De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EVANGELISATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EVANGELISATIE

9 minuten leestijd

   Is de „evangelisatie" een noodzakelijk kwaad ?
   Dat is zó maar niet te zeggen. En het is ook nog wat anders dan in het algemeen te vragen : is evangeliseren een kwaad ?
   Deze vragen brengen ons midden in de moeilijkheden van de kerkelijke vragen. We willen die onder het oog zien zonder ook maar te reppen van „partij" en „partijstrijd", omdat deze vragen kerkelijk moeten worden bekeken.
   Evangeliseren, arbeiden tot uitbreiding van het Evangelie kan moeilijk een kwaad heten. Doch wat zullen wij verstaan onder evangeliseren ?
   In zekere zin evangeliseert de kerk des Heeren overal, waar zij verschijnt. Zij evangeliseert door haar openbaring, door haar aanwezig zijn, door haar belijdenis, haar prediking, haar getuigenis, zoals wij daarvan lezen in haar eerste openbaring.
   „Ziet, hoe lief zij elkander hebben". Wij denken dan bij het woord kerk nog niet aan de kerkvormen, die wij kennen, ook niet aan de Hervormde Kerk, als een bepaalde organisatie, maar aan de openbaring van het waarachtig geloof in de wereld. In dat geloof wordt een gemeenschap openbaar. Het geloof verenigt en daarom is in het geloof de gemeentevorming begrepen.
   De gemeenschap der heiligen is de gemeentevormende kracht, wijl zij is verbonden door een levende betrekking tot de Christus der Schriften, welke de Zijnen vergadert door Zijn Woord en Geest.
   Op dat vergaderen mag wel de nadruk vallen. De verrezen Christus aan de rechterhand Gods gezeten vergadert Zijn gemeente uit alle volken en natiën en bereidt hun plaats tot de dag Zijner wederkomst. En zo waarlijk zij allen aan Hem worden verbonden door het geloof en Zijn dag verwachten, moet ook op aarde iets van die gemeenschap openbaar worden ook daarin, dat zij op elkander betrokken zijn: Eén geloof, éen doop, éen Heere. Zo groeit de samenkomst der gemeente uit het gemeenschappelijk geloof en dit openbaart zich in gemeenschappelijke oefening des geloofs en in gemeenschappelijk belijden.
   Het geloofsleven draagt door dit alles reeds een evangeliserend karakter en dit werkt door in de kring, waarin de gelovigen zich bewegen. Allereerst in hun gezin, maar ook daarbuiten. De geschiedenis kan aantonen, dat strijd en vervolging niet weinig bijdragen kunnen tot een vruchtbaar getuigenis.
   Wij zouden onder dit gezichtspunt kunnen zeggen, dat het evangeliseren met het geloof gegeven is en daarvan een levende uiting is.
   Het behoeft niet gezegd, dat de Zendingsarbeid, zoals deze door de gemeente te Antiochië werd aangegrepen en in gang gezet, door die evangeliserende drang des geloofs wordt aangevuurd en door het geheel gedragen, een min of meer georganiseerd karakter aanneemt. De kracht en volharding van het Zendingswerk blijkt intussen altijd heel sterk gebonden aan het geloof en beleid van degenen, die zich tot deze arbeid geroepen weten. In dit opzicht heeft de zendeling iets van de apostelen. Dat komt trouwens in heel zijn werk in de groeiende .gemeente uit. Hij is dienaar des Woords, ouderling en diaken tegelijk.
   De „evangelisatie", die wij op het oog hebben, heeft zowel met het evangeliseren des geloofs als met de Zending te maken en verschilt tegelijkertijd van beide.
   Deze ,,evangelisatie" ontstaat in een plaats, waar althans in naam nog een gemeente is. Beter gezegd, zij ontstaat ter plaatse, waar de kerk werd gevestigd en georganiseerd. Zij werkt aldaar naast de officiële kerkeraad onder de gemeenteleden, of gaat van een groep gemeenteleden uit.
   Aanleiding vindt zij in het feit, dat de georganiseerde kerk ter plaatse niet beantwoordt aan een kerkelijk en geestelijk leven, gelijk dit naar 't oordeel der evangeliserende leden overeenkomstig het Evangehe behoort te zijn, of zoals zij het wensen.
   Zo ruim moet de zaak gesteld worden om tegemoet te komen aan de in dit verband bestaande toestanden. Immers allerlei gezindten evangeliseren op kerkelijk terrein, d. w. z. zij zoeken een geloofsgemeenschap te stichten of te onderhouden naar hun gevoelens en inzichten, terwijl de officiële kerkelijke organen ter plaatse van andere gezindheid zijn.
   Het is duidelijk, dat het woord „evangeliseren" in deze practijk verschillende ,,opvattingen" van het Evangelie omvat en reeds daarom op een gemis van één gemeenschappelijk geloof wijst, zodat „evangeliseren" de betekenis heeft aangenomen van openlijk protest tegen de prediking der plaatselijke kerk.
   De ,,evangelisatie" heeft haar aanleiding in de critiek der evangeliserende gemeenteleden op de plaatselijke prediking, om het even of deze rechtzinnig of vrijzinnig mag heten. Daarkomt bij, dat geen , , evangelisatie", kan worden vrijgepleit van het streven om zich ter plaatse tot officiële prediking te verheffen.
   Daaraan hgt alzo de gedachte ten grondslag, dat de evangeliserende groep van oordeel is, dat zij die prediking zoekt, welke naar haar voorstelling als de kerkelijke behoort te gelden.
   Indien niet, dan zou men het standpunt moeten verdedigen, dat de verschillende groeperingen als, zodanig op kerkelijke erkenning aanspraak mogen maken, zodat de verschillende opvattingen aangaande het Evangelie als kerkelijke leringen worden aanvaard, met 't gevolg, dat zij alle evenveel recht op kerkelijke verzorging van hun geestelijke behoeften, belangen en inzichten zouden mogen laten gelden.
   Bij zulk een opvatting zou het woord kerkelijk al even onbepaald als het woord „evangehsatie" worden. Kerk zou dan zoveel als georganiseerde verwarring betekenen en de gemeenschap des geloofs ware een boven de opvattingen zwevende idee zonder werkelijkheid. Een huis, dat tegen zich zelf verdeeld is, kan niet bestaan. De gewoonte, die sommigen hebben om van modaliteiten te spreken, wijst trouwens in de richtng van zulk een idee. En deze mensen moeten het optreden van evangelisaties welhaast toejuichen en er naar streven ze kerkelijk te organiseren zonder onderscheid van richting.
  
