De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OP DE GOEDE WEG?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OP DE GOEDE WEG?

6 minuten leestijd

   Wij ontmoetten deze vraag een en ander maal in verschillend verband b.v. ten aanzien van het jeugdvraagstuk en zelfs werd de vraag met de kerkorde in verband gebracht. Zijn wij op de goede weg met de nieuwe kerkorde ?
   Ik geloof niet, dat de vraag zo moet worden gesteld, althans niet in de huidige situatie. Zonder de invlo.ed van de kerkorde op de gang van zaken te willen verkleinen, mag worden aangenomen, dat het welwezen niet in de eerste plaats van de kerkorde afhangt. Een ker|torde kan daartoe zeker bijdragen, en kan dal bemoeilijken, maar er hangt veel meer van af, hoe zij wordt gehanteerd.
   Afgezien van bezwaren, welke men tegen de kerkorde kan aanvoeren, werd reeds in een der eerste bijeenkomsten, waarin het ontwerp besproken werd, van verschillende zijden opgemerkt of toegegeven, dat het van grote betekenis zou zijn, hoe en door wie de kerkorde zou worden gehanteerd.
   Reeds daarom heeft het in de huidige situatie weinig zin om te vragen, of wij met de nieuwe kerkorde op de goede weg zijn. Nog minder, of wij niet een andere nieuwe kerkorde zouden wensen.
   Ook voor hen, die van meet af daaromtrent andere voorstellingen hebben gekoesterd, kan die vraag blijven rusten. Voorlopig kan men zich beter afvragen, of we op de goede weg zijn om een gezond kerkelijk leven te kunnen bevorderen. Ik zeg niet om tot een gewenst kerkelijk leven te kunnen komen, want hier gaan de wensen uiteen.
   Als zeker kan men aannemen, dat de kerkorde, zoals die er thans uitziet, werd geboren uit zekere idealen, die bij de eerste opstellers en later in de kerkelijke vergaderingen hebben geleefd en nog leven.
   Wij laten in het midden, in hoeverre het resultaat en de toepassing van de kerkorde beantwoorden aan de verwachtingen van allen, die daaraan hebben meegewerkt. Die verwachtingen zijn trouwens zeer verschillend geweest. Het is verder de vraag, of allen de Hervormde Kerk wel genoegzaam hebben gekend en of de richtingen niet van meet af in de weg hebben gestaan, omdat het volstrekt niet denkbeeldig is, dat iedere richting ook bepaalde voorstellingen aangaande de kerk en haar roeping heeft.
   In ieder geval heeft de vraag, of wij op de goede weg zijn, iets te zeggen. En het zullen alweer de richtingen zijn, die de beantwoording van deze vraag, stel al dat de vraag algemeen is, zullen bemoeilijken.

