DE STRIJDENDE KERK
Vandaar dat de kerk hier beneden nooit boven een strijdende kerk uit zal komen. En dat ook degenen, die het leven des geloofs kennen, altijd in een geestelijke strijd zullen gewikkeld blijven.
De strijd van Gods kind kan zo heel verschillend zijn. Het kan zijn een strijd tegen de satan, maar ook tegen de wereld of het eigen vlees. De oude en de nieuwe mens verdragen elkander niet.
Wie zal trouwens zeggen, hoeveel oorzaken er wel kunnen zijn, waardoor er van een geestelijke strijd sprake is ?
Is het in het natuurlijke niet zo, om maar iets te noemen, dat een kind zijn verdriet kan hebben, maar ook een jongeling, ook een volwassen man. Maar hoe geheel andersoortig is het verdriet dat men als kind had, met het verdriet dat men later als jongeling of als volwassen man kan hebben.
Zo ook in de geestelijke strijd. De strijd van een zuigeling in de genade of die van een vader in Christus kunnen zo ver uit elkander liggen, wat betreft de oorzaken die daartoe aanleiding geven. Er zijn immers zovele terreinen, waarop de strijd gevoerd kan worden ?
Hij kan zich afspelen in de diepte der ellende, maar ook op het terrein van de heiligmaking en van de rechtvaardigmaking. De strijd kan in het teken staan van: „Zouden, Gods beloftenissen, altijd hun vervulling missen ? ", maar ook b.v. in het teken van „zoveel kwaad tegen zoveel licht bedreven".
Wat kan de ziel vertoeven in geestelijke verlating en aanvechting. Hoe kan het geloof worden bestreden, de hoop worden geschud.
Maar in deze geestelijke strijd worden door Gods genade toch ook weer telkens overwinningen behaald, vertroostingen ervaren, het geloof geoefend en geestelijke wasdom verkregen.
Ja, door de strijd kan de geestelijke wasdom worden bevorderd. Evenals een boom die door de geweldige storm dieper in de aarde hecht. Geestelijke wasdom is nog weer iets anders dan het ontvangen van vertroostingen. Dit laatste is als het ware gelijk aan het gedragen worden van een kind door zijn vader. Maar als de vader het kind weer op de grond zet, is dat kind nog hetzelfde kind. Het is niet gevorderd in kracht en uithoudingsvermogen. Het kind is even vertroost, maar er was geen toenemende wasdom tijdens het dragen.
Geestelijke wasdom is vermeerdering van geestelijk licht, door persoonlijk ervaren dat Gods Woord geest en leven is. Dan wordt er met de dichter gezongen :
„Ik roem in God, ik prijs 't onfeilbaar Woord, ik heb het zelf uit Zijne Mond gehoord, wat sterveling zou mij schenden ? "
Zo maakt God Zijn pelgrims tot geestelijke strijders. Pelgrims zijn mensen, die bij de beloften Gods leven. Maar tussen de belofte en het bezit van de beloofde zaak kan dikwijls niet alleen veel tijd, maar ook veel strijd liggen.
Van de geestelijke strijd met zijn wisselende zielsgestalten wil men helaas in deze moderne tijd zo weinig meer horen. Men aanschouwt tegenwoordig een christendom, dat van inwendige strijd niet horen wil. Dat steeds schijnbaar op de hoogten des geloofs verkeert. Of dat aan dorre leerstellige orthodoxe waarheden zonder meer genoeg heeft.
Het geloof is uit het gehoor, zo leert ons de Heilige Schrift.
Maar als er in onze dagen een geloof te aanschouwen is, dat zo veelszins de kracht der godzaligheid mist en niet voldoet aan het paslood van Gods heiligdom, dan houdt ook dit nauw verband met het gehoor, of zo men wil, met de gebrachte prediking.
We komen hier te staan bij de nood der prediking.
Zo het volk, zo de priesters, maar óok : zo de priesters, zo het volk.
Terwijl we ons, Gode zij dank, in onze Hervormde Kerk nog er in mogen verheugen dat van menige kansel nog de levende verkondiging des Woords gebracht wordt, moeten we er ons anderzijds ook diep over bedroeven, dat'dit in zeer veel gevallen niet zo is.
Er wordt veelal een prediking gebracht die meer het hoofd dan het hart raakt. Waarbij soms zelfs de woorden der zaken niet meer genoemd worden, laat staan dat men geestelijke leiding geeft in de meest wezenlijke dingen van het leven, dat door Gods Geest is gewerkt.
Men vergeet de kudde des Heeren maar al te vaak. Men komt niet toe aan het hoeden en weiden van de lammeren en schapen. De kerkvensters staan wijd oper? naar de zijde van de wereld, doch de herdersstaf is als het ware opgeborgen.
De Heere belooft zo troostvol, dat waar twee of drie in Zijn Naam tezamen zijn, Hij daar in het midden zal wezen. Maar deze belofte des Heeren houdt tevens een roeping voor Zijn dienstknechten in. Namelijk deze, dat al zouden er onder de bediening des Woords slechts twee of drie lammeren of schapen van Gods kudde zich bevinden, dat de prediking toch allereerst en bovenal tot deze lammeren en schapen dient uit te gaan. Daarbij behoeven de andere kerkgangers niet vergeten te worden. Maar een kerkdienst behoort bediening des Woords voor Christus' gemeente te blijven. Het gaat om licht en leiding, om geestelijk voedsel, zowel melk als vaste spijze. Zeker, daar is bekwaammakende genade voor nodig. Maar waarlijk geroepen predikanten hebben toch een Zender, Die hen tot uitdelers van Gods menigerlci genade wil maken ? En juist het gevoel van onbekwaamheid, zal ze tot een geschikte dienstknecht kunnen maken. Gods gemeente heeft geen dienstknechten nodig die het in eigen kracht „kunnen". Ze heeft geen behoefte aan „mooie", „interessante,, , actuele" of ,, pakkende" preken, maar aan zulke, waarvan getuigd kan worden : ,, Bij deze dingen leeft men en is het leven van mijn geest". Dat hebben geestelijke strijders nodig. Dit sterkt hen in de strijd en stelt ze in staat om zich als het ware opnieuw de geestelijke wapenrusting aan te gorden en het schild des geloofs op te heffen.
Het moet met droefheid geconstateerd worden, dat er meer sprekers op de kansel staan dan herders en leraars. Hoe gering is het aantal ambtsdragers met het steile afhankelijkheidsgevoel en de innige Godsvreze, met een hart dat zij op de kudde stellen. Die vragen naar de afzonderlijke schapen, ze opzoeken en daardoor hun geestelijke strijd en hun geestelijk leven leren kennen. Om daarmede dan ook bij de bediening des Woords weer rekening te kunnen houden.
Daarom moge ons gebed wel opstijgen tot de Koning der kerk, dat Hij het getai der getrouwe dienstknechten moge vermenigvuldigen en dat Hij Zijn bekwaammakende genade schenke aan allen, die in het voortreffelijke ambt van Bedienaar des woords gesteld zijn.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 1952
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's