   Het oorspronkelijk gebruik van het woord ,,evangeliseren" getuigt echter van een tegenstelling, waarin het zijn rechtvaardiging vond. Men ging n.l. evangeliseren in plaatsen, waaronder de heerschappij der vrijzinnigheid vervreemding van het Evangelie was ingetreden. De evangelisatie zette immers vooral posten uit in vrijzinnige streken als Noord-Holland, Friesland, Groningen en Drenthe.
   Deze evangelisatie-arbeid, welke door het particulier initiatief werd ondernomen, is een soort inwendige Zending. Vandaar dan ook „de Bond voor inwendige Zending", welke van Hervormd-Gereformeerde zijde werd opgericht, om dat werk te ondernemen op de grondslag van de belijdenis der kerk.
   Daarmede kwam deze Bond zonder twijfel een stap dichter bij 't kerkelijk standpunt n. I. evangeliseren in overeenstemming met de gereformeerde confessie. De bovengenoemde arbeid was n.l. veelal in ,, ethische" handen. Zonder af te dingen óp de goede bedoelingen en de ijver van deze mensen en zonder een oordeel te vellen over hun persoonlijk geloof, namen zij tegenover de kerkelijke belijdenis toch een zeer vrij standpunt in, al noemden zij zich gaarne orthodox.
   Met alle lof, welke overigens deze evangeliserende arbeid verdient, en welke wij daaraan ook gaarne toekennen, is toch deze vorm van evangeliseren kerkelijk beschouwd een vreemde figuur.
   Een vrijzinnige kerkeraad, welke ongemoeid en ongestoord in. zijn vrijzinnigheid functioneert, is kerkrechterlijk beschouwd eveneens een vreemde figuur.
   Geen mens behoeft zich er dan ook over te verwonderen, als de kerkelijke organen in gebreke blijven voor de belijdenis en haar handhaving op te komen, dat van uit de misdeelde en verwaarloosde gemeente bezwaren, grieven en protesten in woord en daad opgaan. De evangelisatie, die voor een prediking volgens de kerkelijke belijdenis opkomt, is dan ook geen revolutionair verschijnsel, geen muiterij of sectarisch drijven, maar een noodsein, dat de plaatselijke kerkeraad en de kerkelijke vergaderingen openlijk aanklaagt wegens ernstige plichtsverzaking.
   Leden der kerk, die voor de belijdenis en haar handhaving opkomen, kunnen bezwaarlijk daarom voor een secte worden uitgemaakt. Daarentegen, die op het gestoelte der ere zitten en der gemeente onthouden, wat haar toekomt, n.l. een prediking naar de confessie der kerk, en die de handhaving der belijdenis weerstaan, zijn veeleer revolutionair en voor een secte te houden. Want dié is niet kerkelijk, die in de kerkeraad zit, of de kansel beklimt, maar dié is kerkelijk, die de belijdenis der kerk in ere houdt. Immers gemeente en gemeenschap des geloofs hebben iets met elkander te maken en houden direct verband.
  