Napleiten heeft hier ook weinig zin , doch in het algemeen zou het toch niet kwaad zijn om zich eens te bezinnen op enkele hoofdzaken. Bijzonderlijk twee dingen treden daarbij op de voorgrond: het z.g. apostolaat en de pastorale arbeid.
   Het is bekend, dat de kerkorde een zeer ruime plaats biedt aan het z. g. apostolaat. Op zichzelf is dat verklaarbaar in een tijd; die wordt gekenmerkt! door een proces van ontkerstening met zijn dreigende gevolgen en gevaren.
   Doch, hoezeer de kerk hier tot een gewichtige taak wordt geroepen, en deze moet ter hand genomen, een bewerktuiging in het leven te roepen zonder allereerst het kerkelijk leven zelf te saneren, kan zelfs betekenen het paard achter de wagen te spannen.
   Het eerste en voornaamste doen en het andere niet nalaten, is hier geboden. Het is de kerk en niet de organisatie voor een kerk, welke het apostolaat moet dienen. Men versta goed. De kerk zal slechts door haar organen dit werk kunnen aanpakken, maar de kerk, de levende kerk, moet de organen scheppen en bezielen.
   Daarom houden wij de organen ook gaarne heel dicht bij de kerk in haar plaatselijke openbaring en hebben wij bezwaar tegen een centralisatie van het voorgenomen werk, zoals die door de raden wordt voorgesteld.
   Het gevaar van een ambtenaarlijk ondernemen kan moeilijk worden vermeden, terwijl de kerkelijke beiangstelling op een afstand blijft.
   Maar daarom ook diende men vóór alles na te streven, wat de pastorale zorg der gemeente kan bevorderen. En ook dit werk diende van de plaatselijke toestanden uit te gaan. Wie geen vreemdeling in Jeruzalem is, weet. dat het in tal van gemeenten droevig gesteld is met het kerkelijk leven. Er zijn gemeenten, waar de herders overbelast zijn, en dat is het ergste niet, maar er zijn óok plaatsen, waar in feite niet veel meer dan een kerkeraad is, als men slechts het kerkbezoek tot maastaf neemt. En dat is toch ongetwijfeld een peilschaal.
   Het is volstrekt niet overdreven, als in een gemeente 20 % — 30 % van het aantal der doopleden de samenkomst der gemeente bijwoont. En als men hierbij in belangrijke mate achterblijft, is er kennelijk iets niet in orde. In zulke plaatsen mankeert er toch kennelijk veel aan de pastorale arbeid. Wij zien daarbij niet in de eerste plaats op de predikant. Wellicht is de pastor loci op zijn wijze bezield met de beste bedoelingen en met ijver vervuld.
   En toch kan kan daarmede niet volstaan. Zulke toestanden wijzen op een ontbreken van de ware gemeente-vormende kracht en vragen om nader onderzoek. Men kan zelfs verdedigen, dat de kerk hier allereerst een taak heeft.
   Een organisatie zonder gemeenten, kan moeilijk stand houden.

   In verband met de toestanden in zulke plaatsen, ware het goed de aandacht te vestigen op een evangelisatie-arbeid en zijn organen, en op de afvloeiing van gemeenteleden naar andere kerkgemeenschappen. De evangelisatie wordt al te lichtvaardig als een partij-optreden veroordeeld. En men behoeft nog niet zonder critiek op het verschijnsel te zien om toch te verstaan, dat in de evangelisatie een aanwijzing kan liggen van een tekort van pastorale zorg bij de kerkeraad en een onjuiste opvatting daarvan, waarvoor do verantwoordelijke leiding der kerk een open oog moet hebben,
   In ieder geval is de evangelisatie oen levend protest tegen de predik'ng van de kerkeraad en hier heeft de kerk wat te doen.
   De aangewezen of aan te wijzen kerkelijke vergadering zal dit protest dienen te beoordelen als al of niet gerechtvaardigd, vanzelfsprekend niet naar de maatstaf van subjectieve gevoelens, maar naar de belijdenis.
En dan moet er gehandeld worden. Niet alleen de geestelijke welstand der gemeente is hier in het geding, maar er is ook een stoffelijke kunt aan. Er is een direct verband tussen het geestelijke en het stoffelijke welvaren der gemeente.
  
   In dit verband heeft het wat te zeggen, dat, "In de Waagschaal" een verzuchting slaakt over de vlucht uit het ambt. Mag men daaruit de conclusie trekken, dat in zulke predikanten de ware herder afwezig is? Of is hij ontmoedigd, omdat het gemeente-leven ontbreekt in de plaats, waar hij werkt? Of ......  men kan hieraan nog vele vragen toevoegen. Het verschijnsel als zodanig moet toch een oorzaak hebben. Zonder twijfel zijn er vele predikanten die er niet over denken de Dienst des Woords in de gemeente te ontvluchten, omdat zij het ambt liefhebben en ontvluchting voor hen met desertie uit de heirbaan van Christus zou gelijk staan.
   Dit is een geestelijk vraagstuk en daarom van het hoogste gewicht, hetwelk de leiding der kerk maar niet zonder nader onderzoek kan laten gaan.

Zo zijn er verschijnselen in het kerkelijk leven, die veel meer de aandacht nodig hebben, dan velerlei kwesties, waarover men zich druk maakt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OP DE GOEDE WEG?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 maart 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's