De Hofnar van Gelre
FEUILLETON.
Een verhaal uit het begin der 16e eeuw
Een Vader bezit Cornells niet meer, wel een moeder. Buiten haar schijnen er voor hem geen verwanten meer te bestaan. Die moeder heet Wijntje, maar wordt in de wandeling, omdat zij reeds lange jaren met haar zoon een klein huis bewoont, dat nabij ide Vispoort op een zogenaamde dam staat. Wijntje van de Dam genoemd.
Is Cornelis bij de Harderwijkers goed bekend, niet minder zijn moeder. Niet, wijl zij van ouder tot ouder een eerzame poorteres van Harderwijk is geweest, want zij is evenmin als haar zoon in deze stad geboren; maar hier voor ongeveer tien jaar als op een strowis komen aandrijven. Wat haar bekend maakt is, dat zij een kleine winkel heeft, boven welks deur een grote fles, de ,, urynael" genoemd, uithangt. In die winkel zijn allerlei medicijnen te bekomen, waarvan Wijntje zegt de samenstelling van haar overleden man, een vermaard barbier en heelmeester in Amsterdam, geleerd te hebben.
Gingen de zaken der weduwe in 't eerst vrij goed, weldra kwam er voor haar echter een kink in de kabel.
Op zekere avond ontving haar winkel een bezoek van Anna, de vrouw van meester Van Emden. Deze leed aan hevige maagkrampen en kwam hiervoor bij Wijntje raad vragen.
Wijntje, die steeds een buitengewoon grote huive draagt, waarin haar gehele gezicht als 't ware verschuilt, trok bij die gelegenheid haar hoofddeksel nog een weinig verder over het gezicht en toonde een in 't oog vallende verlegenheid. Toch voldeed zij aan het verzoek en gaf voor enkele groten een hoeveelheid geneesmiddelen, die eer voor een paard dan voor een mens bestemd schenen. Het gebruik hiervan gaf echter geen beterschap.
Daarop verschafte Wijntje aan vrouw Van Emden, een middel, dat, naar heur zeggen, elders door haar man vroeger met goede uitslag was aangewend. Zij overr handigde n.l. de lijderes een notedop, waarin zich een levende ^pin en een pissebed bevonden, en ried haar aan, die notedop met zijn inhoud aan een koordje op de naakte borst te dragen.
Dan, ook dit middel baatte niet.
Vrouw van Emden, die in 't begin alles voor haar man verzwegen had, wijl deze altijd met de geneesmiddelen van Wijntje de spot had gedreven, toonde hem thans, nu zij meende door Wijntje bedrogen te zijn, het notedopje met zijn griezelige inhoud.
Meester Occo was ten hoogste verontwaardigd en stelde de schout er van in kennis. Wijntje werd voor 't gerecht gedaagd en van „een maniere van wychelyen" beschuldigd. Haar vonnis luidde : een boete van twintig Emder guldens aan de stad en een schadevergoeding van een goudgulden aan meester Occo van Emden. Bij weigering van betalen zou zij openlijk als wichelares te pronk moeten staan.
Door zijn invloed wist meester Occo evenwel te bewerken, dat Wijntje voor ditmaal de boete werd kwijtgescholden. Ook weigerde hij voor zichzelf elke schadevergoeding.
Niettemin was deze gebeurtenis voor Wijntje een zware slag ; want sinds die tijd hadden haar geneesmiddelen maar geringe aftrek, zodat zij niet dan met grote moeite met haar jongen kon rondkomen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's