EEN DOMINE VERTELT
Doopzittingen en Doopquesties
XVI.
De vraag blijft nu evenwel: hoe moet hier m al die bovengenoemde gevallen gehandeld worden ?
Er zijn er velen, die de leer huldigen : „alles dopen, want in het Doophuis komt". Zij voegen er dan bij : dat zeiden en deden onze vaderen ook. En daarmee zijn zij dan klaar.
Zeker is, dat dit wel de gemakkelijkste manier is. Men is dan eigenlijk van alle moeilijkheden af en kan zijn doopgetallen vol maken ; maar is de zaak daarmee uit ?
't Is maar de vraag, wat men met deze uitdrukking : ,, alles dopen, wat in het Doophuis komt", bedoelt ? In geen geval hebben onze vaderen daarmee willen zeggen : alles maar raak te dopen", maar : het bedienen van de H. Doop zo ruim mogelijk te stellen. Men zal daarbij gedacht hebben aan het woord van Paulus : ,,De ongelovige man is geheiligd door de vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man. Anders waren uwe kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig."
Er staat toch ook boven het Doop formulier : „aan de kleine kinderen der gelovigen". Wanneer die gelovigen nu pure vijanden bhjken te zijn en wij horen en zien dat, dan is het onverantwoordelijk, toch met de kinderdoop maar voort te gaan als was er niets gebeurd, dat het ons beletten kon.
Doen wij het toch, dan vergeten wij, dat er in alle verbonden twee delen begrepen zijn en dat dit tweede deel, namelijk „de nieuwe gehoorzaamheid", totaal ontbreekt. Dan reiken wij het teken uit, dat zulke kinderen van die der gelovigen onderscheidt, en het onderscheid zelf is niet aanwezig.
Hoe men het ook wendt of keert, maar dit kan niet goed gepraat worden. Dopen zonder geloof is onbestaanbaar. Doet men het toch dan vloeit dit evenzeer voort uit overschatting van de Doop of men maakt het H. Sacrament dienstbaar aan de aardse kerk.
De H. Doop mag niet-onKierschat, maar ook niet oferschat; want hij is niet zaligmakend.
Hoe dikwijls heb ik ouders al verwijtend horen vragen : „En moeten onze kinderen daaronder lijden, dat gij ze niet dopen wilt, omdat wij niet in de kerk komen en het dus op hen wreekt? "
Jammer, dat zij het zo opvatten. Want wij wreken hier niets, maar de ouders willen niet erkennen, dat het hun eigen schuld is en dat de kinderen er onder lijden moeten, wanneer de ouders onverschillig zijn en dat zij daarom zeker niet verloren zijn, omdat zij niet gedoopt zouden wezen.
Vraag van mij niet, hier een regel aan te geven in deze doopchaos.
Gaarne ben ik intussen voor een ruime opvatting, maar niet in de lichtzinnige zin. Er moet bij de ouders ernst gevonden worden en tenminste enig begrip van de betekenis van de H. Doop. Was deze er niet, dan heb ik meer dan eens de vaders of moeders weggezonden, ondanks de Reglementen.
Ik zou zelfs een vraag hier tegenover willen stellen : Mag een Evangeliedienaar dopen, wanneer ouders zouden weigeren de doopvragen te beantwoorden ? Immers neen! (Iemand mag en kan toch niet in het ambt bevestigd worden, wanneer hij niet eerst de gestelde; vragen beantwoordde).
Is het dan in elk geval niet nodig, dat er met zulke ouders eerst eens gesproken wordt ? Kan men toch maar 20, zonder meer tot de H. Doop overgaan, ook wanneer de ouders de vragen niet kunnen beantwoorden, omdat zij van niets weten ?
Er zijn ouders, die, voorlopig heengezonden, niet werden losgelaten en later, enigszins onderwezen, terug kwamen. Er zijn er ook, die nimmermeer verschenen. Ligt dit dan voor onze verantwoording ? Ook wanneer zij behoorlijk bezocht werden ? Ik kan het niet inzien, al is de Kerk daarmee van die gezinnen niet af.
Misschien wil men nog tegenwerpen : Wanneer die kinderen gedoopt waren, had men in hun later leven althans nog een aanknopigspunt behouden.
Maar mag dan de Doop bediend worden alleen met het oog daarop ? Bovendien vrees ik, dat gij dit aanknopingspunt ook te hoog taxeert.
Meer dan eens heb ik jonge mannen in verbeten woede horen zeggen : „Kan ik het helpen, dat ik gedoopt ben ? "
De H. Doop mag niet bediend worden bij wijze van proef of het voor later soms gelukken zal. Want dat zijn maar menselijke practisaties.