   Tot dusver hebben wij gesproken over evangelisatie in een gemeente, waar de verantwoordelijke leiding vrijzinnig is, of dermate van de kerkelijke belijdenis afwijkt, dat evangeliseren gerechtvaardigd mag heten. Want men moet ook niet lichtvaardig en overhaast tot zulk een maatregel overgaan.    Evangeliseren in de gemeente betekent toch, dat men op eigen verantwoordelijlsheid gaat doen, wat de taak van de kerkeraad is. Men zal zulk een daad voor de Heere der Kerk hebben te verantwoorden. Uit dien hoofde is het op zijn plaats om tot voorzichtigheid te vermanen.
   Er wordt echter ook geëvangeliseerd in gemeenten, waar de kerkeraad zijn taaK begeert te vervullen in, getrouwheid aan de belijdenis der kerk. En dat geschiedt door mensen, die niet gaarne voor vrijzinnig zouden gehouden willen worden. Ook in dit opzicht ontbreekt het aan een kerkelijke tucht der daartoe geroepen organen. Er zijn evangelisaties, welker bestuursleden op de vraag, of de plaatselijke prediking dan in strijd is met de confessie, moeten verklaren : neen, dat niet.
   Daarmede is kerkrechtelijk hun evangelisatie moeilijk te rechtvaardigen en plaatst deze zichzelf in de hoek der sectariërs.
   Zo wreekt zich aan alle kanten het gebrek aan geestelijk opzicht en tucht.

   Men kan deze redeneringen als te doctrinair en te formalistisch afwijzen. Maar daarmede zijn wij niet uit de verwarring. Integendeel. Men neemt die ook niet weg door een leer van modaliteiten, welke op de werkelijkheid niet past en van onderstellingen uitgaat, die aan de ziel van het kerkelijk leven geweld aandoen.
   Het argument, dat men de belijdenis niet als een wet kan hanteren, en andere argumenten, welke tegen de handhaving der belijdenis worden aangevoerd, verliezen hun kracht reeds daardoor, dat zij met evenveel recht tegen de onderstellingen van het modaliteitsstandpunt kunnen worden aangevoerd.
   Derhalve zal een andere weg moeten worden gevonden om de wantoestanden op kerkelijk terrein te overwinnen.
   De verschillen tussen de z. g. modaliteiten zijn te groot en de erkenning der modaliteiten als gelijkgerechtigd, zou consequent tot een aantal modaliteitenkerken voeren, voor zover zij althans in staat zouden zijn een eigen leven te onderhouden. Zoiets, als de modus-videndi voorstelde.
    Daartegen echter richt zich het streven naar concentratie van de kerkorde. Een concentratie, welke alleen administratief werken wil en geen steun vindt in een gemeenschappelijk draagvlak des geloofs (de belijdenis), kan geen effect sorteren.
   Het doctrinair kerkelijk standpunt zal toch uitgangspunt en richtlijn moeten wezen, zonder daarbij het óog voor de werkelijkheid van de kerkelijke toestanden te sluiten bij de overweging van maatregelen, welke allengs tot een meer gezond kerkelijk leven kunnen leiden.
   Niemand kan verwachten, dat een toestand van verwarring, welke gedurende zovele generaties ontstond, in enkele jarenzou kunnen worden opgeheven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EVANGELISATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1952

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's