook komen er wel vaders, die hun onverschilligheid niet onder stoelen of banken steken. Lachend treden zij binnen. Zij vinden de grap blijkbaar zó kostelijk, de Doop voor hun kind te vragen, dat zij zich van vrolijkheid haast niet inhouden kunnen.
   „Komt gij ter kerk? " wordt hun gevraagd. „Neen, nooit!" antwoorden zij.
   „Waarom wilt gij dan uw kind laten dopen? " gaat het verder.
   „O", luidt het: „mijn vrouw stond er op en haar ouders ook. Mij kan 't niet schelen. Het was mij al lang goed en daarom ben ik hier".
   Weer is er een ander, die antwoordt : „Neen, in de kerk kom ik niet!"
   „Zijt gij lidmaat? " Antwoord: „Ik ben protestant".
   Ik herhaal: „Zijt gij lidmaat? Hebt gij belijdenis gedaan? "
   Deze vraag wordt niet begrepen, waarop zij veranderd wordt: „Zijt gij aangenomen? " Nu gaat hun een licht op. Iets van Roomse zuurdesem is hun nog bijgebleven: Neen, aangenomen zijn zij niet.
   Weer een ander zegt: „Ik kom niet in de kerk en ben het ook niet van plan".
   Ongetwijfeld zult gij dan zeggen: „Zó kan ik uw kind niet dopen".
   Dan is het hek van de dam. De man stuift op en zegt: „En waarom konden de kinderen van die of die wèl gedoopt worden? Die ouders komen ook nooit in de kerk en hebben u wat voorgelogen, toen zij beweerden, wèl te kerken. Dus omdat ik eerlijk geweest ben, mag mijn kind niet gedoopt worden en omdat die anderen gelogen hebben, mogen hun kinderen wèl gedoopt worden? "
   Dan zet gij dat vanzelfsprekend recht en zegt: „Gij wordt niet geweigerd, omdat gij in dit geval de waarheid spreekt, maar omdat gij onverschillig zijt en er ook nog trots op toont te wezen. Wat die anderen betreft, laat die maar rusten. Willen zij ons voorliegen, dat is een zaak, die zij voor God hebben te verantwoorden".
   Misschien vraagt iemand, die dit leest : „Zijn dan alle doopvaders en - moeders zo? " Maar ik sprak u reeds van anderen. Neen, daar zijn er, Gode zij dank, ook onder, die vrezend en bevend de H. Doop van hun kind uit Gods hand ontvingen. Die er behoefte aan hadden, betekend en verzegeld te zien, dat niet alleen hun, maar ook hun kinderen de belofte toekwam. Voor wie de H. Doop dus meer betekent dan een plechtige kerkelijke naamgeving.
   Hoe heerlijk is het, daar de Doop te mogen bedienen.
   Verder zitten daar onder die doopouders ook wel uw geestverwanten in de bijzondere zin des woords. Dat zijn degenen, die bij voorkeur UW prediking volgen. Zij wisten, wanneer hun domine preekte en hebben daarop expresselijk gewacht. Dan zijn er ook nog, die bij elke predikant kerken en geen verschil maken. Ten slotte zijn er nog de dominees zelf, die stad en land aflopen om de ouders te bewegen, hun kinderen te laten dopen, wanneer ZIJ dienst hebben, aldus trachtend zoveel mogelijk kleine proselieten te maken.
   Dat zijn de ambtsdragers, die gaarne mei getallen werken en het noteren, hoeveel dopelingen zij hebben. Wie het in dit opzicht ook wel wat zou verdrieten, wanneer de dochteren Israels zongen: „Saul heeft zijn duizenden verslagen, maar David zijn tienduizenden!" Zij zouden zich voelen als Saul, die tegen David niet op kon.
  

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN DOMINE VERTELT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's