Mocht iemand zich willen beroepen op het Oude Verbond en op de Besnijdenis, dat snijdt ook geen hout. Deze besnijdenis moest bediend worden aan Abrahams zaad, maar ook aan alle mannelijke ingezetenen van zijn huis. Dat waren toch zeker ook niet allen gelovige, en godvrezende mensen, zegt men wel eens.
Neen, maar al wordt de Doop de voorgezette Besnijdenis genoemd, dat wil niet zeggen, dat hij bediend moet worden aan al de ingezetenen des huizes.
Tenslotte ga ik nog even in op een bezwaar, dat wordt aangehaald tegen het wegzenden van onverschillige ouders. Men zegt: ,,Gij hebt niet het recht de Doop als een tuchtmiddel te gebruiken en evenmin om hem te weigeren".
Waarom eigenlijk niet ? Ik wil dit bezwaar beantwoorden met een vraag : Moet aan de toetreding tot des Heeren H. Avondmaal een behoorlijke voorbereiding voorafgaan of niet ?
Volgens de nieuwe Kerkorde schijnt ook dat niet meer nodig te zijn, maar wij blijven pleiten vóór de noodzakelijkheid.
Wij zouden anders, ondanks het nieuwbelijden of ook wel daardoor, nog in het ingewikkeld geloof der Roomsen terecht komen.
Behoort dat dan ook voor de H. Doop niet zo te zijn bij de ouders van het kind ? Oudtijds werd er ook dooponderricht gegeven, en heden ten dage immers nog, aan de heidenen, alvorens tot de H. Doop werd en wordt overgegaan.
Kan dit alles hier dan totaal genegeerd worden ?
Des Heeren Woord geldt nog altijd: „Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn". Eerst geloven, dan dopen; dat geldt ook bij de Kinderdoop.
De kamerling zeide tot Philippus : „Ziedaar water ! Wat verhindert mij, gedoopt te worden ? " En Phihppus zeide : „Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd." Daaraan hebben wij ons nog steeds te houden en al zijn er ook, die de laatste tekst voor onecht verklaren, het helpt hun niet.
Of wil men tegen alles in toch nog enig geloof bij de ouders veronderstellen en zeggen : „Ze denken er toch nog wel anders over, dan zij zich uiten ? "
Zo kan men van vloekers wel Godzoekers maken.
Ik hoor sommigen zeggen, dat de Kerk zelf de schuld is van de verwording van het Heilig Sacrament. Wij stemmen dit toe, maar het houdt niet in, dat men nu maar een vrijbrief tot dopen moet geven aan iedereen.
Nuchtere, misschien al te nuchtere ambtsdragers plegen nog al eens te zeggen : „Wat schiet gij er mee op of gij de Doop van sommige kinderen nu al een tijdlang uitstelt ? Later moet gij het toch doen".
Dat staat nog te bezien, want ik zei reeds, dat er velen zijn, die niet terug komen. Ik heb echter ook nergens beweerd, dat dit de oplossing was. Zij kan alleen hierin liggen, dat de Kerk niet alleen hare gereformeerde Belijdenis heeft, maar dat zij er ook uit leeft en die handhaaft in alles. Misschien zal er dan wel een grondige sanering plaats hebben. Die hebben wij trouwens ook nodig. Dan zal dat hopeloos gemodder, dat marchanderen op de Doopzittingen vanzelf ophouden.
Met het woordje „Amen", uitgesproken na de Doopformule, heb ik ook nog het een en ander beleefd. 't Was namelijk mijn gewoonte, om dit woordeke éénmaal uit te spreken en wel na de Doop van het laatste kind. Dit gold« dan tevens als een teken, dat het dopen afgelopen was.
Doch wat bleek nu langzamerhand ? Dat de moeders volstrekt geen haast hadden, om met hun kind naar het doopvont te treden. Zij lieten gaarne anderen voorgaan, om zelf, zo mogelijk het laatst aan de beurt te komen.
En waarom ? Opdat zij het woordje ,,amen" er bij zouden ontvangen. Dit bracht van zelf dan weer andere misbruiken mee, die ik liever maar niet noem. Hier had dus al weer bijgeloof blijkbaar zij intree gedaan.
Zodra ik deze dingen gewaar werd, heb ik het anders gedaan en het woordje ,,amen" uitgesproken na de Doop van elk kind.
Wanneer ik dit ambtelijk werk nu nog eens over deed, dan zou ik het helemaal weglaten. Het behoeft er immers niet bij.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's